Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 januari 2025, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (van) 42.210 euro, althans enig geldbedrag, althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft primair gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat het openbaar ministerie ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te doen naar de concrete, deels min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte. Subsidiair is aangevoerd dat ten hoogste schuldwitwassen kan worden bewezenverklaard.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte is na een ANPR-melding als bestuurder van een Seat Ibiza met kenteken [kenteken] staande gehouden voor een controle in verband met mogelijke ondermijnende criminaliteit. De verdachte parkeerde de auto in Amsterdam en droeg een grote, gevulde rugzak bij zich. Hij oogde nerveus. De politie heeft vervolgens de inhoud van de rugzak doorzocht.
De politie heeft in de rugzak onder diverse kledingstukken een zwarte plastic tas aangetroffen. In de zwarte plastic tas bevonden zich meerdere bundels eurobiljetten en luiers. De eurobiljetten bestonden uit diverse coupures en vormden een totaalbedrag van € 42.210,00. Onder de verdachte zijn ook twee telefoons aangetroffen. Een van de telefoons (goednummer 6612295) is onderzocht. Uit dit onderzoek is onder andere gebleken dat de verdachte chatgesprekken voerde met contacten onder de namen ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’. In de chats wordt gesproken over geldbedragen en worden foto’s gedeeld van geldbundels die overeenkomen met de gebundelde eurobiljetten die de verdachte bij zich droeg in de zwarte plastic tas. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen een witwasvermoeden, op grond waarvan een verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld mag worden verlangd.
De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen ten aanzien van alle vragen die betrekking hadden op de herkomst en bestemming van het bij hem aangetroffen geldbedrag. Op de aan hem bij zijn heenzending meegegeven witwasbrief is door de verdediging niet gereageerd. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de verdachte niet verschenen. De verdachte heeft eerst ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het geldbedrag van € 42.210,00 vanuit Frankrijk naar Nederland heeft vervoerd voor een persoon genaamd [naam] . [naam] benaderde de verdachte op 27 januari 2025 telefonisch met het verzoek het geld naar Amsterdam te vervoeren. De verdachte weet niet hoe [naam] aan zijn telefoonnummer is gekomen. [naam] instrueerde de verdachte naar het station in Roubaix te gaan om het geld op te halen. Een onbekende, korte man heeft het geld daar vervolgens aan de verdachte overhandigd. Deze man heeft de verdachte ook zijn vergoeding van € 300,00 voor het geldtransport gegeven. Het geldbedrag moest vervolgens door de verdachte worden overhandigd aan een hem onbekende man in Amsterdam, die het geld via Western Union naar Suriname zou sturen. De verdachte wist dat hij een groot geldbedrag vervoerde. Vragen over de herkomst van dat geld heeft hij niet gesteld. Contactgegevens van [naam] kan de verdachte niet verstrekken. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen verklaring willen afleggen over de in zijn telefoon aangetroffen chatgesprekken met ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’, en ook niet over de daarin gedeelde foto’s van geldbundels en conversaties over grote geldbedragen en percentages. Evenmin heeft hij willen toelichten wie ‘ [bijnaam 1] ’ en ‘ [bijnaam 2] ’ zijn en waarom hij met hen over deze zaken moest communiceren.
De verklaring van de verdachte dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Het hof is van oordeel dat voornoemde (eerst ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde) verklaring van de verdachte niet aan deze eisen voldoet. De verdachte heeft immers niet meer informatie kunnen of willen geven over (de bereikbaarheid van) i) [naam] , ii) de onbekende, korte man en iii) de onbekende man die het geld in Amsterdam zou aannemen. Nadere gegevens van deze personen zijn onbekend gebleven, waardoor enige verificatie van de verklaring van de verdachte niet mogelijk is. Dat maakt dat het witwasvermoeden niet is ontzenuwd.
Het hof oordeelt voorts dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetwitwassen. De verdachte heeft bij een station in Frankrijk, van een hem onbekende man, een groot contant geldbedrag in een plastic tas overhandigd gekregen, dat hij, naar een voor hem onbekende man in Amsterdam, moest vervoeren, voor welk vervoer hij € 300-, zou krijgen. De verdachte heeft deze plastic tas in zijn rugzak onder een stapel kleding verstopt en was zichtbaar nerveus toen de politie hem aansprak. In zijn telefoon zijn voorts verschillende chats aangetroffen met onbekend gebleven personen, met daarin foto’s van grote hoeveelheden contant geld en conversaties over grote geldbedragen en percentages. Uit een en ander leidt het hof af dat de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het bij hem aangetroffen geldbedrag uit misdrijf afkomstig was.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 januari 2025, te Amsterdam, 42.210 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht een geldboete op te leggen, nu de verbeurdverklaring van het geldbedrag reeds een fikse straf vormt. Zij heeft daarnaast verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door een geldbedrag van € 42.210,00, afkomstig uit enig misdrijf, voorhanden te hebben. Hij heeft als bestuurder van een auto het geldbedrag vervoerd en daarmee een onmisbare schakel vervuld in het criminele circuit. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 december 2025 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Oplegging van een geldboete doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.
Beslag
Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is met behulp van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven iPhone met goednummer PL1300-2025022068-6612295 begaan en voorbereid. Dit voorwerp, dat de verdachte toebehoort en nog niet is teruggegeven, wordt daarom verbeurd verklaard.
Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag. Van dit voorwerp, dat niet aan de veroordeelde toebehoort, is niet kunnen worden vastgesteld aan wie het wel toebehoort. Ook dit voorwerp wordt daarom verbeurd verklaard.
Van de onder de verdachte in beslag genomen iPhone met goednummer PL1300-2025022068-6612296 wordt teruggave aan de verdachte gelast.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
42.210,00 EUR Geld Euro
(Omschrijving: PL1300-2025022068-G6612215 - IBG: 28-01-2025).
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Telefoontoestel (PL1300-2025022068-6612295).
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Telefoontoestel (PL1300-2025022068-6612296).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T.J. Kelder, mr. M.J.A. Plaisier en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
Mr. T.J. Kelder en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.