ECLI:NL:GHAMS:2026:200

ECLI:NL:GHAMS:2026:200

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 08-01-2026
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer 23-000753-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2016:9782

Samenvatting

Profijtontneming na terugwijzing door de Hoge Raad. Mercedes II. Overwegingen over de rol van de betrokkene in de organisatie, de verdeling van het geld, het vervolgprofijt, de draagkracht en de redelijke termijn.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000753-23 (ontneming)

Datum uitspraak: 8 januari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van

7 maart 2023 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2016 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-710021-11 tegen de betrokkene

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 43.908.994,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij conclusie van 27 november 2014 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd en verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op € 879.833,00 en de betalingsverplichting vast te stellen op € 584.366,00. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie de vordering opnieuw gewijzigd en verzocht de rente over inbeslaggenomen geldbedragen mee te nemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 26 januari 2016 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 510.437,54, te vermeerderen met de daadwerkelijk opgebouwde rente over inbeslaggenomen geldbedragen, en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 459.393,79, te vermeerderen met de daadwerkelijk opgebouwde rente over de inbeslaggenomen geldbedragen. Het openbaar ministerie en de betrokkene hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 279.585,80 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 245.000,00. De betrokkene heeft cassatie ingesteld tegen dit arrest.

Bij arrest van 7 maart 2023 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd en de zaak terug gewezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Strafzaak

De betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 juli 2018 veroordeeld voor onder meer deelnemen aan een criminele organisatie en het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd. Tegen dit arrest heeft de betrokkene cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 21 januari 2020 het cassatieberoep verworpen; op die datum is het arrest onherroepelijk geworden.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing door de Hoge Raad, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 september 2024, 25 februari 2025 en 27 november 2025.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Standpunten

De vordering

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, aan de hand van haar schriftelijk requisitoir van 5 september 2024 en een berekening van het vervolgprofijt (rente over inbeslaggenomen geldbedragen) zoals overgelegd ter terechtzitting van 27 november 2025, gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 279.585,80 (€ 280.000,00 minus € 414,20 aan gemaakte kosten) en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 279.222,31 (het wederrechtelijk verkregen voordeel, vermeerderd met het vervolgprofijt ten bedrage van in totaal € 4.636,51, minus € 5.000,00 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van zijn pleitnota primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen bij gebreke van wettige bewijsmiddelen.

De betrokkene heeft ontkend enig voordeel te hebben genoten en zegt dat hij niet bij [naam 2] in Duitsland is geweest om geld op te halen. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, op grond van de ter terechtzitting van 10 september 2024 afgelegde getuigenverklaring van

[medeverdachte 1] , vastgesteld dient te worden op € 5.000,00, dan wel € 10.000,00. De raadsman heeft in het kader van de betalingsverplichting een draagkrachtverweer gevoerd en gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn.

Grondslag

De feiten waarvoor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gevorderd, zijn van vóór 1 juli 2011. Dit betekent dat artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. Op grond van artikel 36e (oud), eerste en tweede lid, Sr kan op vordering van het openbaar ministerie aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verplichting kan worden opgelegd aan de betrokkene die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit.

De betrokkene is zoals gezegd in de strafzaak bij arrest van 18 juli 2018, inmiddels onherroepelijk, veroordeeld voor onder meer het deelnemen aan een criminele organisatie (feit 1) en het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd (feit 3). Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat deze strafbare feiten er toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De schatting van het wederrechtelijk voordeel wordt ontleend aan de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling met bewijsmiddelen bij het verkort arrest van het hof in de strafzaak en het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport).

In het in de strafzaak gewezen arrest is onder meer bewezen verklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen in vereniging van door oplichting van de ABN Amro-bank verkregen geldbedragen van in totaal € 5.279.000,00 (feit 3). De meervoudige oplichting van de bank werd verricht door ‘het brein’ van de organisatie, de voormalige medeverdachte/medebetrokkene [medeverdachte 1] . Dit geldbedrag is overgemaakt naar bankrekeningen van twee Hongaarse vennootschappen van

[naam 1] : ‘ [vennootschap 1] ’ en ‘ [vennootschap 2] ’. Via [vennootschap 2] is uiteindelijk een geldbedrag van € 1.950.000,00 overgemaakt naar een bankrekening op naam van de in Duitsland woonachtige [naam 2] . [naam 2] heeft een deel van dit geldbedrag, te weten € 1.560.000,00, na ontvangen instructies contant opgenomen en afgedragen aan twee mannen. Volgens [naam 2] zijn deze mannen vijf keer bij hem in Duitsland geweest; drie keer voordat het geld was gestort en twee keer om het geld op te halen.

Rol van de betrokkene

Uit de bewijsmiddelen zoals gebezigd in de strafzaak kan worden afgeleid dat de betrokkene samen met mededader [medeverdachte 2] in maart/april 2010 diverse keren ene [naam 3] heeft bezocht, teneinde documenten en bankpassen van de genoemde twee Hongaarse vennootschappen te verkrijgen. Directeur en enig aandeelhouder [naam 1] zat op dat moment in detentie. De betrokkene voerde meestal het woord. De betrokkene en [medeverdachte 2] wilden over de Hongaarse tegoeden kunnen beschikken door te pinnen en te internetbankieren. [naam 3] is hen daarbij behulpzaam geweest door documenten aan de betrokkene te geven. De inhoud van de bankdocumenten werd direct door [medeverdachte 2] en de betrokkene beoordeeld.

Nadat bij [naam 3] – mede door de inzet van de betrokkene – de benodigde gegevens waren verkregen, is op 19 april 2010 van de bankrekening van [vennootschap 2] een bedrag van € 1.950.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van genoemde [naam 2] . [naam 2] is ermee akkoord gegaan dat hij tegen een vergoeding een groot bedrag op zijn bankrekening zou laten storten, welk bedrag hij vervolgens contant moest opnemen en afdragen. De betrokkene is in dit verband, samen met een ander, vijf keer bij hem langs geweest. De betrokkene voerde het woord. [naam 2] heeft ook telefonisch contact met de betrokkene gehad. [naam 2] heeft € 390.000,00 voor zichzelf gehouden en € 1.560.000,00 aan de betrokkene en zijn metgezel afgedragen.

Het standpunt van de verdediging, dat niet uit wettige bewijsmiddelen blijkt dat de betrokkene in Duitsland bij [naam 2] is geweest, vindt zijn weerlegging in de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen die het gerechtshof Amsterdam aan de onherroepelijke veroordeling van de betrokkene in de strafzaak ten grondslag heeft gelegd. Het primaire verweer van de raadsman wordt verworpen.

Verdeling van het geld

Vervolgens is de vraag aan de orde hoe voornoemd door [naam 2] afgedragen bedrag van € 1.560.000,00 aan crimineel verworven vermogen tussen de betrokkenen is verdeeld. De betrokkene heeft niets verklaard over de verdeling van dit bedrag. Nu aannemelijk is dat hij een deel van het geld mocht houden als betaling voor zijn bijdrage in de criminele organisatie en ook niet anders is gebleken, zal het hof het voordeel van de betrokkene schatten.

Gelet op de rolverdeling in de organisatie zoals vastgesteld in de strafzaak, acht het hof aannemelijk dat het geldbedrag van € 1.560.000,00 grotendeels is afgedragen aan [medeverdachte 1] . Hij was immers degene die de ABN Amro-bank voor € 5.279.000,00 heeft opgelicht en het geld heeft overgemaakt naar de bankrekeningen van de twee Hongaarse vennootschappen. Bij het vervolgens doorboeken en contant opnemen van de aldus verkregen bedragen zijn medebetrokkenen en katvangers ingeschakeld. Het hof acht aannemelijk dat [medeverdachte 1] € 1.000.000,00 van het witgewassen bedrag van € 1.560.000,00 heeft gekregen.

Het hof acht voorts, conform het standpunt van de advocaat-generaal, aannemelijk dat de beide personen die het geld bij [naam 2] hebben opgehaald, ieder de helft van het resterende bedrag van € 560.000,00, te weten € 280.000,00, hebben ontvangen. Het hof baseert deze schatting ten aanzien van de betrokkene op de rol die hij binnen de criminele organisatie en bij het witwassen heeft gehad, zoals die naar voren komt uit de wettige bewijsmiddelen. Zijn rol is zonder meer wezenlijk en zichtbaar bij zowel het optreden bij [naam 3] (het verkrijgen van gegevens om over de Hongaarse banktegoeden te kunnen beschikken) als bij het in Duitsland in ontvangst nemen van het naar [naam 2] overgemaakte geld. Deze twee fases staan bovendien niet los van elkaar maar liggen in elkaars verlengde. Het contant maken van het geld in Duitsland had niet gekund zonder de bijdrage van de betrokkene bij [naam 3] . De betrokkene wordt dan ook niet beschouwd als een katvanger of een geldkoerier.

Over de rol van de onbekend gebleven persoon die met de betrokkene is meegegaan naar [naam 2] om het geld op te halen, is onvoldoende duidelijk geworden om daar conclusies aan te kunnen verbinden. In het voordeel van de betrokkene gaat het hof er ten behoeve van de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel van uit dat deze persoon een even belangrijke rol als de betrokkene heeft gespeeld en ook een wederrechtelijk voordeel van € 280.000,00 heeft genoten. Het hof betrekt verder bij de beoordeling dat [naam 2] € 390.000,00 heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van zijn bankrekening en het opnemen en afgeven van het geld. De rol van de betrokkene bij het witwasproces is beduidend significanter geweest, wat het onwaarschijnlijk maakt dat hij voor zijn diensten een bedrag lager dan het door het hof vastgestelde bedrag van € 280.000,00 heeft ontvangen.

