GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/977
18 mei 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
tegen de uitspraak van 13 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/6864 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is over het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.934. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 313 belastingrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is over het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 16.353. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 66 belastingrente in rekening gebracht.
Het door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft als volgt op het beroep beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt de inspecteur aangeduid als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.901 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
vermindert de navorderingsaanslag Zvw tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 11.176 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
draagt verweerder op de in rekening te brengen belastingrente opnieuw te berekenen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van nihil;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan [belanghebbende] te vergoeden.”
De inspecteur heeft daartegen hoger beroep bij het Hof ingesteld. Na telefonisch contact met belanghebbende heeft de griffier van het Hof een kopie van de uitspraak van de rechtbank, een kopie van het hoger beroepschrift en een kopie van de motivering daarvan op 9 december 2025 per aangetekende post aan belanghebbende verzonden. Zij is daarbij uitgenodigd om een verweerschrift in te dienen. De aangetekende zending (met traceercode [#] ) naar het adres van belanghebbende ( [adres] te [plaats] ) is aldaar bezorgd op 10 december om 9:08 uur en voor de ontvangst is getekend. Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende heeft in het jaar 2020 in opdracht van [bedrijf 1] B.V./ [naam bedrijf 1] (hierna ook: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] (hierna ook: [bedrijf 2] ) dagbladen bezorgd bij abonnees in gebieden binnen en buiten de bebouwde kom van steden en dorpen in Noord-Holland. Zij moest daarvoor dagelijks grote afstanden afleggen en dat deed zij met haar auto.
Belanghebbende kon een kilometervergoeding declareren. Het aantal gedeclareerde kilometers werd elektronisch gecontroleerd door middel van een app op de mobiele telefoon van belanghebbende waarmee [bedrijf 1] en [bedrijf 2] konden nagaan welk traject belanghebbende tijdens werkzaamheden aflegde.
In verband daarmee heeft belanghebbende in haar aangifte een bedrag van € 1.044 aan telefoonkosten in aftrek gebracht op haar resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur heeft dit bedrag niet in aftrek geaccepteerd.
Op de zitting bij de rechtbank hebben partijen hierover als volgt verklaard (in het proces-verbaal wordt belanghebbende aangeduid als ‘E’, de inspecteur als ‘V’ of ‘V1’ en de rechter als ‘R’):
“E: (…) Een telefoon: een deel daarvan is aftrekbaar.
V: (…) telefoonkosten zijn nogal extreem dan moetje bijna hele dagen de telefoon gebruiken. Hoeveel moetje wel niet bellen, en past dat bij de functie van krantenbezorger? (…)E: De telefoon moetje aanhebben. Via de app kunnen ze je in de gaten houden om te kijken of je wel het rondje maakt datje zou moeten maken. Hij staat constant aan, dus je gebruikt veel internet en internet is duur. Zes dagen in de week staat hij constant aan. Ik heb ook een duurder abonnement moeten nemen, zodat ik er niet overheen ga. R: Dus u zegt: u moest getrackt worden en daarom moest u een duurder abonnement nemen?E: Ja. V: Dat geeft wat meer inzicht.E: [bedrijf 1] heeft nu zelf een telefoon aangeschaft, maar eerst was het voor eigen rekening.R: Zou dat voor het subsidiaire standpunt een verschil maken?
V: Ja.VI: € 1.000 per jaar is niet nodig voor internet. Bij Hollandsnieuwe krijg je 10.000 MB voor € 9 per maand.
E: Ik zit in buitengebieden waar je 0 of nauwelijks bereik hebt.”
In hoger beroep heeft de inspecteur een schermprint van Vodafone Start overgelegd (hierna: de schermprint). Hierop zijn kosten van abonnementen en kosten van extra opties, zoals het toevoegen van extra databundels aan een abonnement, opgenomen.
3. Geschil in hoger beroep
In geschil is welk bedrag aan kosten voor ‘telefoon/ internet’ in aftrek mag worden gebracht van de inkomsten die belanghebbende als dagbladbezorger heeft genoten.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar uitspraak – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen (belanghebbende is in die uitspraak aangeduid als eiseres):
“Aftrek van kosten
14. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat zij in buitengebieden kranten bezorgt per auto, omdat daarvoor grote afstanden moeten worden afgelegd en de abonnees bezwaarlijk op andere wijze kunnen worden bediend. De aldus afgelegde zakelijke kilometers werden gedeclareerd bij haar opdrachtgevers die door middel van een app op de mobiele telefoon van eiseres konden nagaan welk traject eiseres tijdens werkzaamheden aflegde. Om controle met de hiervoor vermelde app door haar opdrachtgevers mogelijk te maken, moest zij tijdens haar werkzaamheden steeds internet op haar telefoon hebben. Tijdens de zitting stelde de inspecteur dat er goedkopere abonnementen voor internet/telefoon zijn, en dat de opgevoerde kosten daarom moeten worden gematigd. Eiseres bracht daar tegenin dat goedkopere abonnementen in buitengebieden geen dekking bieden en dat zij om die reden wel moest kiezen voor een duurdere aanbieder. De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de opgevoerde kosten voor internet/telefoon een zakelijk karakter hebben. Dat de omvang van die kosten moet worden gematigd omdat er goedkopere alternatieven zouden zijn, is niet aannemelijk geworden.
