Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging (en dus inclusief de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging) en de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen, mede gelet op de landelijk afgesproken wijziging van 1 januari 2026 voor wat betreft de duur van de gijzeling - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof zal ingaan op het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer en dat het hof de bewijsmiddelen zal vervangen en aanvullen in het geval beroep in cassatie wordt ingesteld.
Bespreking van een verweer
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat het dossier slechts één belastend bewijsmiddel bevat, te weten de de-auditu-verklaring van verbalisant [verbalisant]. Deze verklaring is onvoldoende betrouwbaar, omdat de verdachte uitdrukkelijk en consistent ontkent dat hij tegen [verbalisant] een bekennende verklaring heeft afgelegd. Bovendien lijdt de verdachte aan psychiatrische problematiek die de betrouwbaarheid van zijn uitlatingen aantast. Het dossier bevat geen steunbewijs voor de verklaring van verbalisant [verbalisant], zodat niet is voldaan aan het unus-testis-beginsel. De stelling dat sprake is van daderkennis is onvoldoende, omdat deze kennis ook uit media en, gelet op het tijdsverloop tussen de feiten en het gesprek tussen de verdachte en [verbalisant], uit geruchten kan zijn verkregen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de inhoud en betrouwbaarheid van het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verbalisant [verbalisant], welke verklaring rechtens voldoende steun vindt in de andere bewijsmiddelen. [verbalisant] beschrijft daarin wat de verdachte op straat aan hem heeft verklaard over de nu aan hem tenlastegelegde feiten. Evenals de rechtbank is het hof, op grond van het dossier, van oordeel dat de informatie die de verdachte aan [verbalisant] over het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gegeven niet uit het nieuws of sociale media, dan wel uit de eventueel daarna ontstane geruchtenstroom is verkregen. Het hof acht de verklaring van de verdachte op dit punt ongeloofwaardig en is van oordeel dat sprake is van daderkennis.
Het hof wordt in die overtuiging gesterkt door de omstandigheid dat de verbalisant de verdachte tijdens het gesprek heeft gewezen op de belastende aard van diens uitlatingen, waarop de verdachte heeft gereageerd met dat hem dit niet uitmaakte en dat het uiteindelijk zijn woord tegen dat van de verbalisant zou zijn.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Oplegging van straf en maatregelen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd voor de duur van drie jaren, in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod, en heeft daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (verder ook afgekort als: GVM) als genoemd in artikel 38z Sr wordt opgelegd. Tot slot heeft de advocaat-generaal de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr gevorderd in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod voor de duur van 2 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in de hal van de woning van het slachtoffer, zijnde een hulpverlener van de GGZ, door midden in de nacht zwaar vuurwerk in diens brievenbus te plaatsen en tot ontbranding te brengen. Hierdoor is aanzienlijke schade aan de woning en de inboedel ontstaan. Ook heeft de ontploffing schade aan de auto van een buurman veroorzaakt. Het slachtoffer, zijn partner en hun huisdieren bevonden zich op het moment van de ontploffing in de woning. Het slachtoffer, dat kort voor de ontploffing op de begane grond van de woning was, is hiervan enorm geschrokken en ervaart nog altijd gevoelens van angst en onveiligheid, hetgeen treffend is verwoord in de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring. Een dergelijk feit veroorzaakt, gelet op zijn ernst, grote maatschappelijke onrust en vergroot gevoelens van onveiligheid in een buurt.
Verder is van belang dat de verdachte zich twee dagen vóór de ontploffing schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van dezelfde GGZ-medewerker door een stuk zwaar vuurwerk door de brievenbus van zijn woning te gooien, evenwel zonder dat aan te steken. Ook hiervan is een grote dreiging uitgegaan en die is ook als zodanig door het slachtoffer en zijn naasten gevoeld.
Het hof is, gelet op de ernst van de feiten en het gegeven dat de feiten zijn gericht tegen een hulpverlener van de GGZ, van oordeel dat een straf, zoals geëist door de advocaat-generaal, in beginsel passend is.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof onder meer kennis genomen van de over de verdachte opgemaakte psychiatrische rapportage van 1 juni 2023, opgemaakt door drs. C. Lozano Parra, psychiater. Daaruit komt samengevat en voor zover hier van belang, het volgende naar voren.
