ECLI:NL:GHAMS:2026:2011

ECLI:NL:GHAMS:2026:2011

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 23-07-2026
Zaaknummer 24/3416 en 24/3417
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2024:8620
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2024:8619

Samenvatting

Douane. Douaneschuld ontstaan omdat goederen in het vrije verkeer zijn gebracht zonder dat de daarvoor vereiste aangifte is gedaan. Verlengde verjaringstermijn vanwege strafrechtelijk vervolgbaar handelen. Douaneschuld komt niet (op grond van het evenredigheidsbeginsel) voor rekening van het Rijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/3416 en 24/3417

17 maart 2026

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma)

tegen de uitspraak van 2 juli 2024 in de zaak met kenmerken HAA 24/259 en HAA 24/260 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Douane, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 30 november 2021 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 1) uitgereikt van € 238.646,39, zijnde een bedrag van € 43.220,10 aan douanerechten, € 172.880,40 aan definitieve antidumpingrechten en € 22.545,89 aan rente op achterstallen.

De inspecteur heeft met dagtekening 2 februari 2022 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 2) uitgereikt van € 4.291.643,84, zijnde een bedrag van € 812.272,06 aan douanerechten, € 3.249.088,22 aan definitieve antidumpingrechten en € 230.283,56 aan rente op achterstallen.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2023 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, utb 1 verminderd met een bedrag van € 23.667 (€ 4.287,59 aan invoerrechten, € 17.150,34 aan antidumpingrechten en € 2.229,07 aan rente op achterstallen) en utb 2 verminderd met een bedrag van € 288.796,43 (€ 53.798,38 aan invoerrechten, € 215.193,53 aan antidumpingrechten en € 19.804,52 aan rente op achterstallen).

De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden tot een bedrag van € 365.”

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De inspecteur heeft 15 januari 2026 een nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft op 16 januari 2026 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiseres houdt zich bezig met de fabricage van en de groothandel in verpakkingsmaterialen. Zij is gespecialiseerd in het wikkelen van aluminiumfolie, plastic folie, bakpapier alsmede de productie van koffiefilters.

Binnen het productieproces van eiseres worden onder meer grote rollen aluminium van circa 300 kg per stuk (hierna: grote rollen) getransformeerd tot kleine rollen aluminium voor huishoudelijk gebruik met een gewicht van minder dan 10 kg per stuk (hierna: kleine rollen). De goederencode in de Gecombineerde Nomenclatuur verandert daardoor van 7607 1119 naar 7607 1111. Eiseres koopt grote rollen in met een oorsprong uit verschillende landen buiten het douanegebied van de Unie en slaat deze grote rollen gezamenlijk op. Eiseres gebruikt deze grote rollen voor het produceren van kleine rollen zonder daarbij onderscheid te maken tussen de grote rollen van oorsprong uit China en andere landen (hierna: siloprincipe). Van de kleine rollen wordt 90% binnen de Europese Unie (hierna: EU) afgezet en 10% buiten de EU.

2. Eiseres heeft op 24 augustus 2016 een vergunning onder het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) aangevraagd voor het gebruik van de bijzondere regeling Actieve veredeling (hierna: AV). Daarbij heeft eiseres aan verweerder een e-mail gestuurd met een tekstvoorstel om als toelichting in de vergunning op te nemen:

“ [X] importeert aluminiumfolie in verschillende breedtes en diktes en in slechts 1 handelskwaliteit: aluminium huishoudfolie. [X] produceert huishoudrollen(CN 7607 1111) vanuit de import van zogenaamde moederrollen(CN7607 1119) en de enige verandering die daarbij plaats vindt is de aanpassing van de lengte. Het volume dat vanuit China onder [bedrijf 1] wordt geïmporteerd wordt ook weer geëxporteerd naar Noorwegen, Zwitserland en Canada waarbij het materiaal niet noodzakelijkerwijs fysiek hetzelfde materiaal is als wat wordt geïmporteerd. Middels een gedetailleerde voorraadadministratie kan [X] aantonen en verantwoorden dat het onder [bedrijf 1] geïmporteerde volume ook weer volledig wordt geëxporteerd buiten de EU.”

3. Vervolgens heeft verweerder op 8 mei 2017 een vergunning AV verleend met een geldigheidsperiode van 1 januari 2016 tot en met 1 januari 2021. In deze vergunning is onder meer het volgende opgenomen:

18. Equivalente goederen

GN-code 7607 1119

Omschrijving Bladaluminium (met een dikte van 0,008 mm of meer doch niet meer dan 0,018 mm op rollen met een dikte van niet meer dan 650 mm)

19. Voorafgaande uitvoer 3 maanden

(…)

21. Aanvullende inlichtingenMiddels een gedetailleerde voorraadadministratie kan [X] aantonen en verantwoorden dat het onder vergunning AV geïmporteerde volume ook weer volledig wordt geëxporteerd buiten de EU

(…)

Individuele voorwaarden

Deze vergunning geldt niet voor het gebruik van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling (Actieve veredeling) geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies als zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.( artikel 169, lid 2 Gvo.DWU )”.

4. Deze vergunning is op 27 maart 2020 gemigreerd naar [bedrijf 2] . De startdatum van de vergunning is en blijft 1 januari 2016 en de einddatum is 1 maart 2021 geworden. In de vergunning is onder andere het volgende opgenomen:

Goederen die onder de bijzondere regeling Veredeling worden geplaatst

Indicatie equivalente goederen Ja

(…)

Niet-Unie-goederen zijn onderworpen Ja

aan antidumpingrechten, compenserende

rechten, vrijwaringsrechten of andere

aanvullende rechten als gevolg van een

schorsing van concessies

(…)

Voorafgaande uitvoer (AV EX/IM)

Indicatie voorafgaande uitvoer Ja

(…)

Individuele voorwaarden

Deze vergunning geldt niet voor het gebruik van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling (Actieve veredeling) geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies als zij werden aangegeven voor het vrije verkeer. (artikel 169, lid 2 Gvo.DWU).”

5. Eiseres heeft met de vergunning AV alleen de grote rollen van oorsprong uit China onder de bijzondere regeling AV geplaatst. De andere grote rollen werden na het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie in het vrije verkeer gebracht. In de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 heeft eiseres 295 douaneaangiften tot plaatsing van goederen van Chinese oorsprong onder de bijzondere regeling AV gedaan zonder voorafgaande douaneregeling, met code 51 00. Daarbij is de aanvullende code A999 aangegeven om te duiden dat het goederen betreft waarop antidumpingheffing rust. Het gaat om een totaal nettogewicht van afgerond 5.397.295 kilogram, waarvan tenminste 5.386.203 kilogram nettogewicht veredelingsproducten zijn geproduceerd. Eiseres heeft voor deze goederen die onder de bijzondere regeling AV zijn gebracht geen douaneaangiften gedaan tot plaatsing van de goederen onder een volgende douaneregeling of een aangifte tot wederuitvoer. Van deze hoeveelheid is 5.037.991 kilogram nettogewicht afgezet binnen het douanegebied van de Unie. De overige hoeveelheid is buiten het douanegebied van de Unie gebracht (Noorwegen en Zwitserland).

6. Eiseres heeft over die periode (januari 2016 tot en met december 2020) ook douaneaangiften, zonder voorafgaande douaneregeling, gedaan tot plaatsing van de uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten onder de douaneregeling uitvoer voordat de goederen die zij vervangen onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst, met code 11 00.

