GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.352.087/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/760123/ KG ZA 24-963
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. A.J. Robbers te 's-Gravenhage,
tegen
PB MAKELAARS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.W.N. Brand te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en PB Makelaars genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak betreft een woning die eigendom is van [appellant] en haar ex-partner. [appellant] is bij vonnis veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning. PB Makelaars is ingeschakeld om deze woning te verkopen. Bij [appellant] is onvrede ontstaan over de wijze waarop de makelaar de opdracht heeft uitgevoerd. [appellant] stelt dat de makelaar niet alle informatie over het verkoopproces met haar heeft gedeeld, en vordert in deze procedure veroordeling van de makelaar tot verstrekking van gespecificeerde gegevens en bescheiden. Het hof wijst deze vordering af wegens gebrek aan belang.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding met verzoek om spoedbehandeling van 28 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van 4 februari 2025 van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:803), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie enerzijds en [naam] (hierna: de man) en PB Makelaars als gedaagden in conventie, eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis) anderzijds. De dagvaarding bevat de grieven. [appellant] heeft op de eerst dienende dag geconcludeerd overeenkomstig die appeldagvaarding.
Bij rolbeslissing van 11 maart 2025 heeft de rolraadsheer vastgesteld dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Niet is gebleken dat het hoger beroep conform de eis van artikel 3:301 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) binnen acht dagen na het instellen daarvan is ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
[appellant] heeft zich op 18 maart 2025 bij akte uitgelaten over de ontvankelijkheid.
PB Makelaars heeft op 1 april 2025 een antwoordakte, met producties, genomen.
PB Makelaars heeft op 15 april 2025 een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Op 16 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. Robbers aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd.
Beide partijen hebben nog nadere producties in het geding gebracht.
Op de rol van 28 oktober 2026 is arrest gevraagd. Op dezelfde datum is de zaak tussen [appellant] en [naam] doorgehaald omdat zij een schikking hebben bereikt.
[appellant] heeft op 6 januari 2026 een akte genomen, waarbij zij haar eis heeft verminderd.
PB Makelaars heeft op 3 februari 2026 een antwoordakte, met producties, genomen.
Vervolgens is arrest bepaald.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] is eind 2019/begin 2020 gezamenlijk met haar toenmalige partner (hierna: de man), eigenaar geworden van een woning aan [straat 1] / [straat 2] (hierna: de woning), voor een koopprijs van € 1.690.000,00.
[appellant] en de man hebben van 1 april 2020 tot mei 2022 samengewoond in de woning. De man heeft de relatie verbroken en is weggegaan uit de woning.
[appellant] en de man hebben de woning na de koop verbouwd en bouwkundig gesplitst in twee woningen, een kleine woning aan [straat 2] (woning 1) en een grote aan [straat 1] (woning 2). Na het verbreken van de samenwoning is [appellant] nog enige tijd met haar zoon uit een vorige relatie in woning 2 blijven wonen.
Bij vonnis van 17 oktober 2023 is [appellant] veroordeeld mee te werken aan de overname van woning 1 (voor zover dat mogelijk was tegen de getaxeerde waarde) en is zij veroordeeld om woning 2 te verlaten en mee te werken aan de verkoop daarvan. Het dictum van het vonnis luidt, voor zover van belang, als volgt:
“5.3.2. veroordeelt [appellant] om, binnen twee maanden na instemming met overname van Woning 1, Woning 2 te verlaten en verlaten te houden en bepaalt dat [appellant] een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag dat zij daarmee zij in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,-;
veroordeelt [appellant] om na één maand na instemming met overname van Woning 1, mee te werken aan de verkoop van Woning 2, waarbij offertes zullen worden gevraagd aan de makelaars PB Makelaars, Ter Haar makelaars en Boelen makelaardij en de opdracht zal worden gegeven aan degene daarvan die het voordeligst offreert;
bepaalt dat [appellant] een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 5.3.3. bepaalde, met een maximum van € 25.000,-;
indien en voor zover [appellant] afwijzend, niet of niet tijdig reageert:
veroordeelt [appellant] om binnen één week na ommekomst van de onder 5.1 en/of 5.2 genoemde termijn en na betekening van het vonnis mee te werken aan de verkoop van Woning 1 en Woning 2, aan bezichtigingen van Woning 2 en deze te verlaten en in opgeruimde staat achter te laten, voor de duur dat de makelaar en de potentiële kopers in de woning verblijven, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of keer dat zij daarmee in gebreke blijft of in strijd handelt;
veroordeelt [appellant] om Woning 2 uiterlijk op datum levering aan derden te verlaten en te ontruimen;
bepaalt dat [appellant] een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor iedere dag dat zij nalaat om aan de veroordeling onder 5.4.2 te voldoen, met een maximum van € 100.000,-;
(…)
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”
PB Makelaars is ingeschakeld om de woningen te verkopen. Op een bepaald moment is bij [appellant] onvrede ontstaan over de wijze waarop PB Makelaars de opdracht uitvoert en de door PB Makelaars gehanteerde vraagprijzen.
