GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.362.006/01
zaaknummer rechtbank: C/13/739134 / FA RK 23-5969
beschikking van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Linne.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), in deze procedure vertegenwoordigd door de bijzondere curator [curator] (hierna: de bijzondere curator).
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] (hierna: de GI).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
In deze beschikking gaat het over de vraag of de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] (9 jaar) en de zorgregeling tussen haar en de moeder uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft in een beschikking van 4 november 2025 bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de moeder in Nederland zal verblijven gedurende alle schoolvakanties in [plaats A] . De vader wil dat de beslissing van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De moeder is het daarmee niet eens.
2. De procedure in hoger beroep
De vader is op 28 november 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 4 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
De moeder heeft op 4 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om haar mening te geven. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Op 8 januari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Aan partijen is van tevoren door de griffier meegedeeld dat ter zitting alleen het principaal hoger beroep zou worden behandeld, en dat zou worden besproken hoe het incidenteel hoger beroep verder zou worden behandeld.
In verband met de weersomstandigheden en de reisafstand van een aantal betrokkenen heeft het hof, gehoord partijen, beslist betrokkenen in de gelegenheid te stellen om via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen.
Op de zitting waren aanwezig, via een videoverbinding:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de advocaat van de moeder,
- twee vertegenwoordigers van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door I. Stuifbergen.
De bijzondere curator was, met bericht van verhindering, niet op de zitting aanwezig.
Ter zitting heeft het hof bepaald dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift in incidenteel appel loopt tot en met 22 januari 2026.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats C] .
De ouders hebben tot februari 2019 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de moeder.
Bij beschikking van 1 oktober 2020 van de rechtbank heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. Die maatregel is daarna steeds verlengd en is per 1 april 2024 geëindigd.
Bij beschikking van 28 juni 2024 heeft de rechtbank mevrouw [curator] tot bijzondere curator over [minderjarige] benoemd.
Bij beschikking van 4 november 2025 heeft de rechtbank [minderjarige] opnieuw onder toezicht van de GI gesteld tot 4 november 2026.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald en als zorgregeling bepaald dat [minderjarige] bij de moeder in Nederland zal verblijven gedurende alle schoolvakanties in [plaats A] , waarbij de vader voor vervoer van [minderjarige] naar de moeder in Nederland zal zorgen. De rechtbank heeft die beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vader verzoekt in principaal hoger beroep de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen, de verzoeken van de vader af te wijzen en haar inleidende verzoek om een zorgregeling te bepalen alsnog toe te wijzen, inhoudende dat:
- de vader [minderjarige] eenmaal in de twee weken een weekend van vrijdagavond tot zondagavond in de woning van de moeder zal bezoeken, alsmede gedurende de eerste en derde woensdagmiddag van de maand;
- [minderjarige] onder begeleiding van haar moeder iedere schoolvakantie bij de vader in diens huis in [plaats A] zal doorbrengen.
5. De motivering van de beslissing
In principaal en incidenteel hoger beroep
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat de moeder de Hongaarse nationaliteit heeft en de vader in [plaats A] woont. De rechtbank is van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitgegaan. Dat heeft zij op juiste gronden gedaan. Ook het hof acht de Nederlandse rechter bevoegd. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
In principaal hoger beroep
Aan het hof ligt nu ter beoordeling voor het principaal hoger beroep, dat tot doel heeft de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De standpunten van partijen
De vader stelt dat de rechtbank de bestreden beschikking ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. De situatie zit al lange tijd vast. Het is voor [minderjarige] van belang dat er vooruitgang komt. [minderjarige] wordt in haar ontwikkeling bedreigd in de thuissituatie bij de moeder en er is daar geen zicht op haar veiligheid. Het is dan ook van belang dat zo snel mogelijk met de voorbereiding van de verhuizing naar [plaats A] kan worden gestart, zodat [minderjarige] binnen afzienbare termijn bij de vader kan gaan wonen. Daarnaast is er al lange tijd geen omgang tussen de vader en [minderjarige] en blijft ook dat nu stilliggen. Het verleden laat zien dat de moeder, hoewel zij anders beweert, niet bereid is om mee te werken aan contact tussen de vader en [minderjarige] . Ook heeft de bijzondere curator gerapporteerd dat de leeftijd en ontwikkeling van [minderjarige] met zich meebrengen dat niet te lang moet worden gewacht met het in gang zetten van de verhuizing.
Volgens de moeder heeft de rechtbank de bestreden beschikking op juiste gronden niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het is niet in [minderjarige] ’s belang dat de verhuizing naar de vader in gang wordt gezet. De vader heeft niet nagedacht over hoe [minderjarige] ’s leven in [plaats A] zal moeten worden vormgegeven. Daarbij is hij niet op de hoogte van [minderjarige] ’s situatie. Hij heeft de afgelopen tijd geen contact met haar gezocht, terwijl hij daar alle mogelijkheid toe had. Daarnaast heeft de vader geen informatie over [minderjarige] en heeft hij zich niet verdiept in haar suikerziekte, hetgeen wel noodzakelijk is om haar te kunnen verzorgen. Ook kan de moeder geen zicht krijgen op de situatie van de vader en wil hij zijn adres niet aan de moeder geven. Bovendien ligt het incidenteel hoger beroep nog voor, waardoor nog onduidelijk is of de verhuizing definitief zal worden.
