ECLI:NL:GHAMS:2026:2133

ECLI:NL:GHAMS:2026:2133

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 11-06-2026
Datum publicatie 03-08-2026
Zaaknummer 25/1345
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

IB/PVV. Restant PGA (jaar van aftrek); (kosten van) beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar; ingebrekestelling; IMSV.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1345

11 juni 2026

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: V.A.L. van Oostrum),

tegen de uitspraak van 27 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24/5658 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.293. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 181 belastingrente in rekening gebracht. Belanghebbende heeft tegen de aanslag en beschikking op 28 maart 2023 bezwaar gemaakt.

Namens belanghebbende is de inspecteur bij brief van 8 augustus 2024 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.

Namens belanghebbende is op 1 september 2024 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.

Bij uitspraak op bezwaar van 5 september 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 11 september 2024 heeft de inspecteur beslist geen dwangsom toe te kennen.

In de bestreden uitspraak van 27 maart 2025 heeft de rechtbank als volgt op het beroep van belanghebbende beslist:

“De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op het niet tijdig nemen van de uitspraak op bezwaar; en

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.”

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Voor het belastingjaar 2018 is een restant persoonsgebonden aftrek (PGA) vastgesteld van € 12.850. Deze vaststelling is opgenomen op de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018.

2. In het belastingjaar 2019 heeft eiseres geen inkomen genoten.

3. In het belastingjaar 2020 heeft eiseres een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking ontvangen van € 14.194. Eiseres heeft bij het doen van aangifte IB/PVV voor dit jaar niet het restant PGA in aanmerking genomen.

4. Eiseres heeft voor het jaar 2021 een voorlopige aangifte IB/PVV ingediend waarin zij een restant PGA van € 13.100 heeft aangegeven. Met dagtekening 5 augustus 2022 heeft de inspecteur conform die aangifte een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd. Deze voorlopige aanslag betreft een te ontvangen bedrag van € 6.106, bestaande uit een bedrag van € 6.054 aan belastingteruggave en een bedrag van € 52 aan vergoede belastingrente.

5. Eiseres heeft in de definitieve aangifte IB/PVV 2021 een bedrag van € 13.100 als restant PGA aangegeven.

6. Op 14 februari 2023 is de definitieve aanslag IB/PVV 2021 aan eiseres opgelegd. Verweerder heeft in deze aanslag de aftrek van het restant PGA geweigerd en de aangifte IB/PVV 2021 gecorrigeerd met een bedrag van € 13.100. Dit heeft geleid tot een door eiseres te betalen bedrag van € 6.284, bestaande uit te betalen IB/PVV van € 6.103 en € 181 aan belastingrente.

7. Op 28 maart 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2021 en op 3 april 2023 heeft zij een aanvullend bezwaarschrift ingediend.

8. Op 12 juni 2024 heeft verweerder contact met eiseres opgenomen over de behandeling van het bezwaar.

9. Met dagtekening 3 juli 2024 heeft verweerder een voorgenomen beslissing op bezwaar verstuurd waarin hij kenbaar maakt dat hij voornemens is om het bezwaar af te wijzen.

10. In de maanden juni en juli 2024 is diverse malen, per e-mail en telefonisch, over het bezwaar gecorrespondeerd door verweerder en (de toenmalige gemachtigde van) eiseres.

11. Met dagtekening 5 augustus 2024 heeft verweerder een herzien voornemen voor de uitspraak op bezwaar naar eiseres verstuurd, waarin hij nog steeds voornemens is het bezwaar af te wijzen.

12. Op 8 augustus 2024 heeft (de huidige gemachtigde van) eiseres een bericht gestuurd om verweerder in gebreke te stellen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Verweerder heeft deze ingebrekestelling op 12 augustus 2024 ontvangen.

13. Verweerder heeft op 15 augustus 2024 een e-mail gezonden aan eiseres voor het plannen van een hoorgesprek. Daaropvolgend heeft diverse correspondentie plaatsgevonden tussen verweerder en eiseres, over onder meer (het inplannen van) het hoorgesprek. Ook heeft eiseres op 27 augustus 2024 een aanvullend bezwaarschrift ingediend, waarop op 28 augustus 2024 per e-mail door verweerder is gereageerd.

14. Op 29 augustus 2024 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Een verslag van dat gesprek is op 30 augustus 2024 aan eiseres verzonden.

15. Met dagtekening 1 september 2024 heeft eiseres beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 28 maart 2023.