Op 25 januari 2024 heeft [appellant] de man in kort geding gedagvaard en in conventie onder andere gevorderd dat de man wordt veroordeeld mee te werken aan het sluiten van een verkoopopdracht met een andere makelaar. Bij mondelinge uitspraak van 31 januari 2024 is deze vordering afgewezen en is de vordering in reconventie van de man om indeplaatsstelling van de beslissing voor de door [appellant] te verlenen medewerking voor het verkopen van de woningen toegewezen. In het dictum van het vonnis staat voor zover van belang het volgende:
“In reconventie:
bepaalt dat deze beslissing met ingang van twee weken na betekening daarvan, in de plaats zal treden van de door [appellant] te verlenen medewerking en toestemming – waaronder het instemmen met de aanprijzingen van de woningen die PB makelaars heeft opgesteld om op Funda te worden geplaatst – voor het verkopen van de woningen (woning 1 en woning 2) en vervolgens, indien zij daaraan niet binnen twee weken aan een daartoe gericht verzoek van [naam] voldoet, aan het sluiten van koopovereenkomsten en het verlijden van de notariële akten van levering (als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek)”
PB Makelaars heeft de twee woningen te koop aangeboden op de markt. [appellant] heeft PB Makelaars herhaaldelijk verzocht om informatie.
In een e-mail van 19 maart 2024 heeft de vrouw aan de makelaar voor zover van belang meegedeeld:
“Ik kan niet anders zeggen, alles gaat wat mij betreft mis als het gaat om de verkoop van de woningen aan [straat 1] en [straat 2] . Hierbij stel ik je in gebreke.”
[appellant] heeft vervolgens bij bericht van haar advocaat van 22 maart 2024 laten weten dat zij haar handen aftrok van het verkoopproces.
Op of omstreeks 5 april 2024 is woning 1 verkocht voor een verkoopprijs van € 509.500,00.
In augustus of september 2024 hebben zich kopers aangediend die bereid waren woning 2 voor een bedrag van € 1.700.000,00 te kopen.
In een brief van 1 oktober 2024 heeft [appellant] , via haar advocaat, aan PB Makelaars verzocht geen definitieve koopovereenkomst te (laten) sluiten met betrekking tot woning 2 totdat in de inmiddels aanhangige bodemprocedure vonnis zou worden gewezen. Uit deze brief kan daarnaast worden afgeleid dat zij ervan op de hoogte is dat een bieding op woning 2 is geaccepteerd voor een koopprijs van € 1.700.000,- (onder voorbehoud van een bouwtechnische keuring), en zij geen conceptkoopovereenkomst heeft ontvangen, maar wel een uitnodiging om bij de levering van de woning aanwezig te zijn (om te tekenen).
[appellant] heeft de makelaar ook verzocht informatie te delen over het verkoopproces en de voorgenomen transactie. In de brief staat voor zover van belang het volgende:
“Namens cliënte verzoek – en voor zover nodig sommeer – ik u om totdat de rechtbank vonnis heeft gewezen, geen koopovereenkomst tot stand te brengen en de onderhandelingen op dit punt te staken. (…)
PB Makelaars heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend makelaar verwacht mag worden. PB Makelaars schiet jegens cliënte ernstig tekort in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (…)”
Bij e-mail van 8 oktober 2024 heeft PB Makelaars de opdracht teruggegeven wegens gebrek aan vertrouwen, waarbij zij heeft opgemerkt dat zij afziet van courtage betreffende de werkzaamheden voor woning 2.