7. Bij brief van 6 juli 2021 heeft verweerder aan eiseres een onderzoek aangekondigd inzake de naleving van de voorwaarden en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van de vergunning AV over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020. Het controlerapport dateert van 2 februari 2022. Verweerder heeft vastgesteld dat voor alle niet-Uniegoederen die zijn geplaatst onder de bijzondere regeling AV geen douaneaangifte is gedaan voor een opvolgende douaneregeling, noch is vastgesteld dat deze goederen feitelijk het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Ook is vastgesteld dat er een definitief antidumpingrecht van toepassing is op de goederen die eiseres heeft geplaatst onder de bijzondere regeling AV, waardoor het gebruik van equivalente goederen niet is toegestaan.

8. Vervolgens zijn de onder het procesverloop genoemde utb’s uitgereikt, voor zover de douaneschuld nog niet was verjaard, omdat de goederen die onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst niet zijn aangezuiverd in de zin van artikel 215, eerste lid, van het DWU. Utb 1 heeft betrekking op aangiften gedaan in de periode april en mei 2016; utb 2 heeft betrekking op aangiften gedaan in de periode juni 2016 tot en met december 2020.

9. Bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2023 zijn de bedragen van de utb’s verminderd door toepassing van artikel 124, eerst lid, aanhef en onder k, DWU, omdat verweerder, op basis van administratie die eiseres heeft overgelegd, bij een aantal douaneaangiften heeft vastgesteld dat de desbetreffende onder de bijzondere regeling AV gebrachte goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Voor het resterende deel zijn de utb’s in stand gebleven.”

Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de utb’s terecht zijn uitgereikt. Verder houdt het hoger beroep klachten in over enkele formeelrechtelijke punten.

4. Het oordeel van de rechtbank

5. Beoordeling van het geschil

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:

Niet overleggen van gedingstukken in de voornemenfase en de bezwaarfase

13. Eiseres stelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 22, zesde lid, van het DWU gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Uitvoeringsverordening van het DWU en artikel 7:4 van de Awb door in de voornemen- en de bezwaarfase niet alle stukken over te leggen. Verweerder heeft pas in beroep een intern logboek over de controle, een verslag van een interne bespreking over de mogelijkheid tot het opleggen van utb’s en een interne e-mail over de verlenging van de navorderingstermijn overgelegd. Verder verwijst eiseres naar twee inventarislijsten, waarvan één in bezwaar is overgelegd. Doordat verweerder de stukken te laat heeft overgelegd, meent eiseres in haar verdediging te zijn geschaad.

14. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2015, nr. 12/02876, ECLI:NL:HR:2015:3467, r.o. 2.2, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“Het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, indien van toepassing, brengt voor een bestuursorgaan de verplichting mee de geadresseerde van een besluit in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen. Deze regel heeft tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Met name beoogt deze regel, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon of onderneming, deze laatsten in staat te stellen een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten (zie HvJ 3 juli 2014, Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., gevoegde zaken C‑129/13 en C-13-/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231, punten 30 en 38)”.

15. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat eiseres haar opmerkingen niet kenbaar heeft kunnen maken over het voornemen van verweerder om aan haar utb’s op te leggen wegens het niet aanzuiveren van de bijzondere regeling AV. Dat verweerder pas in beroep de voornoemde stukken, die zien op interne overleggen, heeft overgelegd kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot vernietiging van de utb’s. Een schending van het verdedigingsbeginsel leidt pas tot vernietiging van het besluit als het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Voor dit oordeel is voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de utb is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de utb van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden (zie onder meer Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666, BNB 2015/186).

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. De utb’s zijn opgelegd wegens het niet aanzuiveren van de bijzondere regeling AV. Met het voornemen en de utb’s is deze reden aan eiseres kenbaar gemaakt. De daaraan ten grondslag liggende feiten, voor zover relevant, staan niet ter discussie. Eiseres heeft tijdens de zitting namelijk bevestigd dat de douaneaangiften met de onder 5. en 6. genoemde codes zijn gedaan. De aanleiding tot het opleggen van de utb’s zit in die aangegeven douaneregelingen, omdat daaruit niet blijkt dat de bijzondere regeling AV is aangezuiverd. Dientengevolge was eiseres in staat tot het inhoudelijk reageren en heeft verweerder met alle relevante elementen naar behoren rekening kunnen houden. Eiseres heeft ook niet gesteld dat zij, indien zij de interne stukken in de voornemen- en bezwaarfase reeds had ontvangen, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de utb’s van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden.

16. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat aan eiseres in de bezwaarfase inzage is gegeven in het dossier op grond van artikel 7:4 van de Awb en dat verweerder een inventarislijst heeft overgelegd waarop is aangegeven welke stukken verweerder aan eiseres kon verstrekken en welke stukken verweerder geheim wilde houden op grond van gewichtige redenen. Dit is door eiseres niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom in de bezwaarfase niet artikel 7:4, tweede lid, van de Awb geschonden.

17. De rechtbank concludeert dat het beroep op het verdedigings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet kan slagen.

Te laat overleggen van gedingstukken in de beroepsfase

18. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.

19. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter -en de wederpartij -beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden (zie de arresten van de HR van 10 april 2015, nr. 14/01189, ECLI:NL:HR:2015:874, 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672 en 23 oktober 2020, nr.19/04499, ECLI:NL:HR:2020:1670).

20. Eiseres voert aan dat niet alle stukken die op de zaak betrekking hebben in beroep zijn overgelegd, althans dat deze te laat zijn overgelegd. Dat moet volgens eiseres op grond van artikel 8:31 van de Awb leiden tot vernietiging van de utb’s. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat weliswaar een overzicht van de douaneaangiften die ten grondslag liggen aan de utb’s is overgelegd, maar dat een uitdraai van deze douaneaangiften ontbreekt. Verder heeft eiseres ook geen overzicht of uitdraai van de douaneaangiften tot plaatsing van de equivalente goederen onder de douaneregeling uitvoer overgelegd. Ten slotte is er slechts één aanzuiveringsafrekening, namelijk van januari 2016, overgelegd. Alle andere aanzuiveringsafrekeningen ontbreken. Aangezien de utb’s op deze douaneaangiften zijn gebaseerd, betreffen het naar het oordeel van de rechtbank op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Verweerder diende deze stukken dan ook over te leggen. De rechtbank zal daar echter, anders dan eiseres verzoekt, geen gevolgtrekking aan verbinden in de zin van artikel 8:31 van de Awb. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat hij deze douaneaangiften niet heeft overgelegd omdat er geen geschil was over onder meer de bedragen die tot de utb’s hebben geleid. Dit heeft eiseres ter zitting bevestigd. Daar komt bij dat eiseres de douaneaangiften heeft ingediend en dus ook digitaal toegang heeft daartoe althans beschikt over een uitdraai ervan. Partijen, anders dan de rechtbank, beschikken dus over dezelfde informatie. Eiseres heeft ook niet gesteld of aangetoond dat op deze douaneaangiften in vak 37, waarin de gevraagde douaneregeling en de voorafgaande douaneregeling worden aangegeven, andere codes zouden zijn aangegeven, dan waar verweerder vanuit is gegaan. De aanleiding tot het opleggen van de utb’s zit, zoals onder 15. is overwogen, in de aangegeven douaneregelingen. Eisers heeft niet betwist dat zij de onder 5. en 6. genoemde codes heeft aangegeven in de douaneaangiften. Dat betekent dus dat de relevante feiten die ten grondslag liggen aan het geschil niet ter discussie staan. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij op grond van de stukken die zijn overgelegd en het verhandelde ter zitting een oordeel kan geven. Daarom bestaat geen reden tot toepassing van artikel 8:31 van de Awb. Voor zover eiseres stelt dat een stuk dat ziet op het intern moreel beraad te laat is overgelegd, kan ook dat niet leiden tot toepassing van artikel 8:31 van de Awb. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat wanneer dit stuk eerder was overgelegd, het niet zou zijn uitgesloten dat dit tot een andere afloop zou hebben geleid (zie Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666, BNB 2015/186). Op de zitting, na kennisname van het stuk, heeft eiseres namelijk niet gesteld of en hoe uit dat document volgt dat de utb’s niet in stand kunnen blijven. De beroepsgrond slaagt niet.