16. Met dagtekening 5 september 2024 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.

17. Met dagtekening 11 september 2024 heeft verweerder een dwangsombesluit genomen wegens de ingebrekestelling. Verweerder heeft daarin beslist dat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen waardoor geen recht bestaat op een dwangsom.

18. Met dagtekening 13 september 2024 heeft verweerder eiseres een brief vermindering IB/PVV 2020 gestuurd waarin het bedrag van de aanslag op nihil is vastgesteld. In deze brief staat – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“(…)

Persoonsgebonden aftrek

De te verrekenen persoonsgebonden aftrek uit voorgaande jaren is € 12.850. De nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek is € 0.

(…)”

19. Met dagtekening 20 oktober 2024 heeft eiseres een geschrift gestuurd aan de rechtbank met het onderwerp ‘6:20 Awb beroepschrift / HAA 24/05658’.”

Het Hof zal ook uitgaan van de hiervoor vermelde feiten.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de rechtbank haar oordeel inzake de niet-ontvankelijkheid inzake het beroep niet tijdig beslissen, mocht verenigen met het door haar gegeven inhoudelijke oordeel inzake het restant PGA.

Tevens is in geschil of de inspecteur de aftrek restant PGA ten onrechte heeft gecorrigeerd en voorts of het verzoek om toekenning van een dwangsom ten onrechte is afgewezen. Ten slotte is in geschil of de rechtbank aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn had moeten toekennen.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen en beslist:

Beroep niet tijdig beslissen

22. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

23. Artikel 6:12, tweede lid, onderdeel b, van de Awb bepaalt dat het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld kan worden wanneer twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb bepaalt dat het voornoemde beroep niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

24. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar mede geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 5 september 2024. Voorts is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, gelet op artikel 4:19 van de Awb, mede gericht tegen de dwangsombeschikking van 11 september 2024. De rechtbank merkt het op 20 oktober 2024 ontvangen geschrift daarom aan als een aanvulling van het eerder ingestelde beroep.

25. Eiseres heeft op 28 maart 2023 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op 12 augustus 2024 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Eiseres kon vervolgens na verloop van twee weken beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Eiseres is eerst op 1 september 2024 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. In zoverre is voldaan aan de eisen van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

26. Verweerder erkent dat de beslistermijn door hem is overschreden. Tussen partijen bestaat geen discussie dat de beslistermijn – na verdaging van die termijn – eindigde op 20 juni 2022 [het Hof verstaat: 2023]. Verweerder verzoekt echter het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, dan wel omdat zich misbruik van procesrecht voordoet. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

27. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij de Awb is ingevoerd, is over de voorloper van artikel 6:12 van de Awb – voor zover thans relevant – het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 132):

“Aan dit artikel ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het niet nodig en ook niet erg redelijk is om de rechtzoekende slechts gedurende een betrekkelijk korte periode (bij voorbeeld zes weken) de gelegenheid te geven een rechtsmiddel aan te wenden tegen het uitblijven van een beslissing welke door het bestuur genomen behoort te worden. Wanneer het bestuur nalatig blijft tijdig te besluiten, moet de rechtzoekende wel de mogelijkheid hebben een rechtsmiddel aan te wenden, maar er is geen goede reden hem te verplichten zulks binnen de termijn te doen. Verkiest de rechtzoekende nog te wachten in de hoop of het vertrouwen dat – zij het tardief – het bestuur nog zal besluiten, dan dient de wet hem deze keuze mogelijk te maken. Waar (nog) geen behoefte gevoeld wordt aan het aanwenden van een rechtsmiddel, dient de wet niet tot het instellen van beroep of het indienen van een bezwaarschrift te prikkelen.

(…) Omdat het noch gewenst noch nodig is de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het uitblijven van een beslissing oneindig te doen zijn, schrijft het derde lid voor dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het onredelijk laat is ingesteld. Deze regel biedt daarmee tevens een afdoende waarborg tegen eventueel misbruik van procesrecht.”

Voorts is opgemerkt (Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr. 5 (MvA), blz. 90):

“2 173. De term «onredelijk laat» in het derde lid van artikel 6.2.6 beoogt te voorkomen dat een bezwaar of beroep nog ontvankelijk is nadat de belanghebbende zolang heeft stilgezeten dat eenieder erop mocht vertrouwen dat hij van beroep zou afzien. Zonder deze bepaling zou de termijn voor bezwaar en beroep tegen het niet beslissen op een aanvraag geen einde nemen. Wanneer gezegd kan worden dat het bezwaar of beroep onredelijk laat is, zal van de omstandigheden afhangen. Het zal echter niet vlug worden aangenomen: men kan de belanghebbende in het algemeen niet verwijten dat hij stilzit omdat hij erop vertrouwt dat het bestuur nog wel zal voldoen aan zijn verplichting een besluit te nemen.

