afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002705-22
datum uitspraak: 29 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 oktober 2022 in de strafzaak onder de parketnummers 15-179208-21 en 13-212863-20 (TUL) tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1996,
thans gedetineerd in [detentieadres] .
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2026 en 29 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
feit 1 primair: hij in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 februari 2021 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
feit 1 subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 februari 2021 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere breuken in het gezicht, althans het hoofd en /of een of meer hersenbloedingen, en/of bloedingen in het hoofd en/of een hersenkneuzing heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal, al dan niet met een hamer/moker, althans een hard en/of stomp voorwerp, tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam, van die [slachtoffer] te slaan en/of te schoppen;
feit 2: hij in of omstreeks de periode van 12 tot en met 13 februari 2021 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gereedschap (waaronder een boormachine) en/of een jas en/of een portemonnee en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door meermalen, althans eenmaal,
- al dan niet met een hamer/moker, althans een hard en/of stomp voorwerp, op/tegen/in het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam, van die [slachtoffer] te slaan/zwaaien en/of te schoppen/trappen en/of geweld uit te oefenen,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten een of meerdere breuken in het gezicht, althans het hoofd en/of een of meer hersenbloedingen, en/of bloedingen in het hoofd en/of een hersenkneuzing ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
3. Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
4. Bewijsoverwegingen
Inleiding
Op 13 februari 2021 rond 08.20 uur werd [slachtoffer] (hierna: de aangever) in het kantoor van de fietsenstalling aan het [adres] zwaargewond aangetroffen door een collega. De fietsenstalling bevindt zich in een zogenoemde portacabin. De aangever was daar werkzaam bij het leerwerkbedrijf [bedrijf] , dat de fietsenstalling beheert. Hij had op 12 februari 2021 rond 19.00 uur klaar moeten zijn met zijn werk, maar heeft de nacht aldaar liggend in een plas bloed doorgebracht. Gebleken is dat de aangever ernstig letsel heeft opgelopen. Uit onderzoek is gebleken dat gereedschappen (waaronder een boormachine), een jas van [bedrijf] en persoonlijke bezittingen van de aangever uit de werkplaats en het kantoor van de fietsenstalling zijn weggenomen. In de portacabin zijn een bolkophamer (op de tafel naast de aangever) en een tosti-ijzer (in de hal van de portacabin) aangetroffen met daarop bloed. Op de deurgreep van de gereedschapskast en de steel van de bolkophamer is DNA aangetroffen dat van de verdachte kan zijn.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft betoogd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in vereniging met een (onbekend gebleven) medeverdachte de aangever heeft aangevallen en de goederen heeft gestolen. Daartoe heeft zij – samengevat – het volgende aangevoerd.
De aangetroffen DNA-sporen van verdachte op de gereedschapskast en op de bolkophamer passen binnen het scenario dat de verdachte de hamer uit de kast heeft gepakt en als wapen tegen de aangever heeft gebruikt door daarmee op het hoofd van de aangever te slaan, waarmee de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft aanvaard. Dat niet valt uit te sluiten dat ook met het aangetroffen tosti-ijzer is geslagen, maakt het voorgaande niet anders. Het gepleegde geweld was bedoeld om de diefstal van de eerder genoemde weggenomen goederen gemakkelijker te maken. Hierdoor heeft de aangever zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Bij beide feiten heeft de verdachte in vereniging met de onbekend gebleven medeverdachte gehandeld.
Het voorgaande brengt de advocaat-generaal tot de conclusie dat sprake is van de eendaadse samenloop van het medeplegen van gekwalificeerde poging tot doodslag en diefstal met geweld.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
De DNA-sporen op de deurgreep van de gereedschapskast en de steel van de hamer betreffen mengprofielen met minimaal drie donoren; daarmee kan met een grote mate van waarschijnlijkheid worden vastgesteld dat de verdachte één van de donoren is geweest, maar niet dat hij met een grote mate van waarschijnlijkheid als dader moet worden aangemerkt. Daarnaast kan niet met de vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de hamer bij het tenlastegelegde is gebruikt; zo zat er maar beperkt bloed van de aangever op de hamer, welk bloed bovendien meer past bij een drupspat dan bij een impactpatroon. Het is daarentegen aannemelijk dat het tosti-ijzer is gebruikt voor de mishandeling van de aangever en daarop is geen DNA van de verdachte aangetroffen.
Zelfs als tot de vaststelling zou worden gekomen dat de bolkophamer bij het tenlastegelegde is gebruikt, dan kan nog steeds niet worden geconcludeerd dat de verdachte die hamer op de bewuste dag heeft gebruikt. Zoals eerder aangevoerd gaat het om een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren, te weten in ieder geval van de verdachte, de aangever en één onbekende. Die onbekende kan ook schuldig zijn aan het tenlastegelegde. Verder is er geen activiteitenonderzoek gedaan en is het onduidelijk wanneer en op welke wijze het mogelijke DNA van de verdachte daar is achtergelaten. Daarnaast komt het signalement van de verdachte niet overeen met het door de aangever gegeven signalement en dat is een sterke contra-indicatie voor zijn betrokkenheid. Overig sporenonderzoek heeft niets opgeleverd.
Tot slot is het de verdachte niet aan te rekenen dat hij niet meer met zekerheid kon verklaren hoe zijn DNA op de gereedschapskast en de hamer terecht is gekomen. Hij is pas later aangehouden en was niet goed bekend in Nederland, zodat het hem niet tegengeworpen kan worden dat hij niet meer weet of hij in Purmerend is geweest. Hij heeft in zijn verklaringen slechts mogelijkheden geopperd en heeft daarmee geen leugenachtige verklaringen afgelegd.
Overwegingen van het hof
Waargenomen letsel
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft onderzoek verricht naar het letsel van de aangever. Gebleken is dat sprake was van ernstig letsel aan de aangezichtsschedel, bloedingen binnen de hersenschedel en een hersenkneuzing. Meer in het bijzonder was sprake van breuken van de oogkassen, bovenkaak, neus, jukbeenderen en de penvormige uitsteeksels van de wiggebeenderen beiderzijds, een hersenkneuzing aan de rechter voorzijde, een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies aan de rechter voorzijde en bloed onder het spinnenwebvlies beiderzijds aan de achterzijde van het hoofd.
Deze letsels zijn veroorzaakt door zeer krachtige inwerking(en) van uitwendig stomp botsend mechanisch geweld, waarbij gedacht kan worden aan slaan, schoppen of stevig stomp botsend geweld anderszins. Er is minimaal sprake van één noodzakelijke geweldsinwerking om het letsel te kunnen verklaren.
DNA-onderzoek
Onderzoek van het NFI heeft aangetoond dat een DNA-mengprofiel is aangetroffen op de greep van de linkerdeur van de gereedschapskast in de werkplaats en een DNA-mengprofiel op de steel van de bolkophamer die op de tafel naast de aangever lag. De resultaten van het onderzoek aan de steel van de bolkophamer zijn meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker als het aangetroffen DNA afkomstig is van de verdachte, de aangever en minimaal één onbekende persoon, dan wanneer het spoor DNA bevat van de aangever en twee onbekende personen. Voor het DNA-mengprofiel op de greep van de linkerdeur van de gereedschapskast geldt hetzelfde. Vanwege de hoge bewijswaarde trekt het hof hieruit de conclusie dat zowel op de steel van de bolkophamer als op de gereedschapskast DNA van de verdachte is aangetroffen.
Bij het aantreffen van de bolkophamer zagen de verbalisanten dat de bolle kop bebloed was. In dit bloed is het DNA-profiel van één man aangetroffen. Het resultaat van het onderzoek is meer dan 1 miljard keer
waarschijnlijker als het bloed afkomstig is van de aangever dan wanneer het bloed afkomstig is van een willekeurige (niet aan de aangever verwante) persoon. Vanwege de hoge bewijswaarde trekt het hof de conclusie dat het bloed op de kop van de hamer afkomstig is van de aangever.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij nooit in Purmerend is geweest en dat hij niet wist hoe zijn DNA op de gereedschapskast en de steel van de hamer is gekomen.
Later heeft hij verklaard dat hij toch wel in Purmerend is geweest, namelijk op de dag dat hij werd vrijgelaten uit een eerdere detentie (31 januari 2021). Hij zou toen een overstap hebben gehad op het station in Purmerend en op zoek zijn gegaan naar gereedschap om een wieltje van zijn rolkoffer, dat kapot was gegaan, te repareren. Zodoende kan het zijn dat zijn DNA op de gereedschapskast en de hamer terecht zijn gekomen.