De mening van de GI
De GI brengt naar voren al eerder lange tijd bij [minderjarige] betrokken te zijn geweest, maar toen is het niet gelukt om contactherstel tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen. Sinds kort verloopt de samenwerking tussen de GI en de moeder iets beter. De GI heeft daardoor ook [minderjarige] recentelijk kunnen spreken. In dat gesprek gaf zij in eerste instantie aan geen contact met de vader te willen en de huidige situatie goed te vinden, maar later gaf zij aan dat zij wel fysiek contact zou willen met de vader. De komende tijd wil de GI zich inzetten om via videobellen contact tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen en dat vervolgens op te bouwen, zodat er uiteindelijk fysiek contact kan plaatsvinden. Wel is daarvoor medewerking van de moeder nodig. De verbeterde samenwerking met de moeder is echter nog een prille ontwikkeling en de komende tijd moet worden bezien of dat kan worden voorgezet. Naar aanleiding van het verloop van het contactherstel de komende tijd zal moeten blijken wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van de verhuizing.
Het advies van de raad
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Gebleken is dat het lange tijd niet is gelukt om met de moeder samen te werken. Het lijkt erop dat de moeder nu wel meewerkt met de GI, maar het is nog onduidelijk of dat zo zal blijven. Bovendien krijgt de GI nog altijd onvoldoende zicht op de situatie. Als het hof de beslissing van de rechtbank wel uitvoerbaar bij voorraad zou verklaren en het lukt de GI om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen en haar uiteindelijk naar [plaats A] over te brengen, bestaat het risico dat [minderjarige] uiteindelijk terug moet verhuizen. Dat is niet in [minderjarige] ’s belang. Anderzijds kan ook een tijdelijke verhuizing positief uitpakken, mits [minderjarige] goed wordt voorgelicht dat haar verblijf in [plaats A] mogelijk tijdelijk is. [minderjarige] kan de vader dan al beter leren kennen en een beeld vormen van de situatie in [plaats A] . Wanneer de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, bestaat er geen risico dat [minderjarige] zal moeten terugverhuizen, maar blijft de huidige situatie en de spanning die daarmee gepaard gaat nog enige tijd voortduren. Beide situaties zijn dan ook niet ideaal en de raad onthoudt zich van het geven van een advies over uitvoerbaarheid bij voorraad.
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 360 lid 2, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan, in het geval een beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en daartegen hoger beroep is ingesteld, de bestreden beschikking ook in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
De beoordeling door het hof
Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank gemotiveerd beslist dat de wijziging van [minderjarige] ’s hoofdverblijfplaats en de vastgestelde zorgregeling niet uitvoerbaar bij voorraad zijn. De overweging geeft blijk van een concrete belangenafweging van de rechtbank daaromtrent. Uit de motivering volgt dat de rechtbank wilde voorkomen dat [minderjarige] heen en weer zou moeten verhuizen als het hof in hoger beroep een andere beslissing neemt.
Nu het principaal beroep slechts ziet op de vraag of de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, zijn de door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026, rov. 5.3.6) geformuleerde criteria van toepassing. Dit betekent dat, nu de rechtbank gemotiveerd heeft beslist om de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, de verzoeker die wijziging van die beslissing wenst (afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag), aan zijn verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag zal moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
Naar het oordeel van het hof is gesteld noch gebleken dat dergelijke nieuwe feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Desgevraagd heeft de advocaat van de vader beaamd dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Evenmin is gesteld of gebleken dat de beslissing berust op een kennelijke misslag. Er is dan ook geen grond om de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het verzoek van de vader zal worden afgewezen en de bestreden beschikking zal op dit punt worden bekrachtigd.
In incidenteel hoger beroep
Het incidenteel hoger beroep moet nog inhoudelijk worden behandeld. De behandeling van het incidenteel hoger beroep zal plaatsvinden op 11 maart 2026 om 15.30 uur in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam . Partijen zijn daarvoor al opgeroepen. Aan de bijzondere curator is de hierna genoemde verweertermijn verleend.
6. De beslissing
Het hof:
in het principaal hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan heeft afgewezen;
wijst het verzoek van de vader af;
in het incidenteel hoger beroep:
bepaalt dat de behandeling van het incidenteel hoger beroep zal plaatsvinden op 11 maart 2026 om 15.30 uur;
bepaalt dat de bijzondere curator tot en met 10 maart 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ter griffie van het hof kan indienen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. R.M. Troost en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.