Ontstaan douaneschuld

21. Tussen partijen is in geschil of een douaneschuld is ontstaan. Eiseres stelt dat geen douaneschuld is ontstaan omdat zij – kort gezegd – handelde overeenkomstig de verplichtingen bij het plaatsen van goederen onder de bijzondere regeling AV althans overeenkomstig de afspraken met verweerder. Eiseres leidt uit de vergunning en het (gedeeltelijk) opnemen van het tekstvoorstel in de e-mail af dat eiseres met verweerder heeft afgesproken dat zij, onder de voorwaarde dat hetzelfde volume als de grote rollen van oorsprong uit China wordt (weder)uitgevoerd, ook goederen van oorsprong uit andere landen dan China mocht gebruiken voor veredeling, ook al rustte antidumpingheffing op goederen van oorsprong uit China. Deze handelswijze kan volgens eiseres niet worden aangemerkt als equivalentieverkeer maar betreft gezamenlijke opslag.

22. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in de periode waarop het onderzoek ziet douaneaangiften heeft gedaan waarbij in vak 37 code 51 00 is ingevuld. Dat betekent dat geen sprake was van een voorafgaande douaneregeling en dat de goederen zijn geplaatst onder de bijzondere regeling AV (hierna: reguliere douaneaangiften AV). Daarnaast zijn douaneaangiften gedaan waarbij in vak 37 code 11 00 is ingevuld. Dat houdt in dat sprake is van uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten in het kader van de regeling actieve veredeling, voordat de goederen die zij vervangen onder de regeling worden geplaatst overeenkomstig artikel 223, tweede lid, aanhef en onder c, van het DWU (hierna: douaneaangiften AV EX/IM). Ook bij deze douaneaangiften is geen sprake van een voorafgaande douaneregeling.

23. Verweerder geeft aan het spoor niet te kunnen volgen. De reguliere douaneaangiften AV en de douaneaangiften AV EX/IM sluiten namelijk niet op elkaar aan. Indien goederen onder de bijzondere regeling AV worden geplaatst, zonder gebruik te maken van equivalentieverkeer (code 51 00), dan moet op grond van artikel 215, eerste lid, van het DWU deze regeling worden aangezuiverd. De regeling wordt gezuiverd indien de goederen of de veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling worden geplaatst, het douanegebied van de Unie verlaten, vernietigd zijn zonder afvalresten of aan de Staat worden afgestaan. Eiseres heeft geen douaneaangiften gedaan voor het plaatsen van de goederen of veredelingsproducten onder een opvolgende douaneregeling, zoals de douaneregeling in het vrije verkeer brengen (code 41 51) dan wel een aangifte tot wederuitvoer (code 31 51). Ook is niet gesteld of gebleken van vernietiging dan wel afstaan aan de Staat. In de situatie van AV waarbij gebruik wordt gemaakt van equivalente goederen met voorafgaande uitvoer (code 11 00), wordt de douaneregeling aangezuiverd met douaneaangiften tot plaatsing van goederen onder de bijzondere regeling AV. Daarbij dient als voorafgaande regeling de uitvoer van de equivalente goederen te worden vermeld (code 51 11). Ook dat spoor loopt echter dood omdat eiseres geen douaneaangiften met de code 51 11 heeft gedaan. Verweerder heeft vervolgens utb’s opgelegd wegens het niet aanzuiveren van de bijzondere regeling AV.

24. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht utb’s heeft opgelegd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft in zijn arrest van 6 september 2012, zaak C-262/10 (Döhler Neuenkirchen GmbH, onder punt 40 t/m 42) over de bijzondere regeling AV (destijds onder het Communautair Douanewetboek) overwogen dat het gaat om een uitzonderlijke maatregel die ertoe strekt de afwikkeling van bepaalde economische activiteiten vlotter te laten verlopen. Daarbij bestaat het risico dat deze goederen in het economische circuit van de lidstaten terechtkomen zonder te zijn ingeklaard. De verplichtingen bij het toepassen van de bijzondere regeling AV moeten dan ook strikt worden nagekomen en de gevolgen bij niet-naleving van die verplichtingen moeten strikt worden uitgelegd. De aanzuivering van de regeling in de zin van artikel 215, eerste lid, van het DWU is dan ook van bijzonder belang voor douanetoezicht in het kader van de bijzondere regeling AV. Uit het voornoemde onder 23 blijkt dat daarvan geen sprake is. Daarmee is een verplichting voor de veredeling van goederen niet nageleefd. Op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder a, van het DWU ontstaat in dat geval een douaneschuld bij invoer door niet-naleving van deze verplichting betreffende de veredeling van goederen binnen het douanegebied van de Unie. Het HvJ heeft in de uitspraak Döhler Neuenkirchen GmbH (onder punt 43) hierover overwogen dat het niet naleven van een dergelijke verplichting moet worden beschouwd als het gevolg van het niet voldoen aan de voorwaarden voor de verkrijging van het voordeel dat voortvloeit uit de bijzondere regeling AV. Eiseres kan dus geen aanspraak maken op het voorwaardelijk voordeel en de heffing van douanerechten en antidumpingheffing is daarom gerechtvaardigd.

25. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat tussen partijen ook niet in geschil is dat veredelingsproducten waarbij gebruik is gemaakt van grote rollen van oorsprong uit China op de Europese markt zijn afgezet. Eiseres heeft op zitting bevestigd dat zij de grote rollen van verschillende oorsprong gezamenlijk heeft opgeslagen en voor veredeling het siloprincipe heeft toegepast. Daardoor is volgens eiseres niet duidelijk hoeveel rollen van Chinese oorsprong zijn gebruikt voor veredeling onder de bijzondere regeling AV en die vervolgens ook weer het douanegebied hebben verlaten. Voor circa 350.000 kilogram heeft verweerder op basis van de administratie van eiseres echter kunnen vaststellen dat de veredelingsproducten het douanegebied van de Unie hebben verlaten, maar dat geldt niet voor de resterende 5.037.991 kilogram aan veredelingsproducten. Dat sluit ook aan op het feit dat 90% van de afzetmarkt van eiseres zich bevindt in de Europese Unie en dus het leeuwendeel van de veredelingsproducten op de Europese markt terecht is gekomen zonder dat daarover douanerechten en antidumpingheffing zijn betaald.

Siloprincipe en equivalentieverkeer

26. De stelling van eiseres dat geen sprake is van equivalentieverkeer, zij het silo-principe mocht toepassen en dus een willekeurige rol mocht nemen uit de voorraad om die te veredelen, kan, wat daar overigens van zij, aan het voorgaande niet afdoen. De utb’s zijn namelijk niet opgelegd wegens het in strijd met artikel 169, tweede lid, van de Gedelegeerde verordening van het DWU gebruiken van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling AV geplaatste goederen onderworpen zijn aan een definitief antidumpingrecht.

27. Om diezelfde reden komt de rechtbank ook niet toe aan de beroepsgronden die zien op het gebruik van equivalente goederen en op eventuele afspraken die daarover volgens eiseres zouden zijn gemaakt.