Ter terechtzitting bij de rechtbank is de verdachte geconfronteerd met het feit dat de fietsenstalling (en dus ook de portacabin) op de door hem eerdergenoemde datum van zijn reis na vrijlating uit detentie
gesloten was en dat voor de route die de verdachte heeft beschreven, geen overstapmogelijkheid in Purmerend is geweest. De verdachte heeft toen verklaard dat hij op een andere dag, kort na zijn vrijlating, in Purmerend is geweest om via een uitzendbureau werk te zoeken en dat hij toen zijn kapotte rolkoffer bij zich had.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer weet of hij in Purmerend is geweest.
Signalement van de daders
De aangever heeft een verklaring afgelegd over twee mannen die op 12 februari 2021 vlak voor sluitingstijd bij de portacabin stonden en de aangever aanspraken. Zij werden door de aangever beschreven als mannen met kortgeknipte, platte en een beetje Aziatische haren. Ze waren niet blank maar hadden een ‘Oeigoers’ uiterlijk, beetje Russische tint, en spraken niet goed Nederlands. Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet het hof hierin geen contra-indicatie voor het daderschap van de verdachte, nu de aangever kennelijk enkel heeft bedoeld het verschil aan te geven tussen personen met een West-Europees uiterlijk en een meer oosters, Russisch uiterlijk. Vaststaat dat de verdachte van Oost-Europese afkomst is. Hoewel de bewijswaarde van het opgegeven signalement zeer beperkt is, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte hierdoor in ieder geval niet als dader wordt uitgesloten. Dat de verdachte volgens de stelling van de raadsman toentertijd een halfjaar in Nederland was en in het geheel geen Nederlands sprak maakt dit niet anders, reeds omdat de beschrijving van de aangever betrekking had op de beide mannen gezamenlijk.
Tussenconclusie
Het hof trekt uit de omstandigheden dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de handgreep van de gereedschapskast in de werkplaats (een niet te verplaatsen object) en de steel van de hamer (die normaliter in die gereedschapskast lag), de conclusie dat de verdachte op de plaats delict is geweest, de gereedschapskast heeft geopend en daar de hamer uit heeft gepakt. Omdat op de kop van de hamer bloed van de aangever en op de steel DNA van de verdachte is aangetroffen, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte daarmee in ieder geval éénmaal op het hoofd/in het gezicht van de aangever heeft geslagen.
Van een andere, aannemelijke wijze waarop de van de verdachte afkomstige DNA-sporen op de gereedschapskast en de hamer terecht zijn gekomen, is – gelet op voornoemd sporenbeeld en de wisselende verklaringen van de verdachte hierover – niet gebleken.
Het hof overweegt dat gelet op de bewijsmiddelen niet met zekerheid is vast te stellen of de aangever meermalen met de bolkophamer op zijn hoofd/in zijn gezicht is geslagen en evenmin kan worden uitgesloten dat hij ook met het tosti-ijzer – waarop zijn bloed is aangetroffen – is geslagen, maar dat maakt de conclusie dat de aangever minstens éénmaal met die hamer op zijn hoofd/in zijn gezicht is geslagen door de verdachte niet anders.
Naar het oordeel van het hof was door het slaan met de hamer op het hoofd/in het gezicht sprake van een poging tot doodslag, nu algemeen bekend is dat met het slaan met een hamer op een dergelijk vitaal lichaamsdeel een aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer komt te overlijden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm kan het niet anders dan dat de verdachte deze kans met zijn handelen heeft aanvaard.
Diefstal
Uit de verklaring van de aangever en de camerabeelden is gebleken dat sprake was van twee mannen die gezamenlijk optrokken. Zij kwamen op 12 februari 2021 vlak voor sluitingstijd samen bij de portacabin, waren steeds in elkaars nabijheid en liepen samen in de richting van het treinstation van Purmerend. Ook hebben zij beiden goederen meegenomen uit de portacabin: op de beelden is te zien dat [slachtoffer] de plastic tas met goederen afkomstig uit de portacabin draagt (die later op de looproute is aangetroffen). NN2 droeg een veel te grote jas, die later eveneens op de door de verdachten gelopen route is aangetroffen. Dit bleek een [bedrijf] -jas te zijn. Dat (ook nader) DNA-onderzoek aan de jas en de tas geen resultaten heeft opgeleverd, maakt niet dat de verdachte kan worden uitgesloten.