Het vorenstaande geldt uiteraard ook voor de fiscale procedures. (…)

2 174. Het opnemen van een vaste maximumtermijn zou onzes inziens onvoldoende recht doen aan de diversiteit in de gevallen waarvoor de onderhavige regeling een rol kan spelen, om welke reden wij van oordeel zijn dat opneming daarvan geen aanbeveling verdient.”

28. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1365, geoordeeld dat de beantwoording van de vraag of een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, onredelijk laat is ingediend, afhankelijk is van de omstandigheden waarop mede licht kan worden geworpen door de uitleg die de indiener van het beroepschrift geeft omtrent de oorzaak van de late indiening van het beroepschrift.

29. De rechtbank oordeelt dat het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar niet onredelijk laat is ingediend. Uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis en rechtspraak maakt de rechtbank op dat enige terughoudendheid moet worden betracht bij de beoordeling of een beroep wegens niet tijdig beslissen onredelijk laat is ingediend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de voornoemde wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad eveneens volgt dat – kort gezegd – de vraag of een belastingplichtige onredelijk laat beroep indient moet worden beoordeeld naar alle omstandigheden van het geval. De rechtbank rekent daartoe ook het contact dat sinds juni 2024 heeft plaatsgehad tussen verweerder en eiseres. Gelet op dit contact, kan niet worden aangenomen dat op het moment dat het beroep werd ingesteld (1 september 2024) eiseres zo lang had stilgezeten dat eenieder erop mocht vertrouwen dat eiseres van beroep wegens niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar zou afzien (vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nr. 5 (MvA), blz. 90, punt 2 173). De rechtbank is daarom van oordeel dat voor eiseres – ondanks dat zij heeft stilgezeten totdat de behandeling van het bezwaar in juni 2024 weer in beweging kwam – wel nog de mogelijkheid van beroep ex artikel 6:12 van de Awb toekomt.

30. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van misbruik van procesrecht. Uit de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de bevoegdheid om bij de belastingrechter beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt (vgl. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129). Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij de belastingrechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig wanneer rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Een patroon van handelen, als vaste werkwijze, kan dus opleveren dat misbruik van procesrecht wordt vastgesteld. Ook het ontbreken van een aanvaardbare verklaring voor een gekozen handelwijze kan duiden op misbruik van procesrecht(HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1173).

31. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden zich niet de zwaarwichtige gronden voordoen die zijn vereist om het beroep wegens misbruik van procesrecht niet-ontvankelijk te verklaren. Wel zal de rechtbank hetgeen verweerder in dit verband ter zitting naar voren heeft gebracht meewegen in de vraag of aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten (zie onder 50.).

32. De rechtbank gaat vervolgens over tot een beoordeling van het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende de beroepsprocedure uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Daarmee is het procesbelang aan de procedure wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar komen te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep om die reden alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Dwangsom

33. Aan het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar kan gevolg worden gegeven op de voet van paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht, in welke paragraaf onder meer is bepaald dat het bestuursorgaan, in dit geval verweerder, bij het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar een dwangsom verbeurt. Daarvoor is onder meer vereist dat het bestuursorgaan door eiseres in gebreke is gesteld. Deze ingebrekestelling is door verweerder ontvangen op 12 augustus 2024. Hierbij is niet in geschil dat de uitspraak op bezwaar buiten de wettelijke termijn is genomen. Evenmin is in geschil dat verweerder niet binnen de termijn van twee weken na de ingebrekestelling de uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Verweerder stelt zich wel op het standpunt dat eiseres hem onredelijk laat in gebreke heeft gesteld, dan wel dat zich misbruik van procesrecht voordoet. Voor wat betreft het onredelijk laat in gebreke stellen overweegt de rechtbank als volgt.

34. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, blz. 5 en 13) is – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:

“De eerste uitzondering op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term ‘onredelijk’ zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, hij zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht na hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. (…) Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”

35. Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3293, r.o. 4.2) overwogen dat bij de vraag of een dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan.

