beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.364.772/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 23 juli 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FTB PARTICIPATIES B.V.,
gevestigd te Muiden,
VERZOEKSTER,
advocaten: mr. A.J.M. van Winden en mr. P.B.J. van den Oord, kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IMPROVE HOLDING B.V.,
gevestigd te Zaandijk,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. S.W. Holterman en mr. K. Notenboom, kantoorhoudende te Utrecht,
e n t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FACILITYLINQ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. A.J.M. van Winden en mr. P.B.J. van den Oord, kantoorhoudende te Alphen aan den Rijn,
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
1. Het verloop van het geding
FTB heeft bij verzoekschrift van 11 februari 2026 de Ondernemingskamer samengevat verzocht:
Improve te bevelen de door haar gehouden onbezwaarde aandelen in het geplaatste kapitaal van FLQ over te dragen aan FTB tegen een door de Ondernemingskamer te bepalen prijs;
Improve te veroordelen in de kosten van de procedure.
Improve heeft bij verweerschrift van 2 april 2026 de Ondernemingskamer verzocht FTB niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van het geding.
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 30 april 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en onder overlegging van tevoren toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2. Inleiding en feiten
De aandeelhouders van FLQ leven al langer in onmin. Na onenigheid in het bestuur en een fraudemelding is de DGA van minderheidsaandeelhouder Improve ontslagen als bestuurder van FLQ. Een enquêteverzoek van Improve werd afgewezen. Nu verzoekt meerderheidsaandeelhouder FTB de uitstoting van Improve als aandeelhouder.
FLQ is een dienstverlener op het gebied van kantoorinrichting. FLQ is op 13 augustus 2003 opgericht door FTB (dat toen nog een andere naam had) en [voormalig bestuurder] . Bij oprichting hield FTB 95,1 % van de aandelen in FLQ en [voormalig bestuurder] hield 4,9% van de aandelen. FTB is de gezamenlijke vennootschap van [indirect aandeelhouder A] , [indirect aandeelhouder B] en [indirect aandeelhouder C] , die via hun persoonlijke holdings ieder een derde van de aandelen in FTB houden. [voormalig bestuurder] was bij de oprichting de enig bestuurder van FLQ. Sinds 4 februari 2004 is ook FTB bestuurder van FLQ.
Op 5 juli 2004 is [voormalig bestuurder B] als werknemer bij FLQ in dienst getreden. In 2007 is het aandelenbelang van [voormalig bestuurder] (via NVision) vergroot naar 20% en heeft [voormalig bestuurder B] (via Improve) 20% van de aandelen verkregen. Dit resulteerde in een aandelenbelang van 60% voor FTB, 20% voor NVision en 20% van Improve. [voormalig bestuurder B] is op 14 februari 2007 ook tot het bestuur van FLQ toegetreden. De dagelijkse leiding van de organisatie lag bij [voormalig bestuurder] en [voormalig bestuurder B] .
Tussen FTB, Improve en NVision is op 30 mei 2011 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. De aandeelhoudersovereenkomst verplicht iedere aandeelhouder tot aanbieding van zijn aandelen aan de medeaandeelhouders bij (onder meer) beëindiging van de arbeidsovereenkomst/dienstverleningsovereenkomst met de natuurlijk persoon achter de aandeelhouder.
In 2021 is een traject ingezet om de dagelijkse leiding van [voormalig bestuurder] en [voormalig bestuurder B] over te dragen aan [controller] en [operations manager] , als controller respectievelijk operations manager in dienst van FLQ. Tijdens dit traject heeft zich ernstige onenigheid geopenbaard tussen [voormalig bestuurder] en [voormalig bestuurder B] . Op 15 november 2021 heeft [voormalig bestuurder B] aan [indirect aandeelhouder A] en [indirect aandeelhouder B] laten weten dat gebleken is dat “er geen basis meer aanwezig is voor een gezamenlijke aansturing van FacilitylinQ”.
Bij e-mail en brief van 18 november 2021 heeft FTB een uitnodiging voor een aandeelhoudersvergadering van FLQ op 4 december 2021 aan de aandeelhouders van FLQ verstuurd. Op de bijgevoegde agenda was onder meer het ontslag van [voormalig bestuurder] en [voormalig bestuurder B] als statutair bestuurders van FLQ geagendeerd.
Bij e-mail (met bijlage) van 2 december 2021 heeft [voormalig bestuurder B] aan [indirect aandeelhouder A] en [indirect aandeelhouder B] , [indirect aandeelhouder C] en [voormalig bestuurder] bericht op 28 november 2021 te zijn gestuit op ernstige frauduleuze handelingen binnen FLQ, verricht door [voormalig bestuurder] .
Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 4 december 2021 zijn [voormalig bestuurder] en [voormalig bestuurder B] als bestuurder van FLQ ontslagen. Beide ontslagbesluiten zijn met unanimiteit van stemmen aangenomen. Sindsdien is FTB enig bestuurder van FLQ.
Na de aandeelhoudersvergadering van 4 december 2021 hebben [voormalig bestuurder B] en FTB getracht tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dit is niet gelukt. Bij brief van 10 februari 2022 heeft Improve haar aandelen in FLQ aangeboden en heeft zij FTB en NVision verzocht kenbaar te maken of zij interesse hebben in de aandelen van Improve. Het bestuur van FLQ heeft bij brief van 22 februari 2022 aan Improve bericht dat tijdens de aandeelhoudersvergadering van 4 december 2021 een lock-up van drie jaar is afgesproken en dat het bestuur de aanbieding van Improve naast zich neerlegt.
Bij verzoekschrift van 2 maart 2022 is [voormalig bestuurder B] een procedure gestart jegens FLQ waarin hij onder meer aanspraak maakt op een transitievergoeding. Bij beschikking van 28 oktober 2022 heeft de rechtbank Amsterdam onder meer geoordeeld dat er geen all-in regeling tussen partijen tot stand is gekomen omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De rechtbank heeft FLQ onder meer veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding aan [voormalig bestuurder B] . Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.
Naar aanleiding van de e-mail van 2 december 2021 van [voormalig bestuurder B] (zie 2.7) is het bestuur van FLQ een intern onderzoek gestart. Hieruit is onder meer gebleken dat [voormalig bestuurder] producten van FLQ op eigen rekening inkocht en vervolgens verkocht aan klanten. De marge op de producten hield [voormalig bestuurder] zelf. Uit het onderzoek bleek dat [voormalig bestuurder] voor een nettobedrag van € 51.276,26 had gefraudeerd.
De door [voormalig bestuurder] gepleegde fraude is besproken in de aandeelhoudersvergadering van FLQ van 23 maart 2022. Improve uitte bezwaren tegen de wijze waarop de fraude was onderzocht; volgens Improve was die fraude veel omvangrijker. Improve stemde tegen vaststelling van de jaarrekening en tegen déchargeverlening aan FTB en NVision. Het bestuur van FLQ heeft vervolgens eerst [controller] en [operations manager] en later Koeleman accountants en belastingadviseurs B.V. de opdracht gegeven nadere onderzoeken te doen naar de fraude door [voormalig bestuurder] en de interne procedures binnen FLQ.
Tijdens de aandeelhoudersvergadering van 4 november 2o22 heeft [voormalig bestuurder B] zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de door [voormalig bestuurder] gepleegde fraude veel omvangrijker was dan uit de onderzoeken naar voren kwam. Vervolgens is besloten om Hoffmann Bedrijfsrecherche onderzoek te laten doen naar de fraude.
Bij brief van 8 maart 2023 aan het bestuur van FLQ heeft NVision haar aandelen in FLQ aangeboden.
Hoffmann heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 13 april 2023 uitgebracht aan FLQ. In dit rapport is onder meer vermeld dat de netto-omvang van de door [voormalig bestuurder] gepleegde fraude niet veel afwijkt van het eerder vastgestelde nettobedrag van € 51.276. In het rapport wordt verder onder meer melding gemaakt van privéuitgaven van [voormalig bestuurder B] ten laste van FLQ.
Bij koopovereenkomst van 9 mei 2023 heeft FTB de aandelen van NVision gekocht en geleverd vervolgens gekregen. Sindsdien worden de aandelen in FLQ voor 80% gehouden door FTB en voor 20% door Improve.
Op 16 mei 2023 is tussen FLQ en [voormalig bestuurder] een vaststellingovereenkomst gesloten, uit hoofde waarvan [voormalig bestuurder] een bedrag van € 52.176,28 aan FLQ heeft voldaan.
In de periode oktober-december 2023 hebben [voormalig bestuurder B] en FTB gecorrespondeerd over door [voormalig bestuurder B] gestelde vragen en verzoeken om informatie.
Per november 2023 heeft FLQ een nieuwe commercieel directeur aangetrokken.
In de aandeelhoudersvergadering van 1 juni 2024 is gesproken over het voorstel om ter besparing van kosten de accountantscontrole te vervangen door een samenstellingsverklaring. Improve heeft tegen dit voorstel gestemd. Het voorstel is desalniettemin aangenomen. In de aandeelhoudersvergadering van 22 augustus 2024 is gestemd over een daarmee samenhangende statutenwijziging. Improve heeft tegen gestemd. Het voorstel is aangenomen.
Begin 2025 is opnieuw door (de advocaat van) Improve en [voormalig bestuurder B] met FTB gecorrespondeerd over verzoeken om informatie.
Bij beschikking van 28 augustus 2025 heeft de Ondernemingskamer een door Improve ingediend verzoek om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van FLQ afgewezen (ECLI:NL:GHAMS:2025:2278).
Op de aandeelhoudersvergadering van 22 mei 2025 zijn de financiële resultaten en de vooruitzichten van FLQ besproken. Tijdens deze vergadering heeft Improve vragen gesteld over het beleid van FTB en de financiële prognoses van FLQ.
Bij dagvaarding van 20 januari 2026 heeft Improve een procedure tegen FLQ aanhangig gemaakt in verband met een door haar gestelde vordering uit hoofde van een overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de kosten van een leaseauto.
In het najaar van 2025 heeft FLQ een nieuwe commercieel directeur aangetrokken.
Op 11 februari 2026 heeft FTB het onderhavige verzoek tot uitstoting van Improve als aandeelhouder van FLQ ingediend.
Op de aandeelhoudersvergadering van 16 april 2026 heeft Improve zich onthouden van stemming over het aangepaste bedrijfsplan 2026-2027 van FLQ.
3. De gronden van de beslissing
Het verzoek tot uitstoting
FTB heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat Improve door haar gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Als toelichting heeft FTB – samengevat – het volgende naar voren gebracht:
- Improve ondermijnt het gezag en draagvlak van het bestuur en de directie;
- De verhoudingen tussen Improve enerzijds en de medeaandeelhouders en het bestuur van FLQ anderzijds zijn onder meer door de voortdurend negatieve opstelling van Improve (op aandeelhoudersvergaderingen) verstoord;
- Improve is de eerdere enquêteprocedure op oneigenlijke gronden gestart;
- Improve maakt het belang van FLQ ondergeschikt aan haar persoonlijke belangen onder meer door onvoldoende medewerking te verlenen aan de afwikkeling van geschilpunten met FLQ, procedures tegen FLQ te voeren, en concurrerende werkzaamheden te verrichten.
Improve heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.
Voor toewijzing van het uitstotingsverzoek is vereist dat Improve door haar gedragingen, al dan niet in hoedanigheid van aandeelhouder, het belang van de vennootschap en haar onderneming zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (art. 2:336a BW). In de uitstotingsnorm liggen drie criteria besloten:
het gedragscriterium. Daarbij kan het gaan om gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft, maar vereist is dat niet. Ook gedragingen van een aandeelhouder die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vlg. ECLI:NL:GHAMS:2026:268, Brightstone).
het schadecriterium dat meebrengt dat de vennootschap schade heeft geleden als gevolg van de betrokken gedragingen.
het redelijkheidscriterium. Dit criterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de vennootschap bij het eindigen van het aandeelhouderschap van Improve en anderzijds het belang van Improve om aandeelhouder te blijven (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2025:2275, Autodemontagebedrijf).
Vaststaat dat [voormalig bestuurder B] sinds 4 december 2021 geen bestuurder of werknemer van FLQ meer is en uitsluitend nog via Improve als aandeelhouder bij FLQ is betrokken. Dat de huidige managing director van FLQ iedere samenwerking met [voormalig bestuurder B] onmogelijk acht, is tegen die achtergrond onvoldoende om te kunnen oordelen dat het aandeelhouderschap van Improve niet langer kan worden geduld. Improve heeft als minderheidsaandeelhouder geen blokkerende stem in de algemene vergadering en het enkele feit dat zij om informatie verzoekt is geen gedraging die het belang van FLQ schaadt. De door FTB naar voren gebrachte ongewenste contacten van Improve met relaties van FLQ dateren van langer geleden en zijn van onvoldoende gewicht om nu nog te kunnen bijdragen aan toewijzing van het verzoek. Dat [voormalig bestuurder B] nog contacten onderhoudt met werknemers van FLQ roept, gelet op het feit dat hij inmiddels geen bestuurder meer is mogelijk vragen op, maar dat dit leidt of heeft geleid tot een concrete verstoring van de verhoudingen of een negatieve invloed heeft op de bedrijfsvoering van FLQ is niet gebleken. Desgevraagd is ter zitting gebleken dat van de in de beschikking van de Ondernemingskamer van 28 augustus 2025 (r.o. 3.15) vermelde tweespalt onder het personeel inmiddels geen sprake meer is.