Bij de verdachte is een psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis en tabak vastgesteld. De psychiater achtte het, mede gezien het chronische beloop daarvan, aannemelijk dat deze stoornissen ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig waren. Omdat gegevens over het toestandsbeeld van de verdachte ten tijde van de feiten ontbraken, kan geen uitspraak worden gedaan over de mate van toerekenbaarheid en het recidiverisico. Ook is om die reden geen behandeladvies gegeven.
Het hof houdt daarnaast rekening met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Door zijn voorlopige hechtenis is de verdachte veel kwijt geraakt. Hij heeft een zorgmachtiging gehad en is op dit moment dakloos. Toch lijkt het erop, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, dat de verdachte zijn leven enigszins een positieve wending heeft kunnen geven. Zo blijkt uit de Justitiële Documentatie van 29 december 2025 van de verdachte, dat hij inmiddels ruim een jaar niet in aanraking is gekomen met de politie. Hij stelt zich thans behandelbaar op en oogt medicatiegetrouw. Het hof weegt deze omstandigheden in strafmatigende zin mee.
Dit neemt niet weg dat het hof, gelet op de ernst van de feiten en het gegeven dat de feiten zijn gericht tegen een hulpverlener van de GGZ, van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere of lichtere straf dan een straf die deze vrijheidsbeneming met zich brengt, en die betekent dat de verdachte terug vast komt te zitten, kan gelet op de ernst van de feiten niet worden volstaan.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel 38v Sr, contact- en locatieverbod met dadelijke uitvoerbaarheid
Het hof zal conform de eis van de advocaat-generaal, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten in de richting van het slachtoffer (van de feiten 1 en 2) opnieuw de maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel houdt in dat de verdachte voor de duur van twee (2) jaren vanaf de datum waarop dit arrest wordt gewezen geen direct of indirect contact mag hebben met het slachtoffer. Daarnaast mag de verdachte zich gedurende dezelfde periode niet ophouden in de straat van het slachtoffer. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst wederom belastend zal gedragen jegens het slachtoffer.
Om de maatregel kracht bij te zetten geldt dat iedere overtreding door de verdachte wordt gesanctioneerd met vervangende hechtenis van zeven (7) dagen, met een maximum van zes (6) maanden.
Het hof verklaart deze maatregel dadelijk uitvoerbaar, aangezien – mede gelet op de schriftelijke slachtofferverklaring – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte zich opnieuw belastend jegens het slachtoffer zou kunnen gedragen.
Maatregel 38z Sr, langdurig toezicht
Het hof acht het noodzakelijk om niet alleen een gevangenisstraf op te leggen, maar om daarnaast aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (ook wel afgekort als GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Het hof slaat acht op artikel 38z Sr, de relevante passages uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33816, nr. 3, p. 15 en p. 28, nr. 6, p. 22 en Kamerstukken II 2015/16, 33816, D, p. 32) en HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:770 en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van misdrijven, waaronder het teweegbrengen van een explosie ’s nachts in een woning waarbij levensgevaar dan wel zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Dit misdrijf veroorzaakt gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en op dit feit is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vijftien jaar gesteld. Bovendien wordt aan de verdachte ter zake van onder meer dit strafbare feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Daarnaast is de oplegging van de maatregel naar het oordeel van het hof in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen.