35. De rechtbank stelt vast onder verwijzing naar overweging 26. hierboven dat de beslistermijn eindigde op 20 juni 2023. Het tijdsverloop van 20 juni 2023 tot het moment waarop eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld op 12 augustus 2024, is bijna veertien maanden. Dat is aanzienlijk langer dan het in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb vermelde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres, door bijna veertien maanden te wachten, terwijl geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden die een dergelijke lange termijn rechtvaardigen, verweerder onredelijk laat in gebreke heeft gesteld. Dat vanaf 12 juni 2024 overleg tussen eiseres en verweerder heeft plaatsgevonden, brengt geen verandering in dit oordeel van de rechtbank. Dat contact neemt immers niet weg dat tussen het moment waarop de beslistermijn eindigde en het moment waarop het contact tussen eiseres en verweerder werd hervat bijna een jaar was gelegen, waarin geen lopend overleg tussen eiseres en verweerder heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft desgevraagd geen afdoende verklaring gegeven waarom zij niet eerder na het eindigen van de beslistermijn verweerder in gebreke heeft gesteld. De omstandigheid dat eiseres begin augustus 2024 van gemachtigde is gewisseld, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat de eerdere gemachtigde het bezwaar heeft laten stilliggen en haar niet heeft gewezen op de mogelijkheid van een dwangsom, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bijzondere omstandigheid voor het uitblijven van een ingebrekestelling. Van een gegronde reden voor het late moment van in gebreke stellen is derhalve niet gebleken. Eiseres heeft dan ook niet zo snel als mogelijk na het verstrijken van de beslistermijn een ingebrekestelling gestuurd. Verweerder is dus onredelijk laat in gebreke gesteld waardoor eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen recht heeft op een dwangsom. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Restant persoonsgebonden aftrek

36. Niet in geschil is dat eiseres in 2018 een restant PGA heeft opgebouwd van € 12.850 en dat dit bedrag in 2019 niet verrekend kon worden.

37. Evenmin is in geschil dat eiseres in het jaar 2020 een inkomen uit dienstbetrekking heeft genoten van € 14.194, waardoor het mogelijk was om het restant PGA van € 12.850 hiermee (volledig) te verrekenen.

38. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij het restant PGA in de aangifte IB/PVV 2021 in aftrek mocht brengen. Volgens eiseres verplicht de regeling van artikel 6.1, eerste lid, onder b, van de Wet IB haar niet om het restant PGA in aftrek te brengen in het eerst na 2018 volgende kalenderjaar waarin zij inkomsten heeft, maar kan zij zelf kiezen in welk volgend kalenderjaar zij het restant PGA in aftrek brengt. Zij kiest daarom voor een aftrek in het kalenderjaar 2021. Verweerder stelt dat het restant PGA verplicht in het kalenderjaar 2020 in aftrek moest worden gebracht, aangezien eiseres in 2020 voldoende inkomsten had om de aftrek in aanmerking te nemen en er geen keuzemogelijkheid bestaat. Verweerder voert hierbij aan dat als in een bepaald jaar een restant PGA niet in aftrek gebracht kan worden, dit in het eerstvolgende kalenderjaar moet gebeuren.

39. Volgens artikel 6.1, eerste lid, onder b, van de Wet IB, behoort tot de PGA in enig jaar het gedeelte van de PGA van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is genomen. In de Memorie van Toelichting bij de regeling van PGA (Kamerstukken II 2000-2001, 27 466, nr. 3 (MvT Veegwet Wet IB 2001), blz. 70), staat – voor zover relevant – het volgende weergegeven:

“In artikel 6.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt beschreven op welke wijze de persoonsgebonden aftrek in aanmerking wordt genomen. De persoonsgebonden aftrek kan eerst het inkomen uit werk en woning (box 1), vervolgens het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) en ten slotte het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) doen verminderen. Deze vermindering kan echter niet verder plaatsvinden dan tot nihil. Deze omstandigheid kan tot gevolg hebben dat een gedeelte van de persoonsgebonden aftrek in het desbetreffende jaar niet in aanmerking wordt genomen. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt deze niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek in een volgend kalenderjaar als persoonsgebonden aftrek van dat kalenderjaar.”

40. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat een keuzemogelijkheid zou bestaan om het restant PGA toe te rekenen aan een ander kalenderjaar dan het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de (restant) PGA niet in aanmerking kon worden genomen. Niet in de wetstekst, noch in de wetsgeschiedenis vindt de rechtbank steun voor een dergelijke keuzemogelijkheid. Integendeel, ziet de rechtbank in de systematiek van de regeling van artikel 6.2 van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van de Wet IB 2001 aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke keuzemogelijkheid niet bestaat. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de bovenstaande geciteerde passage een systematiek volgt waarbij de PGA verplicht wordt toegerekend – eerst aan de boxen, en daarna aan een volgend kalenderjaar. Daarop sluit aan dat het restant PGA eerst in aanmerking wordt genomen in een volgend kalenderjaar. Pas als er in dat jaar geen (voldoende) inkomsten zijn, resteert een PGA dat in aanmerking kan worden genomen in een daaropvolgend kalenderjaar.

41. In eiseres’ geval kan de PGA in aanmerking worden genomen in 2020, toen zij voldoende inkomen uit dienstbetrekking genoot om het restant PGA mee te verrekenen. Omdat het volledige restant PGA in 2020 kon worden verrekend – en dit ook is gebeurd (zie onder 18.) –, oordeelt de rechtbank dat eiseres geen restant PGA in aanmerking kon nemen in 2021. Verweerder heeft daarom terecht het door eiseres verrekende restant PGA in 2021 gecorrigeerd en de aanslag IB/PVV 2021 tot een juist bedrag vastgesteld. Het beroep van eiseres is in zoverre ongegrond.

Belastingrente

42. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het geschil over de belastingrente.

43. Niet in geschil is dat de in rekening gebrachte belastingrente in overeenstemming met de wettelijke bepalingen is berekend. Tussen partijen is wel in geschil over welke periode belastingrente verschuldigd is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte over de periode van 1 juli 2022 tot en met 5 augustus 2022 belastingrente heeft berekend terwijl het te betalen bedrag van de aanslag volgens haar nog op de rekening van verweerder stond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres over de periode 1 juli 2022 tot en met 5 augustus 2022 op grond van artikel 30fa van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (Awr) rente heeft ontvangen en dat deze vergoede belastingrente derhalve de te betalen belastingrente over deze periode compenseert.

44. Ter zake van eiseres’ standpunt dat het bedrag van belasting reeds op de bankrekening van verweerder stond en toch belastingrente is geïnd, overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat bij het opleggen van de voorlopige aanslag IB/PVV 2021 door verweerder tevens een beschikking vergoede belastingrente van € 52 is vastgesteld. Uit het dossier en hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard, volgt dat verweerder de vergoede belastingrente op de voet van artikel 30fa van de Awr heeft berekend vanaf 1 juli 2022 tot 6 weken na de voorlopige aanslag van 5 augustus 2022. Eiseres heeft ter zitting de vergoeding van deze belastingrente niet weersproken. Vervolgens is bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2021 belastingrente in rekening gebracht over – onder andere – de periode 1 juli tot en met 5 augustus 2022. De rechtbank overweegt, gelet op het bovenstaande, dat bij de voorlopige aanslag van 5 augustus 2022 op grond van artikel 30fa van de Awr belastingrente is vergoed, waarna bij het opleggen van de definitieve aanslag van 14 februari 2021 belastingrente in rekening is gebracht over (onder andere) dezelfde periode. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat effectief geen belastingrente is betaald over de periode 1 juli tot en met 5 augustus 2022. Daardoor is geen sprake is van te veel betaalde belastingrente. De rechtbank oordeelt daarom dat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

Vergoeding van immateriële schade

45. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

46. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

47. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift is ontvangen op 28 maart 2023. Op het moment van de uitspraak van de rechtbank op 27 maart 2025 zijn er geen twee jaren verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. Nu ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden oordeelt de rechtbank dat geen is van vergoeding van immateriële schade.

Slotsom

48. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover zij is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten en griffierecht

49. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht. Zij overweegt daartoe als volgt.