De portemonnee en de mobiele telefoon van de aangever zijn niet op de looproute aangetroffen. Deze goederen bleek de aangever echter wel te missen nadat hij zwaar lichamelijk letsel had opgelopen. Ook is gebleken dat in het kantoor van de portacabin meerdere lades en een geldkistje waren geopend. Hieruit blijkt dat niet alleen gezocht werd naar gereedschap. Het hof acht daarom ook bewezen dat de portemonnee en de mobiele telefoon van de aangever door de verdachte en de medeverdachte zijn gestolen.
Medeplegen
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat er wat betreft de diefstal sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte om te kunnen spreken van medeplegen.
Dit is anders ten aanzien van de poging tot doodslag. Het hof kan niet met zekerheid vaststellen hoe vaak de aangever is geslagen, of hij naast de verdachte ook door de medeverdachte is geslagen en of de medeverdachte anderszins een aandeel heeft gehad in of wetenschap heeft gehad van het (mogelijk gebruik van) geweld. Hierdoor kan niet gesteld worden dat er ten aanzien van de poging tot doodslag en het in feit 2 tenlastegelegde geweld sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, dan wel een bijdrage van voldoende gewicht door de medeverdachte om van medeplegen te kunnen spreken.
Conclusie
Het hof overweegt dat de onder 1 tenlastegelegde ‘gekwalificeerde poging tot doodslag’ (met
uitzondering van het medeplegen) en de onder 2 tenlastegelegde diefstal in vereniging (met uitzondering van het geweld) wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verweren worden verworpen.
5. Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan. Indien het hof (mede) op basis van de aanwezigheid van bloedsporen op de hamer tot de conclusie komt dat de hamer bij het tenlastegelegde is gebruikt, dan verzoekt de verdediging om nader onderzoek te laten uitvoeren, bestaande uit een zogenoemd FIT-gesprek om te bezien of onderzocht kan worden (bijvoorbeeld op basis van aangetroffen bloeddruppels) of de hamer als slagwapen is gebruikt. Het hof wijst dit verzoek af, omdat het door de raadsman verzochte onderzoek, gelet op de onder 4.4. opgenomen overwegingen, niet noodzakelijk is.
6. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 1 primair: hij op 12 februari 2021 te Purmerend ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een hamer tegen het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
feit 2: hij op 12 februari 2021 te Purmerend tezamen en in vereniging een ander, gereedschap (waaronder een boormachine) en een jas en een portemonnee en een mobiele telefoon die aan [slachtoffer] of [bedrijf] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de voortgezette handeling van
poging tot doodslag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren
en
diefstal door twee of meer verenigde personen.
8. Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
9. Oplegging van straf
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.
Standpunten van de partijen
De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden.
De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.
Overwegingen van het hof
Inleiding
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer met een hamer tegen het gezicht of hoofd te slaan. Hiermee heeft de verdachte een uitzonderlijk grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat namelijk zeer fors letsel heeft opgelopen en voor zijn leven heeft moeten vrezen. Het had niet veel gescheeld of het slachtoffer was komen te overlijden. Dat het slachtoffer nog leeft is in ieder geval niet aan het handelen van de verdachte te danken, die het slachtoffer hulpeloos heeft achtergelaten. Het beeld dat het slachtoffer de hele nacht zwaargewond en in een plas bloed liggend op de grond heeft doorgebracht is schrijnend. Tot op de dag van vandaag is het leven van het slachtoffer ernstig beïnvloed door het feit, aangezien hij cognitief, visueel en lichamelijk ernstig achteruit is gegaan, niet meer zelfstandig kan leven en overal ondersteuning bij nodig heeft. Door toedoen van de verdachte is het slachtoffer veranderd van een zelfstandige man die veel voldoening haalde uit zijn werk en activiteiten binnen zijn kerk, naar een hulpbehoevende, kwetsbare man die nu – zo blijkt uit de slachtofferverklaring opgesteld door zijn broer – een ‘heel klein, beperkt en treurig’ leven leidt. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen het leven van het slachtoffer, maar ook van zijn familieleden volledig op de kop gezet. Dat het feit is gepleegd met het kennelijke doel om enkele goederen van beperkte waarde weg te nemen, waarvan een groot deel op de looproute is achtergelaten, maakt de zinloosheid van het feit des te schrijnender. Daarnaast veroorzaken zulke gewelddadige feiten bij de samenleving een enorme schok en gevoelens van onveiligheid. Deze omstandigheden, in combinatie met het feit dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft getoond voor zijn handelen, rekent het hof de verdachte zeer zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met een Nederlands uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 juni 2026 en een Lets uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld in Frankrijk, Nederland en Letland voor vermogensdelicten, geweldsdelicten en een combinatie daarvan, waarvoor hij al meerdere (soms maandenlange) gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee. Hiernaast is het hof niet gebleken van persoonlijke omstandigheden om in het voordeel van de verdachte mee te wegen.