Bij vonnis van 9 oktober 2024 heeft de bodemrechter aansluiting gezocht bij het vonnis van de voorzieningenrechter van 24 januari 2024 en de reconventionele vordering van [appellant] , om haar te machtigen om de verkoop van woning 2 af te handelen, afgewezen.
Uit een e-mail van 27 november 2024 van de advocaat van de man aan de advocaat van [appellant] kan worden afgeleid dat de man aan PB Makelaars toestemming heeft verleend informatie te verstrekken over de verkoop van de woningen.
Aanvankelijk heeft [appellant] onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen zowel de man als PB Makelaars. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [appellant] en de man overeenstemming bereikt over een minnelijke regeling.
4. Procedure bij de rechtbank
Samengevat heeft [appellant] bij de rechtbank in conventie gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. PB Makelaars op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen alle informatie over het verkoopproces van de woningen te verstrekken, waaronder de stamkaart van beide woningen, een overzicht van de Funda advertenties (en de datum van aanmelding en afmelding van de woningen), het volledige biedlogboek van de woningen, een lijst van partijen die de woningen hebben bezichtigd en/of daarom hebben gevraagd en alle met hen (of hun vertegenwoordigers) gevoerde correspondentie, de met de man (of zijn advocaat) gewisselde berichten over de (voorgenomen) transacties, alle met de notaris gewisselde berichten over de (voorgenomen) transacties en alle andere informatie over de (mogelijke) verkoop van de woningen;
2. de man en PB Makelaars hoofdelijk te veroordelen in de werkelijke proceskosten (inclusief nakosten) te vermeerderen met de wettelijke rente.
PB Makelaars heeft in conventie verweer gevoerd, en in reconventie
- samengevat - gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [appellant] te veroordelen – bij wijze van voorschot – aan haar een bedrag van
€ 10.500,00, althans een in goede justitie te beoordelen bedrag, aan schadevergoeding (inclusief vergoeding voor gemaakte (on)kosten) te voldoen;
2. [appellant] op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden om nogmaals een procedure op grond van 843a Rv of een soortgelijke procedure aanhangig te maken over het onderwerp van dit geschil;
3. [appellant] te veroordelen in de werkelijke proceskosten, bestaande uit het griffierecht, € 8.643,50 aan gemaakte advocaatkosten tot aan indiening van deze eis en de nog te maken advocaatkosten.
De voorzieningenrechter heeft de vordering in conventie onder 1. van [appellant] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg van 10 december 2024 is gebleken dat alle verzochte informatie is verstrekt. Voor zover er mogelijk nog stukken ontbreken, heeft [appellant] onvoldoende kunnen specificeren om welke stukken het gaat. Het enkel op basis van speculatie en wantrouwen vragen om stukken is onvoldoende om de vordering tot het verstrekken daarvan toe te wijzen.
Ook de vorderingen in reconventie onder 1. en 2. van PB Makelaars zijn door de voorzieningenrechter afgewezen. Aan het strenge criterium voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is volgens de voorzieningenrechter niet voldaan en het onder 2 gevorderde verbod is te verstrekkend.
Voorts heeft de voorzieningenrechter [appellant] in conventie in de reële proceskosten van PB Makelaars veroordeeld en PB Makelaars in reconventie in de proceskosten veroordeeld.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] heeft, na wijzigingen van eis, geconcludeerd dat het hof bij arrest,
I. het bestreden vonnis zal vernietigen;
II. en opnieuw rechtdoende:
PB Makelaars zal veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het arrest de in - naar het hof begrijpt - productie 1R gespecificeerde bescheiden/gegevens te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft;
de proceskostenveroordeling in eerste aanleg (waaronder de toegewezen reële advocaatkosten) zal vernietigen, met veroordeling van PB Makelaars in de reële proceskosten in eerste aanleg in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en rente.
PB Makelaars vordert dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de (werkelijke) proceskosten.
6. Beoordeling
In hoger beroep heeft [appellant] twee grieven (5 en 8) aangevoerd die zich richten tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [appellant] en PB Makelaars. Grief 5 gaat in de kern over het oordeel dat PB Makelaars alle verzochte informatie heeft verstrekt. Grief 8 gaat over de proceskosten. Alvorens het hof toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de grieven, dient het te beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep en of zij (nog) voldoende belang heeft bij haar vorderingen jegens PB Makelaars.
[appellant] is ontvankelijk in het hoger beroep
PB Makelaars heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Het hoger beroep is namelijk niet conform de eis van artikel 3:301 lid 2 BW ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv. In haar akte uitlating (van 18 maart 2025) over de ontvankelijkheid heeft [appellant] erkend dat niet aan dit vereiste is voldaan. Zij heeft getracht deze omissie te herstellen door haar eis te wijzigen, maar dat was in dat stadium van de procedure niet meer mogelijk volgens PB Makelaars. Daarnaast heeft [appellant] niet toegelicht in welke onderdelen van het hoger beroep zij nog ontvankelijk zou zijn. Het hoger beroep van [appellant] was hoofdzakelijk gebaseerd op de veroordeling ex artikel 3:300 BW en de onomkeerbare gevolgen daarvan. Nu [appellant] in elk geval ten aanzien van dat onderdeel niet-ontvankelijk is, heeft zij geen belang meer bij het hoger beroep, aldus PB Makelaars.
Het hof overweegt als volgt. De voorzieningenrechter heeft – samengevat – bepaald dat het bestreden vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 en lid 2 in de plaats treedt van de door [appellant] te verrichten formaliteiten en te verlenen toestemming voor het verkopen van woning 2, voor de opdracht aan de makelaar, voor het sluiten van de koopovereenkomst en het passeren van de notariële akte. De vorderingen van [appellant] in hoger beroep jegens de man, die betrekking hadden op dat gedeelte van het bestreden vonnis, zijn ingetrokken doordat het hoger beroep vanwege een tussen hen getroffen minnelijke regeling is doorgehaald. Wat overblijft zijn de vorderingen van [appellant] jegens PB Makelaars.
Vaststaat dat het hoger beroep niet is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Dat leidt naar het oordeel van het hof in dit geval echter niet tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] . Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538) is er geen grond het toepassingsbereik van deze bepaling uit te breiden tot gevallen die niet door de wettekst worden bestreken of waarin de betrouwbaarheid van de openbare registers niet in het geding is. Gelet hierop vallen de vordering van [appellant] jegens PB Makelaars tot verstrekking van informatie en de door [appellant] aangevochten proceskostenveroordeling niet onder het toepassingsbereik van artikel 3:301 lid 2 BW. [appellant] is dan ook ontvankelijk in het hoger beroep.
[appellant] heeft geen belang meer bij haar vorderingen
[appellant] heeft met grief 5 aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte haar vordering in de zin van (het inmiddels oude) artikel 843a Rv heeft afgewezen. Het oordeel van de voorzieningenrechter dat alle verzochte informatie is verstrekt, is volgens [appellant] feitelijk onjuist omdat er nog steeds cruciale informatie ontbreekt. In haar akte uitlating van 6 januari 2026 heeft [appellant] betoogd dat zij om die reden nog steeds belang heeft bij haar vordering jegens PB Makelaars. [appellant] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestructureerd en herleidbaar uitgewerkt welke concrete bescheiden ontbreken en waarom deze bescheiden naar hun aard tot het makelaarsdossier dan wel tot de communicatie over de (voorgenomen) transacties moeten behoren. Daartoe heeft zij een gespecificeerde lijst van ontbrekende stukken overgelegd. [appellant] heeft deze bescheiden nodig om haar rechtspositie jegens PB Makelaars te kunnen bepalen, waaronder de beoordeling van mogelijke aansprakelijkheid, de schadevaststelling en de behandeling/overname door haar rechtsbijstandsverzekeraar. Zonder deze bescheiden kan [appellant] niet reconstrueren welke informatie op welk moment aan wie is verstrekt, welke biedingen zijn ontvangen en hoe daarmee is omgegaan, en kan zij haar rechtspositie jegens PB Makelaars niet goed bepalen. Dat is het rechtens te respecteren belang dat artikel 843a Rv beoogt te beschermen, aldus [appellant] . PB Makelaars heeft een en ander bestreden.
Het hof oordeelt als volgt. Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden, waardoor artikel 843a Rv is komen te vervallen. De nieuwe regels gelden voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 zijn gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 aanhangig is gemaakt, blijft het oude bewijsrecht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. De procedure bij het hof is een afzonderlijke procedure bij een nieuwe instantie. Omdat de dagvaarding van 28 februari 2025 op 11 maart 2025 op de rol van het hof is ingeschreven, is het nieuwe bewijsrecht van toepassing op de procedure in hoger beroep.
Artikel 194 Rv (nieuw bewijsrecht) bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft.
[appellant] heeft voldoende toegelicht welk belang, in de zin van voornoemd artikel, zij heeft bij de gevraagde gegevens. PB Makelaars heeft echter in een door haar overgelegd overzicht puntsgewijs toegelicht dat zij alle gegevens heeft verstrekt die [appellant] heeft verzocht. [appellant] heeft tegenover deze uitgebreide toelichting onvoldoende specifiek gesteld en toegelicht dat er, behalve de stukken die al zijn overgelegd, nog andere stukken zijn die aan haar verstrekt moeten worden op grond van artikel 194 Rv. Het hof concludeert uit een en ander dat [appellant] de door haar gevraagde bescheiden reeds heeft. Bij deze uitkomst heeft [appellant] geen belang meer bij haar vorderingen op grond van artikel 3:303 BW, omdat aangenomen moet worden dat PB Makelaars aan de vorderingen heeft voldaan. De vorderingen van [appellant] in hoger beroep stuiten daar reeds op af.
Proceskostenveroordeling in eerste aanleg
Met grief 8 heeft [appellant] aangevoerd dat zij ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [appellant] de vordering nodeloos heeft ingesteld, omdat PB Makelaars de gevraagde informatie al voor de zitting had verstrekt. De voorzieningenrechter heeft daarom een vergoeding van reële proceskosten op zijn plaats geacht. Volgens [appellant] is dat onjuist en was de procedure wel degelijk noodzakelijk omdat PB Makelaars weigerde informatie te verstrekken. Pas onder druk van de procedure, waarbij [appellant] gedwongen werd kosten te maken voor het opstellen van een concept-dagvaarding, kwam informatie los. Deze informatie bleek nog steeds onvolledig. De makelaar handelde niet conform de NVM-Erecode, hanteerde geen voorgeschreven biedlogboek en heeft tot op heden niet alle relevante stukken verstrekt, aldus [appellant] .
Het hof begrijpt dat [appellant] hiermee beoogt op te komen tegen haar veroordeling in de reële (werkelijke) proceskosten in plaats van de normale proceskosten volgens het vastgestelde liquidatietarief van de rechtspraak.
Uitgangspunt is dat de vordering tot vergoeding van alle door PB Makelaars in verband met deze procedure daadwerkelijk gemaakte kosten slechts toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is onder meer sprake als het instellen van de vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan volgens vaste rechtspraak pas sprake zijn als [appellant] haar vorderingen baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Deze toetsing dient met terughoudendheid te geschieden, in die zin dat het gebruik maken van processuele bevoegdheden slechts in zeer bijzondere gevallen als misbruik van bevoegdheid kan worden gekwalificeerd.
Aan het hiervoor genoemde criterium is in dit geval niet voldaan. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aanleiding geven voor het oordeel dat [appellant] misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellant] in eerste aanleg ten onrechte in de reële proceskosten is veroordeeld, en ziet aanleiding voor een veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg volgens het normale liquidatietarief. Dat betekent dat grief 8 in zoverre slaagt.
Slotsom en kosten
Het hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Grief 5 faalt en grief 8 slaagt. Het bestreden vonnis wordt vernietigd, voor zover het de veroordeling van [appellant] in de reële proceskosten betreft, en wordt voor het overige bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep voornamelijk in het ongelijk gesteld – omdat de vordering tot verstrekking van informatie is afgewezen – en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep als volgt vast:
Eerste aanleg
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 1.107 (tarief II, 1 punt)
Totaal € 1.795,00
Hoger beroep
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 3.325,00 (tarief II, 2,5 punten)
Totaal € 4.123,00
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover [appellant] daarbij in de zaak tussen haar en PB Makelaars in de reële proceskosten is veroordeeld,
en doet opnieuw recht:
veroordeelt [appellant] in de zaak tussen haar en PB Makelaars in de proceskosten in eerste aanleg, tot nu toe vastgesteld op € 1.795,00 conform het liquidatietarief;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.123,00;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, F.J. van de Poel en K. van Dijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.