50. Hoewel in een geval als hier – wanneer na het instellen van beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar alsnog een besluit wordt genomen – de rechter in de regel gebruik maakt van zijn bevoegdheid het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten die redelijkerwijs moesten worden gemaakt voor het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (zie HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504), ziet de rechtbank in de voorliggende zaak aanleiding om daarvan af te wijken. Verweerder heeft op 5 augustus 2024 zijn herziene voorgenomen beslissing op bezwaar kenbaar gemaakt. Uit de processtukken volgt dat verweerder en (de gemachtigde van) eiseres vervolgens veelvuldig en voortvarend contact hebben gehad, onder meer over het inplannen van een hoorgesprek. Uit deze correspondentie blijkt naar het oordeel van de rechtbank een welwillende houding van verweerder om het bezwaar op korte termijn af te handelen. Zo heeft verweerder meermaals diverse data aangeboden om op korte termijn een hoorgesprek te houden. Dit hoorgesprek heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2024. Vervolgens heeft verweerder eiseres kort daarna – op 30 augustus 2024 – het hoorverslag toegestuurd en in gelegenheid gesteld om daarop uiterlijk 4 september 2024 te reageren. Uit het verslag blijkt niet dat op bepaalde punten een nieuw overleg nodig was, of nadere stukken zouden worden verzocht. Eiseres heeft vervolgens (overigens voordat op dat verslag is gereageerd) op 1 september 2024 beroep wegens niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingesteld. Verweerder heeft daarna op 5 september 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Hoewel eiseres aldus terecht beroep wegens het niet tijdig beslissen heeft ingesteld, is het de rechtbank niet duidelijk geworden waarom eiseres zich in dit stadium van de bezwaarprocedure, onder het op dat moment met verweerder gevoerde contact, is overgegaan tot het instellen van beroep om een uitspraak op bezwaar te verkrijgen. Onder de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordeling in de kosten die eiseres voor dat beroep wegens niet tijdig beslissen heeft moeten maken (artikel 8:75 van de Awb).

51. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten, aangezien het beroep voor zover zij is gericht tegen het alsnog genomen besluit, ongegrond wordt verklaard.

52. De beslissing omtrent de vergoeding van het griffierecht hangt af van de beslissing over de alsnog genomen reële uitspraak op bezwaar (zie HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:2004:AR3504). Omdat de rechtbank het beroep tegen de alsnog genomen uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard, zal geen griffierecht worden vergoed.”

5. Beoordeling van het geschil

Standpunten partijen

5.1.1. Belanghebbende stelt dat het er alle schijn van heeft dat de rechtbank op 28 maart 2025 uitspraak heeft gedaan ondanks de dagtekening van die uitspraak op 27 maart 2025. Volgens belanghebbende is ook niet de datum waarop (beweerdelijk) door de rechtbank is besloten relevant, maar de datum waarop de uitspraak bekend is gemaakt. Uitgaande van 28 maart 2025 is de redelijke termijn voor het doen van uitspraak overschreden en heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade.

5.1.2. Volgens belanghebbende is het beroep niet tijdig beslissen door de rechtbank wegens ontbreken van procesbelang ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; belanghebbende had namelijk nog wel een procesbelang zoals blijkt uit de inhoudelijke behandeling door de rechtbank van de dwangsombeschikking.

5.1.3 Belanghebbende stelt dat zij de inspecteur niet onredelijk laat in gebreke heeft gesteld en, gegeven het uitblijven daarna van een tijdige beslissing door de inspecteur, de inspecteur een dwangsom verbeurt.

5.1.4. Evenals in bezwaar en beroep huldigt belanghebbende het standpunt dat zij in het onderhavige jaar recht heeft op aftrek van het restant PGA en dat de inspecteur niet bevoegd was om dit te corrigeren ten einde het restant in een ander jaar (2020) in aftrek te brengen. Belanghebbende werd hiermee voor duizenden euro’s benadeeld aangezien haar belastbare inkomen in 2020 veel lager was dan in 2021. Belanghebbende meent dat de wet niet verplicht het restant PGA in het eerstvolgende jaar in aftrek te brengen; aftrek is daarom mogelijk in het jaar naar keuze van de belanghebbende. En als het restant PGA in het eerstvolgende jaar al in aftrek moet komen, dan was dat volgens belanghebbende 2019 en niet 2020.

5.1.5. Belanghebbende neemt het standpunt in dat haar ten onrechte een vergoeding voor proceskosten van 0,5 punt conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) wegens het beroep niet tijdig beslissen is onthouden evenals een vergoeding van het griffierecht. Belanghebbende kon niet weten dat 5 september 2024, derhalve kort na het instellen van het beroep op 1 september, uitspraak op bezwaar zou worden gedaan; belanghebbende kan daarom niet verweten worden op die datum beroep te hebben ingesteld.

5.2.1. De inspecteur betwist het standpunt van belanghebbende dat de datum waarop de uitspraak aan partijen wordt bekendgemaakt leidend zou zijn voor het vaststellen of de redelijke termijn voor het berechten van het geschil is overschreden. Volgens de inspecteur zijn er geen omstandigheden die aanleiding geven tot twijfel over de datum van de uitspraak.