Overschrijding van de redelijke termijn
Gelet op de ernst van de feiten en de recidive acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden. Het hof houdt echter wel rekening met de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 14 oktober 2022 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 29 juli 2026 uitspraak, waardoor de redelijke termijn van 16 maanden met ruim 29 maanden is overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 1 jaar te verminderen.
Conclusie
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
10. Vordering van de benadeelde partij
Omvang van de vordering
Inleiding
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 241.189,23 en bestaat uit € 6.456,23 aan materiële schade en € 234.733,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 129.864,28. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, maar heeft ter terechtzitting in hoger beroep een aantal posten niet langer gehandhaafd (zoals hieronder weergegeven).
Vordering ten aanzien van materiële schade
De gestelde materiële schade bestaat uit:
€ 713,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding van 23 dagen;
€ 1.152,00 aan revalidatiedaggeldvergoeding van 72 dagen;
€ 385,00 aan eigen risico van 2021;
een bedrag aan eigen risico van 2022, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
€ 48,90 aan eenmalige kosten bijzonder vervoer;
€ 91,75 aan variabele kosten bijzonder vervoer;
een bedrag voor kosten van een huurauto, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
€ 190,04 aan tandartskosten;
€ 489,00 aan aanschafkosten vervangende telefoon;
€ 14,95 aan aanschafkosten telefoonhoesje;
een bedrag aan aanschafkosten voor een leesbril en vertebril, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
een bedrag aan aanschafkosten voor een rollator, deze schadepost wordt in hoger beroep niet gehandhaafd;
€ 120,99 aan aanschafkosten voor een douchestoel, bijbehorende antislipmat en wandbeugel;
€ 84,95 aan aanschafkosten voor een toiletstoel;
€ 50,90 aan aanschafkosten voor een medicatiekluis;
€ 37,50 aan behandelkosten voor een pedicure;
€ 456,00 aan eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp tussen 6 december 2021 en 10 december 2023;
€ 2.228,00 aan toekomstige eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp, geschat op basis van 10 jaren;
€ 393,25 aan kosten voor medische advisering (te weten € 635,25, waarvan € 242,00 aan subsidie vanaf is getrokken).
Vordering ten aanzien van immateriële schade
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij niet meer zelfstandig thuis kan wonen en veel ondersteuning nodig heeft. Hij ontvangt viermaal per dag thuiszorg en huishoudelijke hulp. Gelet op de letsels en rekening houdend met de bedragen in de Rotterdamse Schaal (hierna: RS), acht de benadeelde partij het gevorderde smartengeld redelijk.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – in het geval van een bewezenverklaring – ten aanzien van de materiële schade betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat het schadebedrag gematigd moet worden ten aanzien van de posten:
onder i en j, aangezien onbekend is wat de dagwaarde was van de vorige telefoon en bijbehorend hoesje van de benadeelde partij;
onder r voor zover dat ziet op de nog niet gemaakte kosten, omdat op basis van de medische informatie niet is vast te stellen of alle hulp ook in de komende vier jaar nog nodig zal zijn.
Voor het overige heeft de verdediging de materiële schadeposten niet betwist.
De verdediging heeft – in het geval van een bewezenverklaring – ten aanzien van de immateriële schade primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, omdat de situatie vóór en na het tenlastegelegde onduidelijk is, de medische eindtoestand nog niet duidelijk is en de uiteindelijke hoogte van de immateriële schade in een letselschadeprocedure moet worden vastgesteld. Subsidiair is verzocht om op basis van categorie 2.1 van de RS uit te gaan van een bedrag van € 150.000,00.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van de materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde materiële schade heeft geleden.
Ten aanzien van de posten i en j, die door de verdediging gemotiveerd zijn betwist, overweegt het hof dat bewezen is verklaard dat de telefoon van de verdachte is gestolen en dat aannemelijk is dat daar een hoesje bij heeft gehoord. Omdat niet bekend is wat de dagwaarde van de weggenomen telefoon en het hoesje ten tijde van het wegnemen daarvan was, zal het hof gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid en de waarde van de telefoon, respectievelijk hoesje schatten op een bedrag van € 150,00 en € 5,00, zodat de vordering ten aanzien van posten i en j tot die bedragen zal worden toegewezen. Voor het overige is de verdachte niet tot vergoeding van de aanschafkosten gehouden, zodat de vordering ten aanzien van posten i en j voor het overige zal worden afgewezen.
