Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
De ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben gesteld dat de verdachte ontvankelijk is in het hoger beroep, nu het vonnis als veroordeelde verdachte vermeldt ‘[verdachte], althans zich noemde [verdachte]’, en door hem tijdig hoger geroep is ingesteld omdat stukken betreffende deze zaak niet aan hem zijn betekend.
Het hof verstaat de aantekening mondeling vonnis van 4 oktober 2007 als te zijn gesteld op naam van [verdachte]. Deze verdachte heeft op 29 juni 2023 hoger beroep ingesteld tegen het verstekvonnis. Nu niet is gebleken dat hij eerder bekend is geworden met het vonnis, en dit vonnis ook niet aan hem is betekend, is het hof van oordeel dat de verdachte tijdig hoger beroep heeft ingesteld. De verdachte is derhalve ontvankelijk in het hoger beroep.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 24 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een ten name van [verdachte], geboren op [geboortedag] 1978, gesteld paspoort van Nigeria, voorzien van het nummer [nummer], welk gebruik hierin bestond dat hij, verdachte, dit reisdocument ter controle aan een ambtenaar belast met de grensbewaking, althans aan een persoon belast met enig toezicht op de Luchthaven Schiphol, aldaar heeft overhandigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging - verjaring
Het recht tot strafvordering ten aanzien van het tenlastegelegde strafbare feit vervalt ingevolge het bepaalde in artikel 70, eerste lid, aanhef en sub 3, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) na twaalf jaren.
Uit het dossier blijkt niet van enige stuitingshandeling na het vonnis van de politierechter d.d. 4 oktober 2007. Het recht tot strafvordering is zodoende wegens verjaring vervallen.
Dat heeft tot gevolg dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van het tenlastegelegde feit.
Het hof ziet, in het licht van voormelde beslissing, geen ruimte om de vordering van de advocaat-generaal en het overeenkomstige verzoek van de raadsvrouw – inhoudende vernietiging van het vonnis voor wat betreft de tenaamstelling – toe te wijzen.
De advocaat-generaal heeft daarnaast verzocht om het openbaar ministerie op te dragen om bij verstrekking van het onderhavige arrest aan de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 6:1:1, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), de aandacht van de Minister te vestigen op de noodzaak dat de registratie van de veroordeling door de politierechter ten name van de verdachte wordt verwijderd. Ook hiertoe zal het hof, gelet op de voorgaande beslissing, niet overgaan. Wel acht het hof het van belang om uitdrukkelijk op te merken dat de verdachte evident ten onrechte als verdachte van het tenlastegelegde feit is aangemerkt en vervolgd.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. M.J.A. Plaisier en mr. T.J. Kelder, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2026.
Mr. B.E. Dijkers, mr. T.J. Kelder en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.