5.2.2. De inspecteur wijst erop dat op grond van vaste jurisprudentie het procesbelang aan een beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar, komt te ontvallen, als hangende de beroepsprocedure uitspraak op bezwaar is gedaan. Daarom heeft de rechtbank in dit geval het beroep niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.2.3. Voor de vraag of een ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend is naar de mening van de inspecteur van belang wat tussen belanghebbende en het bestuursorgaan heeft plaatsgevonden nadat de beslistermijn is overschreden. De inspecteur wijst er in dat verband op dat tussen 29 maart 2023 en 20 juni 2024 belanghebbende geen enkele keer contact heeft gezocht over het uitblijven van een beslissing en er vanaf 20 juni 2024 wel intensief contact is geweest, waarbij een voornemen uitspraak op bezwaar zowel met de belanghebbende als de gemachtigde is besproken. Naar aanleiding daarvan is een gewijzigd voornemen toegezonden en het was volgens de inspecteur toen duidelijk dat een uitspraak op bezwaar niet lang meer op zich zou laten wachten. Volgens de inspecteur is hij dan ook onredelijk laat in gebreke gesteld. Dat belanghebbende begin augustus 2024 is gewisseld van gemachtigde is volgens de inspecteur geen bijzondere omstandigheid die een ingebrekestelling in dit geval rechtvaardigt.

5.2.4. Ten aanzien van het restant PGA huldigt de inspecteur het standpunt dat het restant PGA het eerstvolgende jaar in mindering komt op het inkomen. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op de Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 70, waarin is aangegeven dat op grond van artikel 6.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 een niet in aanmerking genomen PGA in een volgend kalenderjaar geldt als PGA van dat kalenderjaar. Een keuzemogelijkheid is volgens de inspecteur dan ook niet te lezen in de wet, noch in de wetsgeschiedenis.

5.2.5. De inspecteur weerspreekt de stelling van belanghebbende dat de rechtbank ongemotiveerd geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend en wijst daartoe op onderdeel 50 van de uitspraak. De inspecteur onderschrijft de daarin opgenomen motivering waarom geen proceskosten zijn toegekend.

Oordeel Hof

5.3.1. Het Hof vindt geen aanleiding voor twijfel omtrent de datum waarop door de rechtbank uitspraak is gedaan. Anders dan belanghebbende meent, is die datum leidend voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn voor het berechten van het geschil is overschreden (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.3.2). Daarvan uitgaande heeft de rechtbank in de onderdelen 45 tot en met 47 van haar uitspraak terecht overwogen dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade aangezien bij het doen van uitspraak nog geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.

5.3.2. In onderdeel 32 van haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat gegeven de inmiddels door de inspecteur gedane uitspraak op bezwaar, procesbelang ontbreekt bij het door belanghebbende ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank dat beroep (in onderdeel 48 van haar uitspraak) dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard aangezien belanghebbende geen belang meer had bij een oordeel over het niet tijdig beslissen. Immers het beroep kon voor de belanghebbende in die zin niet leiden tot een gunstiger resultaat.

Tevens heeft de rechtbank het beroep terecht in behandeling genomen als mede betrekking hebbende op de inmiddels gedane uitspraak op bezwaar op grond van het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb, alsmede ten aanzien van de dwangsombeschikking (vgl. artikel 4:19 Awb en HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1)

5.3.3. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. De vraag of daarvan sprake is moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. In de onderdelen 33 tot met 35 van haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat belanghebbende de inspecteur onredelijk laat in gebreke heeft gesteld, en de inspecteur om die reden geen dwangsom verbeurt. Het Hof acht dat oordeel juist alsmede de gronden die daaraan ten grondslag liggen en neemt deze over. Uit de door de rechtbank in de onderdelen 7 tot en met 12 van haar uitspraak vermelde feiten en omstandigheden volgt dat er vanaf 3 april 2023 tot 12 juni 2024 geen contact was tussen partijen maar dat contact vanaf die laatstgenoemde datum – intensief – werd opgepakt. Het was echter belanghebbende die in die periode om uitstel vroeg en daarna meldde dat zij een nieuwe gemachtigde had. Belanghebbende had uit de toen gewisselde stukken – in het bijzonder de voorgenomen beslissing op bezwaar van 5 augustus 2024 – kunnen begrijpen dat een uitspraak op bezwaar aanstaande was. Daarom was er te minder reden om op 12 augustus 2024 de inspecteur in gebreke te stellen. Gelet op het lange stilzitten door belanghebbende en de vertraging die in de discussie daarna aan haar valt toe te rekenen, is de ingebrekestelling, ook naar het oordeel van het Hof, onredelijk laat ingediend. Dit betekent dat de inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom terecht heeft afgewezen.