Verjaringstermijn

28. Verweerder heeft in utb 1 over de verjaringstermijn opgenomen dat voor de niet-Uniegoederen die tijdens de controleperiode onder de bijzondere regeling AV zijn gebracht, geen douaneaangifte is gedaan voor een opvolgende douaneregeling. Dit betekent dat de bijzondere regeling AV niet is aangezuiverd conform artikel 215, eerste lid, van het DWU, en binnen de gestelde termijnen vanuit de vergunningvoorwaarden. De handeling wordt in 10:3, eerste lid, van de Adw aangemerkt als strafrechtelijk vervolgbare handeling. Daarom is de verjaringstermijn toegepast van vijf jaar, zoals genoemd in artikel 103, tweede lid, van het DWU juncto artikel 7:7 van de Adw.

29. Eiseres stelt dat verweerder in utb 2 ten onrechte de verjaringstermijn van vijf jaar heeft toegepast omdat dit niet is gemotiveerd. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat in utb 2 wordt verwezen naar utb 1 zodat de passage in utb 1 over de verjaringstermijn van vijf jaar in utb 2 moet worden ingelezen. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt zodat geen sprake is van een motiveringsgebrek. Niet alleen is in utb 1 namelijk aangegeven dat een verjaringstermijn van vijf jaar wordt toegepast, maar ook in het voornemen tot het opleggen van utb’s én het controlerapport, die mede zien op de douaneaangiften die ten grondslag liggen aan utb 2, is deze verjaringstermijn vermeld.

30. Eiseres stelt dat een belangrijk deel van de douaneschuld is verjaard omdat verweerder ten onrechte de verjaringstermijn van vijf jaar toepast en hiermee op onjuiste wijze invulling geeft aan artikel 103 van het DWU en artikel 7:7 van de Adw.

Er is geen sprake van een strafrechtelijk vervolgbare handeling, zoals in utb 1 wordt gesteld. Verweerder stelt dat geen douaneaangiftes zijn gedaan voor een opvolgende douaneregeling. Er zijn echter wel degelijk douaneaangiften gedaan. De goederen zijn namelijk wederuitgevoerd of in het vrije verkeer gebracht. Dit is ook steeds tijdig en volledig met aanzuiveringsafrekeningen aan de inspecteur gecommuniceerd. De inspecteur heeft hierover nooit enige opmerking gemaakt. Eiseres kan geen enkel verwijt worden gemaakt.

Verweerder hanteert met artikel 10:3 van de Adw een onjuiste en in dit kader niet relevante grondslag. Uit de diverse voorbeelden uit het Handboek Douane blijkt overduidelijk dat de onderhavige situatie niet kwalificeert als een overtreding in de zin van artikel 10:3 van de Adw. Er is voorts geen sprake van het elementaire vereiste “schuld”, aldus eiseres.

31. De mededeling van een douaneschuld moet op grond van artikel 103, eerste lid, van het DWU plaatsvinden binnen een termijn van drie jaren nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt op grond van artikel 103, tweede lid, van het DWU verlengd tot minimaal vijf en maximaal tien jaar wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was. In artikel 7:7 van de Adw is die termijn bepaald op vijf jaar. Met artikel 10:3 van de Adw is strafbaar gesteld onder meer het voorhanden hebben, te koop aanbieden en/of verkopen van goederen waarvoor een in de douanewetgeving voorziene aangifte niet is gedaan.

32. Zoals in overweging 23 reeds is opgenomen sluiten de reguliere douaneaangiften AV en de douaneaangiften AV EX/IM niet op elkaar aan. Dientengevolge kan de eerdere stelling van eiseres, die daar haaks op staat, dat er wel sprake is van opvolgende (douane)aangifte, en sluitende aanzuiveringsafrekeningen, niet slagen. Eiseres heeft dat ook niet met stukken onderbouwd. Het voorhanden hebben, verkopen, en/of te koop aanbieden van goederen waarvoor een in de douanewetgeving voorziene douaneaangifte niet is gedaan, is op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Adw strafbaar. Na afloop van de aanzuiveringstermijn had eiseres dus in strijd met deze bepaling de goederen voorhanden. Verder heeft eiseres bevestigd dat 90% van de kleine rollen op de Europese markt terecht komt. Het is daarmee ook aannemelijk dat deze goederen te koop zijn aangeboden en/of verkocht. Verweerder heeft dus terecht de verjaringstermijn toegepast van vijf jaar zoals genoemd in artikel 103, lid 2 van het DWU juncto artikel 7:7 van de Adw.

33. Eiseres stelt dat geen sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling omdat eiseres handelde overeenkomstig de afspraken die met verweerder waren gemaakt. Er was daardoor geen sprake van een opzettelijke fout. Door toch een verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen wordt eiseres onevenredig zwaar getroffen.

34. De rechtbank is van oordeel dat deze standpunten niet kunnen slagen omdat de verwijzing naar de gemaakte afspraken zien op equivalentieverkeer, terwijl de utb’s zijn opgelegd wegens het niet aanzuiveren van de reguliere douaneaangiften AV, zoals hiervoor overwogen onder 8. Of sprake is van wel of niet opzettelijk handelen, is daarbij niet relevant. De wetswijziging waarnaar eiseres verwijst ziet op artikel 10:5 van de Adw en niet op artikel 10:3 van de Adw. De rechtbank verwijst ook in dat verband naar de uitspraak van het HvJ Döhler Neuenkirchen GmbH (onder punt 40 t/m 43) waarin is overwogen dat de bijzondere regeling AV een uitzonderlijke maatregel betreft die ertoe strekt de afwikkeling van bepaalde economische activiteiten vlotter te laten verlopen. Dat voorwaardelijk voordeel komt te vervallen bij niet-naleving van de bijbehorende verplichtingen omdat daardoor het risico bestaat dat de goederen op de Europese markt terecht komen zonder dat daarover douanerechten en antidumpingheffing zijn betaald. In dit geval is de verwezenlijking van dat risico ter zitting ook bevestigd door eiseres. Zij acht de grote rollen namelijk inwisselbaar met als gevolg dat zij ook grote rollen van oorsprong uit China heeft gebruikt voor de productie van kleine rollen die zij op de Europese markt heeft afgezet.

35. Eiseres voert aan dat als de simpele vaststelling dat een douaneaangifte niet is gedaan, al voldoende is om te spreken van een strafbaar feit, verweerder (in theorie) de mogelijkheid heeft om de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen bij iedere (onbewuste) onjuistheid ongeacht wat de achtergrond van de onjuistheid is. Feitelijk wordt hierdoor geen invulling gegeven aan het onderscheid dat in artikel 103 van het DWU wordt gemaakt tussen de reguliere en de verlengde navorderingstermijn. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

36. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van artikel 7:7 Adw tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Opzet is geen vereiste voor de strafbaarstelling in artikel 10:3 van de Adw, en dus ook niet voor het verlengen van de verjaringstermijn op grond van artikel 7:7 Adw.

Tenietgaan douaneschuld

37. Eiseres stelt dat de douaneschuld geheel teniet gaat op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU omdat eenzelfde hoeveelheid aan goederen als die welke onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst, het douanegebied van de Unie ook weer heeft verlaten. Eiseres kan niet toetsen of de berekening van verweerder juist is.

38. Artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k luidt:

“1. Onverminderd de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:

(…)

k) indien, behoudens lid 6, de douaneschuld is ontstaan overeenkomstig artikel 79 en ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten”.

