Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt en/of als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Uitgeest op/aan de Geesterweg, op of omstreeks 15 april 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht;
2.hij op of omstreeks 15 april 2022 te Uitgeest als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Geesterweg, een persoon die een stuk hout, althans een voorwerp, heeft opgepakt, over het hoofd heeft gezien en hem daardoor heeft geraakt/aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevoerde bewijsverweren moeten worden verworpen en heeft de bewezenverklaring van beide feiten gevorderd.
Beoordeling bewijsverweer feit 2
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van strafbare gevaarzetting door de verdachte, omdat het gevaar primair is ontstaan door het handelen van het slachtoffer, die zich gebukt op de rijbaan van een 50-km-weg bevond en daardoor – mede gelet op de bocht en de voertuigconstructie – voor de verdachte niet zichtbaar was en diens aanwezigheid hoefde de verdachte dan ook niet te verwachten. Toen het slachtoffer zichtbaar werd, heeft de verdachte direct geremd, maar een aanrijding kon niet meer worden voorkomen. Volgens vaste rechtspraak moet voor schuld in het verkeer of toepassing van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) sprake zijn van concreet gevaarzettend gedrag, hetgeen hier ontbreekt. Er zijn in in deze zaak geen objectieve aanwijzingen voor een te hoge snelheid, afleiding, middelengebruik of ander verwijtbaar onvoorzichtig gedrag van de verdachte.
Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat de vraag of sprake is van gevaar in de zin van art. 5 WVW 1994 wordt beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
Op 15 april 2022 heeft een aanrijding plaatsgevonden op de Geesterweg te Uitgeest. De verdachte sloeg als bestuurder van een personenauto linksaf op een overzichtelijk kruispunt (een T-kruising) en heeft daarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) – die op dat moment op de weg stond – geraakt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij, voordat hij linksaf sloeg, naar links en rechts heeft gekeken, niemand op de weg zag en waarschijnlijk door belemmering door zijn linker deurpost [slachtoffer] niet tijdig op de weg heeft zien staan.
Van de verdachte, als bestuurder van een gemotoriseerd voertuig, mocht extra oplettendheid worden verwacht ten aanzien van kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals de voetganger [slachtoffer] . Dat is niet anders op de weg die de verdachte op reed. Uit de feiten en omstandigheden ter plaatse volgt dat de verdachte niet de maximaal vereiste voorzichtigheid heeft betracht. Ten gevolge daarvan is op de weg een gevaarlijke situatie ontstaan waarbij de verdachte [slachtoffer] heeft geraakt, die ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Daarnaast is de kentekenplaat van verdachtes auto bij de aanrijding losgeraakt en daar achtergebleven, toen de verdachte doorreed.
Het gedrag van de verdachte kan daarom, in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is bepleit, als gevaarzettend in de zin van artikel 5 WVW 1994 worden aangemerkt, zodat feit 2 wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Beoordeling bewijsverweer feit 1
Ten aanzien van feit 1 volgt de weerlegging van het gevoerde verweer uit de inhoud van de tot het bewijs gebezigde processen-verbaal, aan de inhoud waarvan het hof geen reden heeft te twijfelen. De verdachte heeft niet behoorlijk de gelegenheid geboden om zijn identiteit aan de voetganger bekend te maken, maar heeft zich na de aanrijding snel in de auto uit de voeten gemaakt.
Voorwaardelijk verzoek bij feit 1
De raadsvrouw heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 tenlastegelegde, daartoe niet over te gaan en eerst verdachtes ex-vriendin [getuige] als getuige ter terechtzitting te horen, ter beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaring.
Gelet op hetgeen de raadsvrouw op dit punt ter onderbouwing van het verzoek naar voren heeft gebracht en in aanmerking genomen dat de getuige eerder onder ede door de raadsheer-commissaris is gehoord, acht het hof het niet noodzakelijk om de getuige nogmaals te horen. Het hof wijst het verzoek dan ook af.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Uitgeest aan de Geesterweg, op 15 april 2022 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel was toegebracht;
2.hij op 15 april 2022 te Uitgeest als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de Geesterweg, een persoon die een stuk hout heeft opgepakt, over het hoofd heeft gezien en hem daardoor heeft geraakt, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren voor het in eerste aanleg onder 2 bewezenverklaarde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voor het onder 1 tenlastegelegde en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren voor het onder 2 tenlastegelegde.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat, bij bewezenverklaring van een of beide feiten, een onvoorwaardelijke taakstraf en/of een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid, gelet op het tijdsverloop en de omstandigheden van het geval, niet opportuun is. Volgens haar is de onveilige situatie niet uitsluitend aan de verdachte te wijten geweest en dient dit ten gunste van de verdachte in de strafoplegging te worden meegewogen. De raadsvrouw heeft verder gewezen op het tijdsverloop en aangevoerd dat een (voorwaardelijke) rijontzegging in dit stadium geen toegevoegde waarde heeft, aangezien het rijbewijs van de verdachte reeds ongeldig is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersovertreding door als bestuurder van een personenauto bij een kruispunt linksaf te slaan zonder daarbij de vereiste voorzichtigheid te betrachten. Hierdoor heeft hij een voetganger, die een stuk hout van de weg raapte ter voorkoming van gevaar, niet tijdig opgemerkt en hem aangereden. De verdachte heeft aldus de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Dit gevaar heeft zich verwezenlijkt doordat de aangereden voetganger letsel heeft opgelopen, waaronder een hoofdwond. De verdachte heeft vervolgens, ondanks dat hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de voetganger letsel had opgelopen, de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken. Door zijn handelen heeft de verdachte zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een verkeersdeelnemer wordt verlangd.
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Op 27 december 2023 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 27 januari 2026. Bij de behandeling in hoger beroep is de redelijke termijn overschreden met een maand. Gelet op de op te leggen straffen (de geringe overschrijding van de redelijke termijn daargelaten) volstaat het hof met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 EVRM.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 7, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het hierboven onder 1 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Ten aanzien van het hierboven onder 2 bewezenverklaarde:
Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. J.J. Roos, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
Mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]