5.3.4. Dat het restant PGA in mindering komt op het eerstvolgende jaar waarin dit mogelijk is, volgt uit de door de rechtbank en de inspecteur geciteerde wetsgeschiedenis. Ook op andere plaatsen in de wetsgeschiedenis volgt deze bedoeling van de wetgever (MvT, Kamerstukken II 1998/99, nr. 3, 26 727, p 250 en 251 en MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 3, p 78):

Artikel 6.1.1 Persoonsgebonden aftrek

(…)

De persoonsgebonden aftrek bestaat allereerst uit de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten. Het bedrag van de persoonsgebonden aftrekposten van het kalenderjaar wordt vervolgens verhoogd met het bedrag van de persoonsgebonden aftrekposten dat in de jaren voorafgaand aan het kalenderjaar niet in aanmerking kon worden genomen. Het laatstgenoemde bedrag is

het deel van de persoonsgebonden aftrekposten dat in voorafgaande jaren niet verrekenbaar bleek met het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit sparen en beleggen en het inkomen uit aanmerkelijk belang.

(…)

Artikel 6.1.2 In aanmerking nemen persoonsgebonden aftrek

(…)

Voorzover de in artikel 6.1.2 voorgeschreven volgorde van verminderen ertoe leidt dat de persoonsgebonden aftrek niet geheel in het kalenderjaar kan worden vergolden, wordt het restant volgens de regels van artikel 6.1.1, eerste lid, onderdeel b, gerekend tot de persoonsgebonden aftrek van het volgende kalenderjaar.”

en

“Een eventueel restant aan persoonsgebonden aftrekposten, het gedeelte van de persoonsgebonden aftrek van voorafgaande jaren dat niet eerder in aanmerking is

genomen, wordt gerekend tot de persoonsgebonden aftrek van het volgende kalenderjaar.”

Het andersluidende standpunt van belanghebbende inhoudende dat zij niet verplicht is het restant PGA in het eerstvolgende jaar in mindering te brengen maar in een willekeurig later jaar naar haar eigen keuze, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

5.3.5. Het Hof overweegt dat belanghebbendes beroep ten aanzien van de dwangsombeschikking en het restant PGA weliswaar door de rechtbank inhoudelijk zijn behandeld, maar dit niet heeft geleid tot een gegrond beroep. Niettemin ligt het in de rede dat, in een geval zoals het onderhavige waarin onbestreden is dat de inspecteur niet tijdig op het bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan, de rechter in de regel gebruik maakt van zijn bevoegdheid de inspecteur te veroordelen in de kosten van het beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar (HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504). Dit is alleen anders indien bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht aan die vergoeding in de weg staan (vgl. HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106).

In het voorliggende geval acht het Hof gegeven de overwegingen in 5.3.3 dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig die in de weg staan aan het vergoeden van de kosten van het bij de rechtbank ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen door de inspecteur.

Deze omstandigheden komen er op neer dat belanghebbende beroep heeft ingesteld, terwijl de inspecteur het contact juist weer had opgepakt, kenbaar maakte dat en hoe hij voornemens was te gaan beslissen en het juist belanghebbende was die de beslissing verder vertraagde. Het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen, was op dat moment evident onnodig. Gelet op deze omstandigheden acht het Hof het maken van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand voor het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen niet redelijk (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o. 4.6). Op grond daarvan kon de rechtbank tot het oordeel komen dat geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding en vergoeding van griffierecht.

5.3.6. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep bedoeld heeft op te komen tegen de beschikking belastingrente, acht het Hof het daarop gegeven oordeel van de rechtbank juist alsmede de gronden waarop het berust. In hoger beroep is niets gesteld dat leidt tot een ander oordeel.

Slotsom

5.3.7. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, H.E. Kostense en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 11 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026080601 V-N Vandaag 2026/1625 FutD 2026-1423 NLF 2026/1618 NDFR Nieuws 2026/1247 NTFR 2026/1487 met annotatie van dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand