Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in de in eerste aanleg en hoger beroep toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode 1 januari 2021 tot en met 10 april 2023 te Amstelveen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door
- die [slachtoffer 1] veelvuldig, althans meerdere malen bedreigende en/of eisende en/of beledigende (Whatsapp en/of SMS) berichten te sturen en/of
- die [slachtoffer 1] veelvuldig, althans meerdere malen te bellen en/of
- die [slachtoffer 1] veelvuldig, althans meerdere malen te e-mailen en/of
- een of meerdere briefje(s) in en/of rondom de woning van die [slachtoffer 1] achter te laten en/of
- eenmaal of meerdere malen een of meerdere afluisterapparatu(u)r(en), in elk geval een technisch hulpmiddel, in de woning van die [slachtoffer 1] te plaatsen en/of via de afluisterapparatuur, in elk geval via een technisch hulpmiddel, (in haar woning) af te luisteren en/of
- veelvuldig, althans meerdere malen die [slachtoffer 1] en/of de kinderen, genaamd [slachtoffer 2] (geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011) en/of [slachtoffer 3] (geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2016) op openbare plaatsen aan te spreken, in elk geval die [slachtoffer 1] en/of de kinderen op 8 april 2023 aan te spreken, met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het hof, gelet op de gewijzigde tenlastelegging, tot een bewezenverklaring komt met een andere aanvangsdatum dan waarvan de rechtbank is uitgegaan.
Bewijsoverweging
Volgens de advocaat-generaal kan het ten laste gelegde voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 10 april 2023 worden bewezen, nu de (veelvuldige) beledigende en denigrerende berichten, het achterlaten van briefjes in en rond de woning, tezamen met het plaatsen van afluisterapparatuur, moeten worden aangemerkt als wederrechtelijk handelen dat een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster opleverde.
De raadsman heeft, aan de hand van zijn pleitnota, vrijspraak bepleit en daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat geen sprake was van belaging, nu niet kan worden gesproken van stelselmatig en opzettelijk ongewenst lastigvallen dan wel indringen in de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. De verdachte en aangeefster waren verwikkeld in een (vecht)scheiding en hebben samen kinderen, in welk kader het contact plaatsvond. Zij stuurden elkaar over en weer berichten en ook de aangeefster initieerde vaak het contact. De door de verdachte verzonden berichten kunnen zonder nadere duiding niet als wederrechtelijk worden aangemerkt. Hoewel sprake is geweest van escalaties en een onaangename toon, kan dit, gelet op het voorgaande, niet leiden tot de conclusie dat sprake is geweest van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Verder heeft de verdachte betwist dat hij de aangeefster heeft afgeluisterd. Het zwarte kastje was alleen geschikt als technisch hulpmiddel om ‘live’ te luisteren en de USB-stick was een voice memo recorder die niet op afstand kon worden uitgelezen. Volgens de verdachte gaat het in beide gevallen om hulpmiddelen die zich al in de woning bevonden en is er geen bewijs dat hij daar daadwerkelijk mee heeft afgeluisterd.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden en sluit in grote lijnen aan bij de bewijsmotivering van de rechtbank.
In de tenlastegelegde periode hebben de verdachte en aangeefster elkaar over en weer duizenden berichten gestuurd. Hoewel ook aangeefster dus veel berichten heeft verzonden, verschillen deze in aard wezenlijk van die van de verdachte. Waar de berichten van de verdachte veelal denigrerend en dwingend van toon zijn, hebben de berichten van aangeefster hoofdzakelijk betrekking op de omgang met de kinderen en de afwikkeling van de scheiding. Voor zover de verdachte heeft gesteld dat aangeefster meer berichten aan hem heeft gestuurd dan hij aan haar, doet dit dan ook niet ter zake, nu het in deze zaak gaat om het (zeer) beledigende en dwingende karakter van de berichten die hij aan haar heeft gestuurd.
Uit het berichtenverkeer blijkt ook dat aangeefster de verdachte herhaaldelijk heeft verzocht te stoppen met het sturen van berichten en daarbij heeft aangegeven dat zij zich door hem lastiggevallen voelde. Voor de verdachte had duidelijk moeten zijn dat zijn gedrag ongewenst was. Dat aangeefster niettemin contact met de verdachte bleef onderhouden, acht het hof verklaarbaar gelet op het gegeven dat zij en de verdachte samen kinderen hebben.