De reclassering heeft bij advies van 28 december 2023 het hoge herhalingsgevaar onderstreept en daarop is geen wezenlijke verandering in onderzoeksbevindingen van de reclassering gevolgd. Het staat de verdachte vrij de beschuldigingen te ontkennen, maar het feit dat de verdachte geen enkel inzicht heeft willen geven in zijn persoon en de omstandigheden waaronder hij de feiten heeft gepleegd, baart het hof zorgen. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de dreigende WhatsApp-berichten die de verdachte naderhand naar het slachtoffer heeft gestuurd en de dreigende houding die nadien nog jegens het slachtoffer is gevolgd. Dit maakt dat het hof van oordeel is dat de kans op recidive zonder behandeling groot moet worden geacht, terwijl er, bij tot nu toe een gebrek aan een ingang voor een behandeling van de verdachte geen reden is aan te nemen dat dit recidivegevaar na ommekomst van de gevangenisstraf tot een aanvaardbaar niveau zal zijn teruggedrongen. De verdachte heeft weliswaar op zitting in hoger beroep laten zien een opwaartse lijn in gedrag en psychisch welzijn te hebben ingezet, maar het hof acht dat nog een te kwetsbaar evenwicht om van deze gevorderde maatregel af te zien. Het hof zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan, zodat indien dat te zijner tijd noodzakelijk wordt geacht, toezicht kan worden gehouden op verdachte, dan wel behandeling kan worden aangeboden.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van Noord-Holland van 17 februari 2021 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 500,00. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof acht de toewijzing van de vordering, evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal, gelet op de overige te nemen beslissingen niet opportuun. Het hof wijst de vordering daarom af.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.618,03, bestaande uit € 2.618.03 aan materiële schade en € 3.000,00 aan vergoeding van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De raadsman heeft het hof, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 1.818,03 te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaat uit de volgende schadeposten:
a. kosten voor verblijf elders (factuurdata 3 en 9 maart 2022), totaal: € 1.194,55;
b. aanschaf camerasysteem op 27 februari 2022: € 623,48.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het gevorderde bedrag voor de kosten onder a) is naar het oordeel van het hof, gelet op de twee kort op elkaar volgende incidenten en de dreigende WhatsApp-berichten van de verdachte van 3 maart 2022, voldoende onderbouwd. Ter terechtzitting in hoger beroep is toegelicht dat de benadeelde partij ter bescherming van zijn eigen veiligheid en die van zijn gezin het dringende advies van de politie kreeg om toen onder te duiken.
Het gevorderde bedrag onder b) is naar het oordeel van het hof ook voldoende onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de benadeelde partij het camerasysteem op de dag van de ontploffing heeft aangeschaft. Die ontploffing vond plaats kort nadat eerder zwaar vuurwerk door de brievenbus van de woning was gegooid. Gelet op deze opeenvolging van incidenten was sprake van een onverminderde en acute dreiging. Zoals eerder overwogen heeft de verdachte met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de benadeelde partij. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staan dergelijke kosten rechtstreeks in verband tot het handelen van de verdachte en komen zij in aanmerking voor vergoeding (vlg. Hoge Raad 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:840).
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit is aangetast in de persoon op andere wijze. Van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (vgl. o.a. Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen. De aantasting van de benadeelde partij in de persoon ‘op andere wijze’ is gelet op de bij de vordering gevoegde brief van de behandelend GZ-psycholoog van 1 juni 2023 komen vast te staan. Uit die brief volgt dat de benadeelde partij bij hem in behandeling is geweest in verband met trauma gerelateerde klachten die zijn ontstaan door een vuurwerkbom die ’s nachts bij hem door de brievenbus is gegooid. De benadeelde partij is gediagnostiseerd met een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS), die wordt behandeld met EMDR-therapie.
Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00 aan materiële schade. Het gaat om een schadepost aan te betalen eigen risico, omdat de door de benadeelde partij geleasede auto door de ontploffing is beschadigd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De raadsman heeft het hof, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding.
Uit het dossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Nu de vordering voldoende is onderbouwd en in eerste aanleg is toegelicht en het hof deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het hof deze toewijzen.
Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 38z, 57, 157, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Maatregel artikel 38v Sr, locatie- en contactverbod
Legt aan de verdachte tevens op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in de [adres 2] en dat de verdachte voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1]. geboren op [geboortedag 2] 1973.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan deze maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes)maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat deze opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Maatregel artikel 38z Sr
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. Fles met benzine (goednummer: 1457898).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.818,03 (vierduizend achthonderdachttien euro en drie cent) bestaande uit € 1.818,03 (achttienhonderdachttien euro en drie cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.818,03 (vierduizend
achthonderdachttien euro en drie cent) bestaande uit € 1.818,03 (achttienhonderdachttien euro en drie cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 48 (achtenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente:
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 februari 2022.
Wijst af de vordering van de officier van justitie, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 17 februari 2021, onder parketnummer 15-261346-20, voorwaardelijk opgelegde geldboete.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. J.J. Roos, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
Mrs. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en J.J. Roos zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]