Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 4 mei 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer op de weg, de Vertrekpassage, taxivervoer heeft (laten) verricht(en) met een voertuig, gekentekend [kenteken], zonder te beschikken over een daartoe door de Minister van Infrastructuur en Milieu verleende vergunning.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft primair gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu sprake was van een vriendendienst. De verklaringen van de getuige [getuige] moeten niet als uitgangspunt worden genomen. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat de ontvangen vergoeding kostendekkend was, waardoor de uitzonderingsbepaling van artikel 2, vijfde lid, van de Wet personenvervoer 2000 van toepassing is. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van twee anoniem gebleven getuigen tegenover de Koninklijke Marechaussee op grond van het bepaalde in artikel 344a, derde lid, sub b, van het Wetboek van Strafvordering niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof sluit aan bij de verklaring van de getuige [getuige], zoals hij deze direct ter plaatse heeft afgelegd ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee. [getuige] heeft aldaar verklaard dat hij is opgehaald door een voor hem onbekende persoon, van wie hij het telefoonnummer van een kennis had gekregen, en aan wie hij € 35,00 heeft betaald voor het vervoer vanaf station Holendrecht naar Schiphol. Deze verklaring is in de kern niet anders dan de verklaring van [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris van 4 november 2024. Ook uit die verklaring volgt immers dat hij een betaling van € 35,00 aan de hem verder niet bekende verdachte heeft gedaan voor het vervoer naar Schiphol. Het hof acht deze (herhaalde) verklaring aannemelijk en gaat daarom voorbij aan het verweer van de verdachte dat hij slechts een vriendendienst heeft verricht waarvoor hij niet zou zijn betaald. Naar het oordeel van het hof kan het onderhavige vervoer niet worden aangemerkt als vriendendienst. Vaststaat dat de verdachte ten tijde van het vervoer niet over een taxivergunning beschikte.
De vraag of sprake is van een vergoeding die slechts kostendekkend was, beantwoordt het hof ontkennend. Zelfs als het hof uitgaat van de door de raadsman gestelde kostprijs van (iets meer dan) € 0,733 per kilometer, is de betaalde prijs van € 35,00 voor een (ongeveer twintig kilometer lange) rit van station Holendrecht naar Schiphol immers veel te hoog om als louter kostendekkend te kwalificeren. De stelling dat ook de (theoretische) kilometers van het huis van de verdachte naar het ophaalpunt van de passagiers, alsmede de (theoretische) kilometers van het afzetpunt van die passagiers terug naar het huis van de verdachte in aanmerking dienen te worden genomen, verwerpt het hof, omdat deze kilometers geen onderdeel uitmaken van het vervoer waarop artikel 2, vijfde lid, Wet personenvervoer 2000 betrekking heeft.
Het hof zal de verklaringen van ‘de man’ en ‘de vrouw’, zoals gerelateerd in het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, niet tot het bewijs bezigen. Het daarop betrekking hebbende verweer behoeft daarom geen nadere bespreking.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 4 mei 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer op de weg, de Vertrekpassage, taxivervoer heeft verricht met een voertuig, gekentekend [kenteken], zonder te beschikken over een daartoe door de Minister van Infrastructuur en Milieu verleende vergunning.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.200,00 subsidiair 22 dagen hechtenis, waarvan € 400,00 subsidiair acht dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.200,00 subsidiair twaalf dagen hechtenis, waarvan € 600,00 subsidiair zes dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het onvoorwaardelijke deel kan in zes termijnen van elk € 100,00 worden betaald.
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van taxivervoer zonder de daartoe vereiste vergunning te hebben. Het vergunningsstelsel voor het taxivervoer is onder meer in het leven geroepen om toezicht van de overheid op het veilig vervoer van personen en een correcte opgave van inkomsten mogelijk te maken. Door taxivervoer te verrichten zonder een daartoe afgegeven vergunning heeft de verdachte zich onttrokken aan dit toezicht. Bovendien heeft hij hierdoor de concurrentiepositie van de vervoerders die wel onder een vergunning hun diensten aanbieden verslechterd en hen financieel benadeeld.
Het hof weegt bij de strafoplegging de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de gevolgen voor de verdachte van een bestuursrechtelijk traject, alsmede zijn geestelijke gesteldheid, in zware mate mee.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 76 en 103 van de Wet personenvervoer 2000.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 13 juli 2023 onder CJIB nummer [nummer].
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. B.E. Dijkers en mr. T.J. Kelder, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
Mr. T.J. Kelder en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.