39. Bij het ingestelde onderzoek door verweerder is per douaneaangifte vastgesteld wat de uiteindelijke bestemming van de goederen is. Uit de door eiseres overgelegde gegevens volgt dat er een totaal nettogewicht van afgerond 5.397.295 kilogram grote rollen onder de bijzondere regeling AV is geplaatst, waarvan tenminste 5.386.203 kilogram nettogewicht veredelde producten zijn geproduceerd. Van deze hoeveelheid is 5.037.991 kilogram nettogewicht afgezet binnen het douanegebied van de Unie. De overige hoeveelheid is buiten het douanegebied van de Unie gebracht (Noorwegen en Zwitserland). Verweerder heeft voor dit deel de douaneschuld teniet laten gaan op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU, zoals volgt uit de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, op wie de bewijslast rust, niet aangetoond dat alle goederen die onder de bijzondere regeling AV zijn geplaatst het douanegebied van de Unie hebben verlaten.

Vergissing van de autoriteiten en billijkheid

40. Eiseres voert aan dat ook als een douaneschuld is ontstaan, deze alsnog – direct – moet worden kwijtgescholden wegens artikel 119 van het DWU. Het is aan verweerder te wijten dat eiseres de wettelijke bepalingen onjuist heeft toegepast. Wanneer de douaneschuld ondanks artikel 119 van het DWU in stand blijft, dan kan de douaneschuld alsnog niet in stand blijven en moet deze worden kwijtgescholden wegens artikel 120 van het DWU. De douaneschuld is immers ontstaan in bijzondere omstandigheden waarbij geen bedrog heeft gespeeld noch kennelijk nalatigheid.

41. Gronden voor terugbetaling of kwijtschelding worden getoetst aan de hand van een verzoek dat daartoe wordt ingediend en vervolgens wordt behandeld volgens de procedure van artikel 121 van het DWU. Deze gronden kunnen niet worden getoetst in een beroepsprocedure als de onderhavige, die is gestart met een bezwaar tegen twee utb’s (zie rechtbank Noord-Holland 10 februari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:722, r.o. 24 tot en met 26). Voor een verzoek om terugbetaling en/of kwijtschelding staat voor eiseres de procedure van artikel 121 van het DWU open.

Rekening Rijk

42. Eiseres stelt dat de douaneschuld voor ‘rekening rijk’ dient te komen, gezien de handelwijze van verweerder in de afgelopen jaren.

43. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een begrip uit het spraakgebruik, en kan alleen maar duiden op situaties waarbij Nederland als Lidstaat van de Europese Unie door de Europese Commissie aansprakelijk wordt gesteld als de Douane als “bevoegde autoriteit” een vergissing heeft begaan in de zin van artikel 119 van het DWU, dan wel een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 120 van het DWU, en ten onrechte kwijtschelding heeft verleend dan wel tot terugbetaling is overgegaan. Dat is in de onderhavige zaak niet aan de orde, zoals hiervoor is overwogen.

Conclusie

44. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

45. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen zaken moeten worden behandeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 19 februari 2016, 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Awb, indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een bedrag van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken, zodat per fase van de procedure voor de zaken gezamenlijk slechts eenmaal een vergoeding van € 500 per half jaar wordt toegekend (vgl. HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540 en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

46. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangend, zodat per fase van de procedure voor de zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. De rechtbank gaat daarbij voor de aanvang van de termijn uit van het eerst ontvangen bezwaarschrift.

47. Het eerste bezwaarschrift (HAA 24/359) is door verweerder ontvangen op 7 januari 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 2 juli 2024. De redelijke termijn van twee jaar is daarom overschreden met afgerond 6 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500. Omdat tussen de uitspraak op bezwaar van 1 december 2023 en de uitspraak van de rechtbank nog geen anderhalf jaar is verstreken, is de overschrijding van de termijn volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. De rechtbank zal daarom verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500.

Proceskosten en griffierecht

kosten voor de behandeling van het bezwaar

48. Eiseres stelt dat in bezwaar ten onrechte de kosten op basis van het forfait zijn vergoed. Eiseres heeft recht op een integrale kostenvergoeding omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Verweerder stelt dat in de uitspraak op bezwaar terecht een vergoeding op basis van het forfait is toegekend.

49. De rechtbank overweegt dat de hoogte van de kostenvergoeding in beginsel wordt bepaald met toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is bepaald dat de bestuursrechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken van de op grond van in artikel 2, eerste lid, van het Bpb, op forfaitaire wijze, berekende bedragen. Als de Inspecteur het verwijt kan worden gemaakt dat hij de aanslag heeft vastgesteld of in rechte heeft gehandhaafd, terwijl op dat moment duidelijk is dat die aanslag in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, is dit een reden om een hogere vergoeding van proceskosten toe te kennen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook is aanleiding voor een hogere vergoeding als bij het opleggen van de aanslag in vergaande mate onzorgvuldig is gehandeld (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

50. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de door eiseres gevraagde afwijkende (hogere) veroordeling in de kosten, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb. Niet is gebleken dat de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. In tegendeel, naar aanleiding van door eiseres overgelegde administratie heeft verweerder in bezwaar vastgesteld dat een klein deel van de onder de bijzondere regeling AV gebrachte goederen het douanegebied van de Unie heeft verlaten en in overeenstemming daarmee de bedragen van de utb’s verlaagd. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale vergoeding van de kosten in bezwaar daarom af.

Proceskosten in beroep

51. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25) (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526). Verweerder moet de proceskosten betalen en het griffierecht van eiseres vergoeden.

52. Het verzoek om integrale proceskosten wijst de rechtbank af, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb.”

Beperkte kennisneming (artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht)

Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Voor een veertiental stukken heeft de inspecteur een beroep op beperkte kennisneming gedaan. Omdat belanghebbende niet instemde met beperkte kennisneming, is het verzoek behandeld door een geheimhoudingskamer. Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank geoordeeld dat beperking van kennisneming van de desbetreffende (delen) van stukken gerechtvaardigd is.

In hoger beroep heeft de inspecteur, voor dezelfde (delen van) stukken, een beroep op beperkte kennisneming gedaan. Belanghebbende heeft daarop kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met het oordeel van de geheimhoudingskamer van de rechtbank en dat zij zich ook in hoger beroep op het standpunt stelt dat alle stukken volledig aan haar ter beschikking dienen te worden gesteld. Wel heeft belanghebbende, anders dan in eerste aanleg, in hoger beroep op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, Awb toestemming gegeven om mede op de grondslag van de ongeschoonde stukken uitspraak te doen.

Het Hof heeft de ongeschoonde stukken bezien en verenigt zich met de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank van 16 april 2024 en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne.

Douaneschuld

Belanghebbende betoogt ook in hoger beroep dat geen douaneschuld is ontstaan, zodat de utb’s reeds om die reden ten onrechte aan haar zijn uitgereikt. De goederen zijn, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, administratief “te volgen”. De administratie is ingericht conform de met de douane gemaakte afspraken. De tekst van de verleende vergunning dient te worden uitgelegd in samenhang met het klantdossier en de bij de vergunningverlening gemaakte afspraken.

Daar komt bij dat voor het volgen van de goederen ook acht dient te worden geslagen op de ingediende aanzuiveringsafrekeningen, waarin ingevoerde, veredelde en uitgevoerde hoeveelheden steeds met elkaar in evenwicht waren, aldus nog steeds belanghebbende. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

Niet-Uniegoederen die de Europese Unie worden binnengebracht zijn aan douanetoezicht onderworpen vanaf het tijdstip van binnenkomst en dit douanetoezicht duurt voort totdat de goederen de status van Uniegoederen verkrijgen, het douanegebied van de Unie hebben verlaten of vernietigd zijn (artikel 134 DWU). Belanghebbende heeft de onderwerpelijke “moederrollen” aluminiumfolie van Chinese oorsprong direct na het binnenbrengen in haar naam en voor haar rekening onder de bijzondere regeling actieve veredeling doen plaatsen, door indiening van een plaatsingsaangifte met regelingcode 5100. Daarmee nam zij de verplichting op zich om deze regeling, binnen de in de vergunning gestelde termijn van zes maanden, aan te zuiveren. Aanzuivering houdt in dit kader in dat de onder de regeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten onder een opvolgende douaneregeling worden geplaatst, het douanegebied van de Unie verlaten, worden vernietigd, of aan de staat worden afgestaan (artikel 215, lid 1, DWU). Op grond van de aan haar verleende vergunning zouden de Chinese “moederrollen” door belanghebbende moeten worden verwerkt tot kleine(re) rollen aluminiumfolie, die vervolgens zouden moeten worden wederuitgevoerd, waarbij in de aangifte regelingcode 31 51 (wederuitvoer) zou moeten worden gebruikt.