(…)
18. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen moet het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiseres over 2020 als volgt worden vastgesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige arbeid € 993
Inkomsten uit vroegere arbeid “ 7.732
Opbrengsten uit werkzaamheden (3.808+ 13.867) “ 17.675
Af: telefoon/internet “ -/- 1.044
Af: reiskosten (28.712 km á € 0,19) “ -/- 5.455 +
Totaal € 19.901
19. De navorderingsaanslag Zvw 2020 is berekend naar een bijdrage-inkomen (het bedrag van de inkomsten uit overige werkzaamheden) van € 16.353. Hierboven zijn de inkomsten uit overige werkzaamheden door de rechtbank vastgesteld op (17.675 -/- 1.044 -/- 5.455 =) € 11.176. De navorderingsaanslag Zvw 2020 moet dan ook dienovereenkomstig worden verlaagd.
Conclusie
20. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. Dat heeft gevolgen voor de in rekening gebrachte belastingrente; omdat het belastbaar inkomen uit werk en woning en het bijdrage-inkomen voor de Zvw op lagere bedragen zijn vastgesteld, moet ook de belastingrente dienovereenkomstig verminderd worden.
Proceskosten
21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten en begroot die op een bedrag van nihil. Daarnaast moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.”
5. Beoordeling van het geschil
In hoger beroep gaat het uitsluitend om het antwoord op de vraag welk bedrag aan kosten voor ‘telefoon / internet’ in aftrek komt.
De inspecteur vindt de aftrek van deze kosten op zichzelf wel zakelijk, maar wijst erop dat belanghebbende geen enkel inzicht heeft gegeven in de omvang van de door haar gemaakte kosten. Daarom komen wat de inspecteur betreft geen kosten in aftrek (primair standpunt), of anders ten hoogste een bedrag van € 240, corresponderend met een abonnement van € 20 per maand (subsidiair standpunt).
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op aftrek van een bedrag van € 1.044 aan gemaakte kosten. Ze kreeg geen telefoon van haar opdrachtgevers en had dus zelf een telefoon nodig met een duur abonnement vanwege de goede dekking en veel data. Op de zitting bij het Hof heeft belanghebbende gezegd dat zij over twee telefoons beschikte en dat de totale kosten van die twee telefoons € 211 per maand, dat is € 105,50 per telefoon per maand waren (in totaal € 1.266 per jaar voor één telefoon).
Het Hof stelt voorop dat de bewijslast voor de aftrek van kosten op de belastingplichtige rust. In het geval van resultaat uit overige werkzaamheden dient de belastingplichtige aannemelijk te maken dat bepaalde kosten zijn gemaakt en dat deze met het oog op de belangen van de werkzaamheid zijn gemaakt. Indien de belastingplichtige daarin slaagt, komt hem in beginsel aftrek van (al) die gemaakte kosten toe (tenzij het beloop van de kosten zo hoog is dat geen redelijk denkend resultaatsgenieter op deze wijze zou handelen, vgl. Hoge Raad 9 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8960 en Hof 3 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3674).
Belanghebbende beschikt niet over stukken, zoals facturen of rekeningafschriften, waaruit het bestaan en de omvang van de geclaimde kosten blijkt. Belanghebbende heeft ook nog eens verschillende bedragen genoemd (namelijk € 1.044, respectievelijk € 1.266) zodat temeer onduidelijk is wat de werkelijke kosten in het jaar 2020 waren. Belanghebbende heeft ook niet kunnen verhelderen welk van de abonnementen zij in het jaar 2020 voor de zakelijk gebruikte telefoon had en heeft niet specifiek gereageerd op de door de inspecteur overgelegde schermprint (zie 2.5). De aftrek van kosten zou aan belanghebbende kunnen worden geweigerd, omdat zij (het bestaan en het bedrag van) haar daadwerkelijk gemaakte kosten niet aannemelijk heeft gemaakt. De inspecteur heeft echter wel erkend dat belanghebbende telefoon-/ internetkosten moet hebben gemaakt en dat dit met het oog op haar werkzaamheden is geweest. Met de inspecteur acht het Hof het bestaan van en de zakelijke aard van de kosten daarmee op zich aannemelijk. Het is echter wel ongewis gebleven welk bedrag met de kosten gepaard is gegaan. Gelet op de hoogte van de kosten van alleen al de basisabonnementen die zijn vermeld op de schermprint, zal het werkelijk gemaakte bedrag aan kosten hoger zijn dan € 240 en lager dan € 1.044. Het Hof bepaalt de aftrekbare kosten alles in aanmerking nemend in goede justitie op € 500.
Slotsom
Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond, omdat een kleiner deel van de door de rechtbank toegelaten kosten (namelijk € 500 in plaats van € 1.044) in aftrek komt op belanghebbendes inkomen. Dat betekent dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 moet worden vastgesteld op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.445 (€ 19.901 + € 544) en de navorderingsaanslag Zvw 2020 op een bijdrage-inkomen van € 11.720 (€ 11.176 + € 544). De beschikkingen belastingrente dienen overeenkomstig te worden berekend.
6. Kosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, H.E. Kostense en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 18 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.