Door het veelvuldig sturen van eisende en beledigende berichten, terwijl de verdachte wist dat contact onvermijdelijk was vanwege de omgang met de kinderen, heeft hij aangeefster feitelijk gedwongen hierop te reageren. Ook heeft hij aangeefster gedwongen een ‘speurtocht’ af te leggen door haar van briefje naar briefje te laten zoeken naar de huissleutel. Ten slotte heeft aangeefster tweemaal afluisterapparatuur in haar woning aangetroffen. Hoewel niet kan worden bewezen dat de verdachte haar daarmee daadwerkelijk heeft afgeluisterd, staat wel vast dat de verdachte door het plaatsen van die apparatuur (eventueel door deze in de woning achter te laten) de aangeefster vrees heeft aangejaagd.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen van de verdachte, in samenhang bezien met de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de ingrijpende invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, sprake is geweest van een stelselmatige opzettelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.
In tegenstelling tot de rechtbank acht het hof tevens bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ‘e-mailen’ zoals opgenomen onder het derde gedachtestreepje van de tenlastelegging. Voor de overige ten laste gelegde gedragingen, te weten het bellen (tweede gedachtestreepje) en het aanspreken van aangeefster en de kinderen op een openbare plaats (zesde gedachtestreepje), acht het hof, evenals de rechtbank, onvoldoende bewijs aanwezig. De verdachte zal van deze onderdelen worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode 1 januari 2021 tot en met 10 april 2023 te Amstelveen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door
- die [slachtoffer 1] bedreigende en/of eisende en/of beledigende Whatsapp berichten te sturen, en
- die [slachtoffer 1] te e-mailen, en
- meerdere briefjes in en/of rondom de woning van die [slachtoffer 1] achter te laten, en
- afluisterapparatuur in de woning van die [slachtoffer 1] te plaatsen,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
belaging.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en daarnaast als maatregel een contact- en locatieverbod die dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met dien verstande dat de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren wordt opgelegd.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen (subsidiaire) opmerkingen gemaakt ten aanzien van de strafoplegging.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-partner. Deze stalking bestond uit het sturen van dwingende en (zeer) beledigende berichten, het plaatsen van afluisterapparatuur en het achterlaten van briefjes die haar dwongen om door een soort speurtocht naar de huissleutel te zoeken. Aangeefster heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring duidelijk gemaakt welke impact dit gedrag op haar heeft gehad, en nog altijd heeft. Niet alleen heeft de stalking haar leven gedurende een lange tijd beheerst, ook riep de stalking veel angst bij haar op. De aanhoudende en dwingende wijze waarop de verdachte het contact met de aangeefster, dat noodzakelijk was vanwege de kinderen, misbruikte om aangeefster te belagen, acht het hof zeer ingrijpend. De verdachte ging keer op keer voorbij aan wat zijn intimiderende gedrag voor de aangeefster betekende, ondanks dat zij hem herhaaldelijk uitdrukkelijk heeft gevraagd daarmee te stoppen.
Gelet op de ernst en duur van de belaging, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is en dat hier in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Voor de bepaling van de duur daarvan en met het oog op een eventueel voorwaardelijk deel overweegt het hof als volgt.
Uit de in deze zaak, ten behoeve van de behandeling in eerste aanleg, opgemaakte Pro Justitia- en reclasseringsrapporten volgt - kort gezegd - dat de verdachte destijds weinig zelfinzicht toonde, weinig verantwoordelijkheid nam voor zijn gedragingen en zichzelf in een slachtofferrol plaatste. In die rapporten werd tevens melding gemaakt van zorgelijk alcohol- en cocaïnegebruik. Voorts bleek uit de rapportages dat bij de verdachte onder meer ADHD was vastgesteld en dat hij zijn middelengebruik bagatelliseerde.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij inmiddels aanzienlijke stappen heeft gezet. Hij heeft begeleiding gezocht, woont momenteel beschermd en is actief met zichzelf aan de slag gegaan. De verdachte heeft erkend dat sprake is van een verslaving en heeft toegelicht dat hij zich inzet om hiervan af te komen en terugval te voorkomen. De verdachte heeft ook passend verwoord dat hij volstrekt anders jegens aangeefster had moeten handelen. Deze ontwikkeling is ter terechtzitting bevestigd en nader toegelicht door de persoonlijk begeleider van de verdachte.
Het hof overweegt dat uit de eerdere rapportages een zorgelijk beeld naar voren komt, maar dat de verdachte ter terechtzitting heeft laten zien dat hij bereid en in staat is tot zelfreflectie en dat hij zijn situatie daadwerkelijk wil verbeteren. Het hof acht deze ontwikkeling positief en ziet daarin een stap richting een betere toekomst voor de verdachte zelf. Dat de verdachte ter terechtzitting zijn verhaal heeft gedaan en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, weegt het hof in het voordeel van de verdachte mee.
Gelet hierop acht het hof het niet passend dat het zorgkader wordt doorkruist en dat de verdachte opnieuw terugkeert naar de gevangenis. Het hof zal daarom volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijk deel niet langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Wel zal het hof, in navolging van de rechtbank, een stevig voorwaardelijk deel aan straf opleggen. Dit dient enerzijds om de verdachte te stimuleren de ingezette weg van gedragsverbetering voort te zetten, en anderzijds als duidelijke stok achter de deur om herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden.
38v-maatregel
Het hof zal, conform de eis van de advocaat-generaal, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten in de richting van de aangeefster, de maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel houdt in dat de verdachte voor de duur van twee (2) jaren geen direct of indirect contact mag hebben met de aangeefster en de gezamenlijke kinderen van de aangeefster en de verdachte, te weten: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
De enige uitzondering op het contactverbod met de kinderen geldt zoals bepaald of nog zal worden bepaald in beschikking(en) van de kinderrechter.
Daarnaast mag de verdachte zich gedurende dezelfde periode niet ophouden binnen een straal van 100 meter van het adres van de aangeefster, te weten: [adres 2] .
Om de maatregel kracht bij te zetten geldt dat iedere overtreding door de verdachte wordt gesanctioneerd met vervangende hechtenis van zeven (7) dagen, met een maximum van zes (6) maanden.
Het hof verklaart deze maatregel dadelijk uitvoerbaar, aangezien – mede gelet op de schriftelijke slachtofferverklaringen – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte zich opnieuw belastend jegens de aangeefster zou kunnen gedragen, gelet op artikel 38v, vierde lid.
Volledigheidshalve merkt het hof op dat de advocaat-generaal een duur van vijf jaren heeft geëist voor de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. Gelet op het feit dat deze maatregel reeds van kracht is sinds het wijzen van het eerdere vonnis, is het in deze zaak juridisch niet mogelijk de maatregel voor vijf jaren op te leggen. Om die reden legt het hof de maatregel op voor een termijn van twee jaren.
Beslissingen omtrent in beslag genomen voorwerpen
Blijkens een lijst van 10 oktober 2023 is er in deze strafzaak een aantal voorwerpen in beslag genomen, maar nog niet teruggegeven. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat met betrekking tot het beslag dezelfde beslissingen worden genomen als de rechtbank heeft gedaan.
De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over het beslag. Wel heeft de verdachte ter terechtzitting ten overstaan van advocaat-generaal afstand gedaan van de losse simkaart (goednummer 6278860). Gelet op die afstandsverklaring hoeft het hof ten aanzien van dit goed geen beslissing meer te nemen.
De goederen waarover nog een beslissing genomen moet worden, zijn:
- kaartlezer (goednummer 6278862)
- USB-stick (memorykaart) (goednummer 6276169)
- Apple telefoon zwart (goednummer 6327048).
Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierboven genoemde items, die aan de verdachte toebehoren. Om die reden zullen de goederen worden verbeurd verklaard. Daarbij heeft het hof gelet op verdachtes draagkracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren:
- zich niet zal ophouden binnen een straal van 100 meter van het adres: [adres 2] ;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met
o [slachtoffer 1] geboren op [geboortedag 4] 1978,
o [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011, en
o [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016,
met betrekking tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met uitzondering van wat is en eventueel nog zal worden bepaald in beschikking(en) van de kinderrechter.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- kaartlezer (goednummer 6278862)
- USB-stick (memorykaart) (goednummer 6276169)
- Apple telefoon zwart (goednummer 6327048).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. B.A.A. Postma en mr. J.J. Roos, in tegenwoordigheid van mrs. Z. Hoshmand en L.A.H. van Wieren, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2026.
mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]