De stukken van het geding en het verhandelde ter zitting laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende deze verplichting niet is nagekomen: zij heeft wel de in de vergunning genoemde veredelingsproducten vervaardigd, maar heeft deze veredelingsproducten (voor zover nog in geschil na de in de uitspraak op bezwaar verleende kwijtschelding/terugbetaling op de voet van artikel 124, lid 1, letter k, van het DWU) niet wederuitgevoerd, en evenmin onder een opvolgende douaneregeling geplaatst, vernietigd of aan de staat afgestaan. In plaats daarvan heeft zij de veredelingsproducten verkocht en geleverd aan afnemers binnen de Europese Unie, zonder de goederen eerst aan te geven voor het vrije verkeer. Hierdoor is een douaneschuld ontstaan op grond van het bepaalde in artikel 79, lid 1, aanhef en onder a, van het DWU (onttrekking of niet naleven verplichtingen).

Aan voornoemd oordeel doet niet af dat, zoals belanghebbende op zichzelf met juistheid betoogt, de goederenbewegingen goed te volgen zijn in haar administratie en uit die administratie blijkt dat qua gewicht (vrijwel) evenveel goederen van Chinese oorsprong onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst als dat er (uit equivalente grondstoffen vervaardigde) veredelingsproducten zijn uitgevoerd. Aan belanghebbende is geen vergunning verleend als genoemd in artikel 182 van het DWU, om aangiften te doen door inschrijving in haar administratie. Op grond van artikel 214 van het DWU dient elke houder van een vergunning voor een bijzondere regeling, een passende administratie te voeren in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm, maar deze administratie treedt niet in de plaats van het wettelijke formaliteitenstelsel.

Aan het onder 5.5 gegeven oordeel doet evenmin af dat belanghebbende maandelijks aanzuiveringsafrekeningen heeft ingediend. In haar aanzuiveringsafrekeningen heeft belanghebbende de door haar ingediende aangiften tot plaatsing onder de bijzondere regeling actieve veredeling gekoppeld aan eveneens door haar ingediende aangiften ten uitvoer en niet aan aangiften tot wederuitvoer (regelingcode 31 51). De regeling ‘uitvoer’ is de regeling waarvoor Uniegoederen dienen te worden aangegeven als zij het douanegebied van de Unie verlaten (artikel 269 DWU). Aanzuivering van de bijzondere regeling actieve veredeling kan daarom niet plaatsvinden met aangiften ten uitvoer. Voor niet-Uniegoederen die de Unie verlaten, zoals de door belanghebbende vervaardigde veredelingsproducten, dient aangifte tot wederuitvoer te worden gedaan (artikel 270 DWU).

Wat hier ook van zij, zoals reeds vermeld onder 5.5 hebben de veredelingsproducten waarop het geschil betrekking heeft het douanegebied van de Unie niet verlaten, maar zijn zij afgezet binnen de Europese Unie. Aanzuivering had daarom moeten plaatsvinden door aangiften tot plaatsing onder de douaneregeling ‘in het vrije verkeer brengen’ (zie ook 5.14).

Ten overvloede zij opgemerkt dat, gelet op het vorenoverwogene, van equivalentieverkeer geen sprake is geweest (belanghebbende heeft geen uit equivalente Uniegoederen vervaardigde producten tot wederuitvoer aangegeven in plaats van de uit de Chinese grondstoffen vervaardigde veredelingsproducten), nog daargelaten dat het gebruik van equivalente goederen (als bedoeld in artikel 223 DWU) in de vergunning expliciet is uitgesloten voor goederen waarvoor (bij in het vrije verkeer brengen ervan) een antidumpingrecht geldt. De vergunning vermeldt ter zake:

Individuele voorwaarden

Deze vergunning geldt niet voor het gebruik van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling (Actieve veredeling) geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht (…) als zij werden aangegeven voor het vrije verkeer. (artikel 169, lid 2 Gvo.DWU)”

Belanghebbende is hierop reeds in 2016 uitdrukkelijk gewezen door de inspecteur, zo blijkt uit een tot de gedingstukken behorend controlerapport met nummer [# 1] , gedagtekend 21 oktober 2016, waar in onder meer is vermeld:

3.2. Invoering Douane wetboek van de Unie (DWU)

Met de invoering van de DWU mag er geen vergunning worden verleend voor het gebruik van equivalente goederen wanneer de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht (…) als zij werden aangegeven voor het vrije verkeer. (artikel 169, lid 2 GVo.DWU)

Ook bij vergunningen actieve veredeling die zijn afgegeven vóór 1 mei 2016 is het gebruik van equivalente goederen niet toegestaan als de invoergoederen die zij vervangen zijn onderworpen aan een anti-dumpingmaatregel. (…)

Tijdens de uitvoering van de controle heb ik [belanghebbende] hiervan op de hoogte gebracht en heb ik contact gelegd met de afdeling vergunning afgifte te Amersfoort. Er zal door [belanghebbende] een nieuwe vergunning worden aangevraagd. In de tussenliggende periode zal [belanghebbende] handelen volgens de geldende wet- en regelgeving.”

Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat, hoewel equivalentieverkeer in de aan haar verleende vergunning was uitgesloten, zij vanwege het door haar gehanteerde “siloprincipe” toch mocht handelen zoals zij heeft gedaan, dient dit betoog te worden verworpen. Hantering van het siloprincipe zou tot gevolg kunnen hebben dat in werkelijkheid andere goederen zijn veredeld dan de goederen van Chinese oorsprong die met de onder 5.5 genoemde aangiften onder de bijzondere regeling actieve veredeling zijn geplaatst. Maar zo dit het geval is geweest vormt die (eventuele) oorsprongsverwisseling niet de aanleiding voor het uitreiken van de bestreden utb’s. Zoals uiteengezet onder 5.5 vinden de bestreden utb’s hun grondslag in de constatering dat de bijzondere regeling actieve veredeling niet is aangezuiverd en de veredelingsproducten – zonder voor het vrije verkeer te zijn aangegeven – binnen de Europese Unie zijn verkocht.

Evenmin kan belanghebbende worden gevolgd in haar betoog dat bij de beoordeling of al dan niet een douaneschuld is ontstaan dient te worden uitgegaan van de vergunning in samenhang met het klantdossier en de bij de vergunning gemaakte afspraken. Het Hof stelt in dit verband voorop dat niet is gebleken dat buiten de vergunning om afspraken zijn gemaakt die afwijken van het bepaalde in de vergunning en het onder 5.5 tot en met 5.8 geschetste wettelijke kader. Maar ook indien dergelijke afspraken wel zouden bestaan, kan dit belanghebbende niet baten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het vertrouwensbeginsel niet worden aangevoerd tegen een duidelijke bepaling van het recht van de Unie en kan een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het recht van de Unie belaste nationale instantie voor een marktdeelnemer geen grond kan opleveren om erop te vertrouwen dat hij een behandeling kan genieten die strijdig is met het recht van de Unie (zie HvJ 7 april 2011 Sony Supply Chain Solutions (Europe) BV, C-153/10, ECLI:EU:C:2011:224, r.o. 47 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat voor de in de utb’s begrepen goederen een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 79, lid 1, aanhef en onder a, van het DWU. Het door belanghebbende genoemde arrest Hof van Justitie 12 juni 2025, Palmstråle, C-125/24, ECLI:EU:C:2025:431, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit arrest de uitleg van artikel 86, lid 6, van het DWU betreft, inzake het achteraf toepassen van een gunstige tariefbehandeling, een ontheffing of een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoer- of uitvoerrechten, hetgeen in casu niet aan de orde is.