Het hof acht de ter terechtzitting in hoger beroep door de getuige [medeverdachte 1] afgelegde verklaring, inhoudende dat hij “de twee jongens € 10.000,00 cash heeft gegeven”, niet geloofwaardig. Niet alleen is dit bedrag in het licht van het voorgaande onwaarschijnlijk laag, maar bovendien doet aan de betrouwbaarheid van die verklaring afbreuk dat de getuige tevens heeft verklaard dat hij op zijn verzoek het door [naam 2] contant opgenomen geldbedrag heeft gekregen van “twee Hollandse jongens uit Brabant” en niet van de betrokkene, hetgeen onverenigbaar is met genoemde bewijsmiddelen. Ook het subsidiaire verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Ook het door de raadsman aangehaalde (lagere) ontnemingsbedrag van € 13.000,00 in de ontnemingszaak van [naam 4] , welk bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel door het hof bij arrest van 3 maart 2021 is vastgesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Dat ontnemingsbedrag is gebaseerd op andere overboekingen dan de onderhavige en is in het kader van de beoordeling in deze zaak niet relevant. Het hof heeft in de strafzaak van de betrokkene ook niet vastgesteld dat [naam 4] de metgezel van de betrokkene was bij het ophalen van het geld bij [naam 2] . Er is dus geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.

Het hof acht het met de advocaat-generaal en de raadsman niet aannemelijk dat de betrokkene ook voordeel heeft genoten van andere door de criminele organisatie contant opgenomen en overgeboekte bedragen. In het voordeel van de betrokkene acht het hof aannemelijk dat deze bedragen enkel aan andere in het dossier voorkomende betrokkenen zijn toegekomen.

Aftrek kosten

Op het voordeel van de betrokkene zal het hof de volgende kosten in mindering brengen:

-reiskosten van € 380,00 voor het reizen naar [naam 2] in Duitsland door de betrokkene; en

-reiskosten van € 106,20 die de betrokkene in Nederland heeft gemaakt om het contact met [naam 2] tot stand te brengen, totaal aan kosten € 414,20.

Vervolgprofijt

Onder de betrokkene is een contant geldbedrag van € 9.296,80 op de voet van artikel 94a Sv conservatoir in beslag genomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vermeerderd met de over dit bedrag opgebouwde rente van in totaal € 4.636,51.

Het hof ziet geen aanleiding om dit rentebedrag als vervolgprofijt op te tellen bij het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu het onder de betrokkene in beslag genomen geldbedrag - naar het hof begrijpt - geen deel uitmaakt van het in deze zaak door het hof geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Conclusie

Het hof schat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op (€ 280.000,00 minus

€ 414,20 =) € 279.585,80.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Draagkracht

Het hof stelt in het kader van het draagkrachtverweer van de raadsman voorop dat in het ontnemingsgeding de draagkracht van de betrokkene alleen dan met vrucht aan de orde kan worden gesteld, indien ter terechtzitting voldoende concreet onderbouwd wordt aangevoerd dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft, dan wel zal krijgen. In dit verband dient gemotiveerd en zo mogelijk aan de hand van bescheiden volledige openheid van (financiële) zaken te worden gegeven.

Het hof is van oordeel dat het draagkrachtverweer van de raadsman niet zodanig is onderbouwd dat kan worden vastgesteld dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft of zal krijgen. Het hof betrekt bij dat oordeel de leeftijd van de betrokkene en de omstandigheid dat hij een vast inkomen heeft uit arbeid. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de persoon van de betrokkene en de inhoud van het reclasseringsadvies van 24 november 2025, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat de betrokkene nu een ander leven leidt dan voorheen en dat een betalingsverplichting mogelijk afbreuk zal doen aan zijn ‘moeizaam opgebouwde stabiele leven’, is geen reden hem geen of een beperkte betalingsverplichting op te leggen.

Het hof acht in het licht van het voorgaande aanhouding van de behandeling van de zaak voor nader onderzoek naar de mentale en/of financiële draagkracht van de betrokkene, zoals door de raadsman is verzocht, niet noodzakelijk.

De (toekomstige) draagkracht van de betrokkene kan in de executiefase aan de orde worden gesteld.

Redelijke termijn

De betrokkene heeft kennis genomen van de vordering tot ontneming op 23 mei 2011, het ontnemingsvonnis is uitgesproken op 26 januari 2016, het hof heeft op 3 maart 2021 arrest gewezen, de Hoge Raad heeft na het instellen van cassatie door de betrokkene op 7 maart 2023 het arrest van het hof vernietigd en heeft de zaak teruggewezen naar het hof en thans wijst het hof op 8 januari 2026 arrest. Als uitgangspunt geldt, ook na cassatie en terugwijzing, dat de behandeling van een zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie. Daarom is in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg overschreden met twee jaren en acht maanden en in hoger beroep met ruim drie jaren en - na het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2023 - met tien maanden.

Hoewel in de strafzaak (arrest van 18 juli 2018) rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, ziet het hof in dit geval, bij deze uitzonderlijk forse overschrijding, aanleiding de verplichting tot betaling aan de Staat niet met € 5.000,00 te matigen, maar met € 10.000,00.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (€ 279.585,80 minus

€ 10.000,00 =) € 269.585,80.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 279.585,80 (tweehonderdnegenenzeventigduizend vijfhonderdvijfentachtig euro en tachtig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 269.585,80 (tweehonderdnegenenzestigduizend vijfhonderdvijfentachtig euro en tachtig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

8 januari 2026.

Mr. Roseval is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Scheffens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?