Ten aanzien van post r, die door de verdediging gemotiveerd is betwist, overweegt het hof dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde huishoudelijke hulp nodig heeft, waarvoor hij een eigen bijdrage dient te betalen. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken is gebleken dat de benadeelde partij tot op heden huishoudelijke hulp krijgt en dat voldoende aannemelijk is dat hij deze hulp de komende jaren onverminderd nodig zal hebben. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat dit gedeelte van de vordering voldoende is onderbouwd en de schadepost onder r volledig zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de overige gevorderde posten ter vergoeding van materiële schade overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij deze schade als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks heeft geleden, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stellingen van de benadeelde partij, die door de verdediging niet zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, wordt dan ook geheel toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Niet ter discussie staat immers dat de benadeelde partij als gevolg van het feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en daarmee op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, en daarnaast, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het hof gaat concreet uit van de RS en heeft acht geslagen op de Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW (rechtspraak.nl). Aangezien er bij de benadeelde partij sprake is van meervoudig letsel, wordt conform voornoemde Aanbeveling 5 eerst uitgegaan van het zwaarste letsel, dat volledig meetelt, waarna het in ernst tweede letsel voor 50% meetelt.
Als zwaarste letsel neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij lijdt aan hersenletsel, waarbij hij achteruit is gegaan in cognitieve beperkingen, continue zorg nodig heeft, zijn zicht is aangetast en er sprake is van een persoonlijkheidsverandering. Dit valt in de RS als middelzwaar hersenletsel onder paragraaf 2.1 (c) onder I, waarin een bandbreedte van € 105.000 tot € 150.000 wordt genoemd. Er zijn daarnaast ook elementen aan te wijzen die vallen onder ernstig hersenletsel genoemd in paragraaf 2.1 (b), te weten dat de benadeelde partij sterk afhankelijk is van anderen en sprake is van een duidelijke aantasting in het intellect en persoonlijkheid. In deze categorie wordt een bandbreedte van € 150.000 tot € 195.000 genoemd. Omdat bij de benadeelde partij sprake is van elementen uit beide categorieën, zal het hof hiervan het gemiddelde nemen en de schade naar billijkheid bepalen op € 172.500,00.
Als tweede letsel in ernst neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij een Le Fort-fractuur heeft opgelopen met dislocatie en breuken in de orbitabodem (oogkassen), die onder algehele anesthesie gerepositioneerd, intern gefixeerd en met een implantaat gereconstrueerd moesten worden. Hierin ziet het hof aanleiding om, gelet op het bepaalde in paragraaf 9.1 (a) van de RS, een bedrag van € 25.000,00 als uitgangspunt te nemen.
Tot slot ziet het hof aanleiding om, in lijn met Aanbeveling 3, vanwege de uiterst verwijtbare gedragingen van de verdachte aanleiding om een opslag van 25% toe te passen.
Het voorgaande resulteert in een bedrag van € 231.250,00.
Nu daarnaast bij de benadeelde sprake is van diverse andere letsels, acht het hof het gehele door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 234.733,00 billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot vergoeding van immateriële schade geheel zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 56, 63, 288 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 september 2020 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de verdediging hebben elk verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.
Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, aangezien de vordering in een andere onherroepelijke zaak (met parketnummer 13-212863-20) al geheel is toegewezen.
13. BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 240.840,28 (tweehonderdveertigduizend achthonderdveertig euro en achtentwintig cent) bestaande uit € 6.107,28 (zesduizend honderdzeven euro en achtentwintig cent) materiële schade en € 234.733,00 (tweehonderdvierendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 240.840,28 (tweehonderdveertigduizend achthonderdveertig euro en achtentwintig cent) bestaande uit € 6.107,28 (zesduizend honderdzeven euro en achtentwintig cent) materiële schade en € 234.733,00 (tweehonderdvierendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
en van de immateriële schade op 12 februari 2021.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 27 september 2021, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 september 2020, parketnummer 13-212863-20, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 20 uren.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. M.T.C. de Vries en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 juli 2026.
Mr. Van der Werff is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
[…]