Verjaringstermijn

In artikel 7:7 van de Algemene douanewet (Adw) is bepaald dat, wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die strafrechtelijk vervolgbaar was, de toezending van het aanslagbiljet kan geschieden binnen vijf jaren nadat de douaneschuld is ontstaan. Hiermee heeft de nationale wetgever invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 103, lid 2, van het DWU. De inspecteur heeft in casu de verlengde verjaringstermijn toegepast omdat, naar hij stelt, het handelen van belanghebbende strafrechtelijk vervolgbaar was op de voet van artikel 10:3 Adw.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de delictsomschrijving van artikel 10:3 Adw niet is vervuld, zodat geen sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Zo dit anders mocht zijn, betwist belanghebbende de uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan het begrip “strafrechtelijk vervolgbare handeling” in zijn arrest van 30 september 2016, 14/02785, ECLI:NL:HR:2016:2195. Het Unierechtelijke begrip “strafrechtelijk vervolgbare handeling” dient aldus te worden uitgelegd dat daarvan geen sprake is bij afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt. Belanghebbende verzoekt het Hof daarom om prejudiciële vragen te stellen over de juistheid van het oordeel van de Hoge Raad in genoemd arrest. Tot slot betoogt belanghebbende dat in de tweede utb, anders dan in de eerste utb, niet is vermeld op welke grond de verjaringstermijn is verlengd. De rechtbank is daar volgens belanghebbende ten onrechte aan voorbij gegaan. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

Artikel 10:3, lid 1, Adw luidt:

“1. Degene die goederen waarvoor een in de douanewetgeving voorziene aangifte niet is gedaan, lost, laadt, vervoert, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaat, voorhanden heeft of daaruit uitslaat, koopt, verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de rechten bij invoer die ter zake van de goederen zijn verschuldigd.”

Belanghebbende betoogt dat aan deze delictsomschrijving niet is voldaan omdat geen sprake is van het niet-doen van een in de douanewetgeving voorziene aangifte. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Zoals vermeld onder 5.5 heeft belanghebbende de door haar uit Chinese grondstoffen vervaardigde veredelingsproducten verkocht en geleverd aan afnemers binnen de Europese Unie. In artikel 201 van het DWU is voorgeschreven dat niet-Uniegoederen die bestemd zijn om op de markt van de Unie te worden gebracht dienen te worden geplaatst onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’. In artikel 158 van het DWU is bovendien bepaald dat voor alle goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, met uitzondering van de regeling vrije zone, een douaneaangifte tot plaatsing onder de desbetreffende regeling moet worden gedaan. Daarbij is van belang dat onder een “douaneregeling” in het DWU mede “in het vrije verkeer brengen” wordt begrepen, zo volgt uit de definitie van het begrip douaneregeling in artikel 5, punt 16, van het DWU. De delictsomschrijving van artikel 10:3 Adw is, door geen aangifte voor het vrije verkeer te doen, derhalve weldegelijk vervuld.

Het Hof ziet, anders dan belanghebbende, geen grond om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 30 september 2016, 14/02785, ECLI:NL:HR:2016:2195, dat voor termijnverlenging volstaat dat de delictsomschrijving is vervuld. In rechtsoverweging 3.8.5 van dat arrest oordeelde de Hoge Raad, voor zover hier van belang (onderstreping Hof):

“Daaraan doet niet af dat het zijn voldaan aan de delictsomschrijving voortvloeit uit de vaststelling dat sprake is van misbruik van recht, en evenmin dat het handelen van de betrokkenen berustte op een pleitbaar standpunt. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in de punten 25 en 26 van het arrest van 16 juli 2009, Snauwaert e.a., C‑124/08 en C‑125/08, ECLI:EU:C:2009:469 (hierna: het arrest Snauwaert), vormt de omstandigheid dat een handeling door de douaneautoriteiten wordt aangemerkt als een ‘strafrechtelijk vervolgbare handeling’ geen vaststelling dat daadwerkelijk een strafbaar feit is gepleegd. Deze vaststelling wordt, aldus het Hof van Justitie, slechts verricht in het kader van en voor de doeleinden van een procedure van administratieve aard die uitsluitend tot doel heeft deze autoriteiten in staat te stellen een onjuiste of onvoldoende heffing van invoerrechten of uitvoerrechten te corrigeren.

Met name uit genoemde overweging 26 van het arrest Snauwaert volgt naar ’s Hofs oordeel, naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is, dat de inspecteur niet gehouden is om te beoordelen of daadwerkelijk (met succes) vervolgd zou kunnen worden. De inspecteur hoeft daarom niet te beoordelen of wellicht sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld. Hij dient enkel aannemelijk te maken dat de delictsomschrijving is vervuld. Hierbij zij erop gewezen dat het verlengen van de verjaringstermijn niet is bedoeld als sanctie: indien één douaneschuldenaar handelingen heeft verricht waarmee de delictsomschrijving van enig strafbaar feit is vervuld wordt de termijn verlengd ten aanzien van alle schuldenaren, ook indien zij zelf geen strafbare handeling hebben verricht (zie voornoemd arrest Snauwaert, r.o. 24 t/m 32).

Wat betreft de klacht van belanghebbende dat in de tweede utb – anders dan in de eerste utb – niet is vermeld dat en waarom de verjaringstermijn is verlengd, oordeelt het Hof als volgt. Bij brief van 25 oktober 2021 heeft de inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen om tot belastingheffing over te gaan. In deze brief is onder meer vermeld:

“In het conceptrapport administratieve controle ( [# 2] ), bijgevoegd bij deze vooraankondiging, heb ik aangegeven hoe ik tot dit voornemen tot het opleggen van een uitnodiging tot betaling ben gekomen.”

Het bijgevoegde conceptrapport vermeldt onder meer:

3.1.3. Correctie

Voor de niet-Uniegoederen die tijdens de controleperiode onder de bijzondere regeling Actieve veredeling zijn gebracht, is geen aangifte gedaan voor een opvolgende regeling. Dit betekent dat de bijzondere regeling Actieve veredeling niet is aangezuiverd conform artikel 215 DWU en binnen de gestelde termijnen vanuit de vergunningsvoorwaarden. Deze handelswijze is van toepassing voor alle in bijlage 4 genoemde aangiften. De handeling wordt in 10:3 lid 1 ADW aangemerkt als strafrechtelijk vervolgbare handeling. Dit betekent dat de verlengde navorderingstermijn zal worden toegepast van vijf jaar, zoals genoemd in artikel 103, lid 2, DWU juncto artikel 7:7 ADW.”

Belanghebbende heeft, onder meer door middel van een schriftelijk stuk van haar gemachtigde van 22 november 2021, getiteld “Pleidooi hoorgesprek voornemen UTB”, uitvoerig gereageerd op de voorgenomen toepassing van de verlengde verjaringstermijn. Het Hof vermag dan ook niet in te zien waarom de inspecteur gehouden zou zijn om in de tweede utb (nogmaals) te motiveren waarom hij de verlengde verjaringstermijn van toepassing acht, te minder nu in de tweede utb uitdrukkelijk wordt gerefereerd aan de voornoemde brief van 25 oktober 2020 en het daarbij gevoegde conceptrapport.