De omstandigheid dat Improve zich kritisch uitlaat over het door FTB als bestuurder gevoerde beleid en - recentelijk nog over het aangepaste bedrijfsplan 2026-2027 - en in de algemene vergadering tegen voorstellen stemt of zich van stemming onthoudt, is op zichzelf niet een gedraging die het belang van FLQ schaadt in de zin van artikel 2:336a BW. Dat geldt ook voor de weigering van Improve om decharge te verlenen en haar opstelling ten aanzien van de accountantscontrole. Daarbij is van belang dat Improve besluitvorming in de algemene vergadering niet belemmert. FTB houdt sinds mei 2023 80% van de aandelen in FLQ en is haar enige bestuurder. Improve beschikt niet over bijzondere zeggenschapsrechten en kan besluitvorming binnen de algemene vergadering dus niet blokkeren. Het is onwenselijk dat de aandeelhoudersvergaderingen in gespannen sfeer verlopen en steeds in aanwezigheid van advocaten moeten worden gehouden, maar dat maakt niet dat het voortduren van het aandeelhouderschap van Improve in redelijkheid niet kan worden geduld.
Dat Improve een enquêteverzoek heeft ingediend dat uiteindelijk is afgewezen, rechtvaardigt evenmin het oordeel dat zij het belang van FLQ zodanig heeft geschaad dat haar aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld. De beschikking van de Ondernemingskamer van 28 augustus 2025 houdt niet in dat Improve haar verzoek op oneigenlijke gronden heeft ingediend of misbruik van haar enquêterecht heeft gemaakt. Het gebruik maken van een wettelijke rechtsingang kan alleen onder bijzondere omstandigheden als een schadelijke gedraging in de zin van artikel 2:336a BW worden aangemerkt. Dergelijke omstandigheden zijn niet gebleken.
Voor zover FTB haar verzoek baseert op vermeende onregelmatigheden van [voormalig bestuurder B] in de periode waarin hij bestuurder van FLQ was, geldt dat die gedragingen grotendeels dateren van vóór december 2021 en onderwerp zijn geweest van eerdere onderzoeken en procedures tussen partijen. FTB heeft onvoldoende toegelicht waarom die omstandigheden, voor zover al juist, ook nu nog zouden maken dat het voortduren van het aandeelhouderschap van Improve in redelijkheid niet kan worden geduld. Daarbij weegt mee dat [voormalig bestuurder B] inmiddels geen bestuurder van FLQ meer is en dat FTB destijds geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van Improve om haar aandelen in FLQ aan FTB over te dragen. Bij die stand van zaken kan FTB zich er nu niet beroepen op dat de gedragingen van [voormalig bestuurder B] van vóór die tijd, alsnog meebrengen dat Improve haar aandelen aan FTB zou moeten overdragen.
FTB heeft voorts aangevoerd dat Improve concurrerende werkzaamheden heeft verricht. Ter zitting is gebleken dat [voormalig bestuurder B] zijn partner incidenteel heeft geholpen bij werkzaamheden voor een onderneming die actief is op het gebied van interieurinrichting en dat zich in de afgelopen jaren eenmaal heeft voorgedaan dat een onderneming waarbij zij betrokken was en FLQ op dezelfde aanbesteding hebben ingeschreven. Improve heeft daartegenover toegelicht dat zij nu voornamelijk aanbestedingsadviezen buiten de interieurbranche verstrekt. Tegen deze achtergrond is onvoldoende komen vast te staan dat Improve daadwerkelijk concurrerende werkzaamheden verricht of activiteiten ontplooit die het belang van FLQ of haar onderneming zodanig schaden of hebben geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.
De slotsom is dat weliswaar juist is dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders danig zijn verstoord en dat het voor de hand ligt dat zij hun samenwerking in FLQ definitief zullen beëindigen, maar dat de door FTB daartoe aangevoerde gedragingen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, onvoldoende grond opleveren voor toewijzing van het uitstotingsverzoek. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
De Ondernemingskamer zal FTB als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst het verzoek van FTB Participaties B.V. af;
veroordeelt FTB Participaties B.V. in de kosten van de procedure, tot op heden aan de kant van zowel Improve Holding B.V. als van FacilitylinQ B.V. begroot op € 4.721.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.A.H. Melissen, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. E. Loesberg, raadsheren, en drs. G. Eikelenboom en mr. drs. F. Marring RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Paridon, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.W.H. Vink op 23 juli 2026.