afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000060-25
datum uitspraak: 27 januari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-263770-20 tegen de betrokkene
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 66.883,86 hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verlaagd tot een bedrag van € 44.589,44.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2023 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van het medeplegen van het telen van hennep.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 januari 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 44.589,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2026 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van het telen van hennep.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Grondslag van de vordering
De betrokkene is bij arrest van 13 januari 2026 veroordeeld voor het op 24 juni 2020 telen van 211 hennepplanten in zijn woning, welk feit hij tezamen met twee anderen heeft gepleegd. Op grond van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de verplichting worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Het rapport met onderwerp ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ (de ontnemingsrapportage) van 1 oktober 2021biedt, in combinatie met de inhoud van het strafdossier, voldoende aanwijzingen op grond waarvan het hof concludeert dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit eerdere oogsten van de hennepkwekerij.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 25.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsvrouw heeft gesteld dat de betrokkene niet heeft meegedeeld in de opbrengst van de hennepkwekerij. De betrokkene zou slechts een voordeel van € 3.500,00 voor één oogst hebben genoten.
Het hof neemt de ontnemingsrapportage als uitgangspunt. Daarin wordt uitgegaan van twee kweekruimtes, te verdelen over kweekruimte A en kweekruimte B.
Opbrengsten
In kweekruimte A zijn 100 hennepplanten aangetroffen. De gemiddelde opbrengst hennep per plant is vastgesteld op 28,2 gram. Dat betekent dat de hennepopbrengst van 100 planten 2.820 gram per oogst bedraagt.
In kweekruimte B zijn 111 hennepplanten aangetroffen. Met een gemiddelde opbrengst hennep per plant van 28,2 gram bedraagt de hennepopbrengst in kweekruimte B per oogst 3.130 gram.
De opbrengst per gram is gemiddeld € 4,07.
Ruimte A 2.820 gram hennep * € 4,07 per gram = € 11.477,40 per oogst
Ruimte B 3.130 gram hennep * € 4,07 per gram = € 12.739,10 per oogst
Kosten
Blijkens het ontnemingsrapport bedragen de afschrijvingskosten per oogst € 150,00 voor ruimte A en € 150,00 voor ruimte B. De variabele kosten vormen een totaalbedrag van € 7,69 per plant en bestaan uit:
Ruimte A 100 planten * € 7,69 per plant = € 769,00 per oogst
Ruimte B 111 planten * € 7,69 per plant = € 853,59 per oogst
De totale kosten (afschrijvingskosten plus variabele kosten) bedragen voor ruimte A € 919,00 en voor ruimte B € 1.003,59.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt als volgt berekend.
Ruimte A € 11.477,40 minus € 919,00 = € 10.558,40 voordeel per oogst
Ruimte B € 12.739,10 minus € 1.003,59 = € 11.735,51 voordeel per oogst
Het hof gaat er – in tegenstelling tot de ontnemingsrapportage, en in lijn met de verklaring van de betrokkene – van uit dat er twee eerdere oogsten zijn geweest. Anders dan door de betrokkene is gesteld, acht het hof het niet aannemelijk dat de tweede oogst is mislukt.
Ruimte A € 10.558,40 * 2 oogsten = € 21.116,80
Ruimte B € 11.735,51 * 2 oogsten = € 23.471,02
Totaal € 44.587,82
De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van hennepteelt met twee anderen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 44.587,82 dient daarom over drie daders te worden verdeeld. De enkele stelling van de verdediging dat slechts € 3.500,- van een schuld van de betrokkene zou zijn ingelost, acht het hof onaannemelijk. Het hof zal het voordeel pondspondsgewijs verdelen, nu geen aanknopingspunten bestaan voor een andere verdeling. De betrokkene heeft gelet daarop een voordeel genoten van € 14.862,61.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de betrokkene een betalingsverplichting ter hoogte van € 25.000,00 op te leggen.
De raadsvrouw heeft verzocht een betalingsverplichting van € 3.500,00 op te leggen.
Artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt onder meer het recht van de betrokkene dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Als uitgangspunt in deze zaak heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn, en met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Het hof constateert dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Nu reeds rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de samenhangende strafzaak, zal het hof de overschrijding in de ontnemingszaak enkel constateren.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.862,61.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 14.862,61 (veertienduizend achthonderdtweeënzestig euro en eenenzestig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 14.862,61 (veertienduizend achthonderdtweeënzestig euro en eenenzestig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 148 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.J.A. Plaisier en mr. T.J. Kelder, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
Mr. T.J. Kelder en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.