Gelet op het vorenoverwogene falen de grieven van belanghebbende die zijn gericht tegen de toepassing van de verlengde verjaringstermijn.

Overleggen van stukken in eerdere fasen van de procedure

Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de inspecteur in de loop van de procedure niet altijd tijdig alle stukken heeft overgelegd die hij had moeten overleggen. De rechtbank had daar op de voet van artikel 8:31 Awb gevolgen aan moeten verbinden of in elk geval een ruimere proceskostenvergoeding moeten toekennen dan zij in haar uitspraak heeft gedaan (een vergoeding berekend op basis van factor 0,25, in verband met het toekennen van een vergoeding van immateriële schade). Het Hof overweegt ter zake als volgt.

a. Voornemenfase

Belanghebbende betoogt in haar tiendagenstuk dat de inspecteur gehouden is “tijdens de voornemenfase en uiterlijk op het moment dat de utb’s werden opgelegd de relevante en op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen”. Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Uit artikel 8 van de UDWU volgt dat de belanghebbende recht heeft op toegang tot de documenten en de informatie waarop de douaneautoriteiten voornemens zijn hun beschikking te baseren. Belanghebbende is in het onder 5.16 genoemde voornemen-brief van 25 oktober 2020 gewezen op dit recht op toegang en heeft hier ook gebruik van gemaakt. Blijkens de stukken van het geding heeft een kantoorgenoot van de gemachtigde op 3 november 2021 de stukken ingezien waarop de inspecteur voornemens was zijn utb’s te baseren. Deze stukken zijn op 9 november 2021 ook, zo blijkt uit de gedingstukken, via de ‘Belastingdienst Filetransfer’ door de gemachtigde gedownload. Door aldus te handelen heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel aan zijn wettelijke verplichtingen in de voornemenfase voldaan.

b. Bezwaar- en beroepsfase

In de bezwaarfase heeft de inspecteur op 4 augustus 2022 per brief een inventarisatielijst aan belanghebbende toegezonden van de stukken die op dat moment in het bezwaardossier aanwezig waren. Bij e-mail van 30 augustus 2022 heeft een kantoorgenoot van de gemachtigde aangegeven van welke stukken belanghebbende een afschrift wenst te ontvangen. In een (per e-mail verzonden) brief van 31 augustus 2022 heeft de gemachtigde vervolgens verzocht om ook – door hem niet nader aangeduide – “interne correspondentie” en “interne stukken” die op de zaak betrekking hebben, over te leggen. Belanghebbende heeft dit verzoek op 7 september 2022 en 13 september 2022 herhaald. De inspecteur is niet tegemoetgekomen aan dit verzoek.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:4, lid 2, Awb dient de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor de belanghebbende ter inzage te leggen. Hiertoe behoren ook interne stukken van de inspecteur, indien het bestreden besluit mede is gebaseerd op (gegevens uit) die interne stukken, zo volgt onder meer uit het arrest Hoge Raad 29 juni 2012, nr. 11/00551, ECLI:NL:HR:2012:BW9850. Op grond van artikel 7:4, lid 6, Awb kan de inspecteur evenwel afzien van het ter inzage leggen van stukken voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. De inspecteur heeft, naar het Hof begrijpt, van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

In de beroepsfase heeft de inspecteur, conform artikel 8:42 Awb, de meergenoemde interne stukken wel aan de rechtbank overgelegd. Hij heeft daarbij, op de voet van artikel 8:29, lid 1, Awb, aangegeven dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken kennis zal mogen nemen. Zoals vermeld onder 5.1 en 5.3 is dit beroep op beperkte kennisneming gehonoreerd door de rechtbank en wordt deze beslissing door het Hof onderschreven.

Het Hof ziet, in navolging van de rechtbank, in de onder 5.20 tot en met 5.22 beschreven gang van zaken, die in overeenstemming is met de ter zake geldende wettelijke bepalingen, geen grond om belanghebbende een ruimere proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe te kennen dan de vergoeding die door de rechtbank reeds is toegekend.

Belanghebbende heeft er tot slot op gewezen dat de inspecteur pas in hoger beroep álle door belanghebbende ingediende aanzuiveringsafrekeningen heeft overgelegd. In de beroepsfase heeft de inspecteur slechts de aanzuiveringsafrekening over één maand overgelegd (kennelijk bedoeld als voorbeeld), met daarbij de vermelding “Mocht u de aanzuiveringsafrekeningen over de andere maanden willen ontvangen, dan kan ik deze uiteraard nog toezenden”. De rechtbank heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. In hoger beroep heeft de inspecteur wel eigener beweging alle aanzuiveringsafrekeningen overgelegd, zowel op papier als digitaal. Ook hierin ziet het Hof geen aanleiding een ruimere proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe te kennen of daar anderszins gevolgen aan de verbinden met toepassing van artikel 8:31 Awb. Belanghebbende beschikte reeds over de aanzuiveringsafrekeningen (die zij immers zelf heeft opgesteld) en de inhoud van de door belanghebbende ingediende aanzuiveringsafrekeningen is tussen partijen nooit in geschil geweest, zodat de rechtbank voor de beslechting van het geschil niet over alle afrekeningen hoefde te beschikken.

Rekening Rijk

Belanghebbende stelt zich tot slot op het standpunt dat, indien wel een douaneschuld is ontstaan, deze douaneschuld op grond van het evenredigheidsbeginsel voor rekening van het Rijk dient te komen. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Weliswaar staat de afdracht door een lidstaat van een belastingbedrag als “eigen middelen” aan de Europese Commissie los van vraag of die douaneschuld door de douaneautoriteiten daadwerkelijk is geboekt en medegedeeld aan de schuldenaar (zie HvJ 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C-392/02, ECLI:EU:C:2005:683, punten 36 t/m 38), maar dit betekent niet dat lidstaten van de Unie naar eigen inzicht kunnen beslissen om een wettelijk verschuldigd belastingbedrag al dan niet te heffen van de douaneschuldenaar, terug te betalen of anderszins aan de schuldenaar te vergoeden. Het bepaalde in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (verboden staatssteun) staat in de weg aan het niet-heffen, terugbetalen of vergoeden van belastingen die op grond van het Unierecht verschuldigd zijn.

Wat hier verder ook van zij, de belastingrechter kan in een procedure die gaat over de rechtmatigheid van een uitgereikte uitnodiging tot betaling niet bepalen dat een belastingbedrag weliswaar wettelijk verschuldigd is, maar voor rekening van het Rijk dient te komen. Een wettelijke grondslag voor een dergelijk oordeel ontbreekt.

Ten aanzien van alle overige grieven sluit het Hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank en maakt het de overwegingen van de rechtbank in zoverre tot de zijne. Ook hetgeen belanghebbende overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op door haar aangevoerde argumenten, faalt deze grief omdat de uitspraak van de rechtbank naar de eis der wet met redenen is omkleed en zij niet gehouden was op alle argumenten van partijen afzonderlijk in te gaan (vgl. Hoge Raad 14 november 1990, 26913, ECLI:NL:HR:1990:ZC4444).

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

6. Kosten

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, H.E. Kostense en C.J. Hummel, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter heeft de oudste raadsheer deze uitspraak ondertekend. De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026072907 NLF 2026/1535 FutD 2026-1376 Douanerechtspraak 2026/86 NDFR Nieuws 2026/1227 DouaneUpdate 2026-0205
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand