GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
Zaaknummer gerechtshof: 200.331.239/01
Zaaknummer rechtbank: 9384134 EL 21-32
arrest van 4 augustus 2026
in de zaak van
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna aan te duiden als Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer in Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
wonende in [plaats 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonende in [plaats 2] ,
geïntimeerden,
hierna – in mannelijk enkelvoud – aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard in Rotterdam.
1. De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 11 mei 2023.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met producties.
Dexia heeft in hoger beroep als productie een memorandum overgelegd. Het hof stelt vast dat deze productie geen bewijsstuk of productie is in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder b van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar een uitgebreid processtuk, met een uitvoerige toelichting op de standpunten van Dexia, onder verwijzing naar tal van bijlagen die bij deze productie zijn gevoegd. Voor het indienen van een dergelijk processtuk, naast de memorie die de grieven en de standpunten van Dexia bevat, bestaat geen ruimte. Op dit processtuk wordt daarom geen acht geslagen. Het hof laat daarom ook de reactie op het memorandum buiten beschouwing.
Dexia is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de producties die bij memorie van antwoord zijn overgelegd. De akte van Dexia is echter geweigerd, omdat deze verder strekte dan was toegestaan. Niet blijkt dat Dexia daarna heeft verzocht haar akte te mogen aanpassen.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De kern van de zaak
Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten (hierna: leaseovereenkomsten), tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerden] via een tussenpersoon ( [bedrijf] ; hierna te noemen: [bedrijf] ). Aan de orde is onder meer de vraag of [geïntimeerden] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist dan wel behoorde te weten, moet Dexia de volledige schade van [geïntimeerden] vergoeden.
Dexia heeft gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de leaseovereenkomsten aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [geïntimeerden] verschuldigd is.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan [geïntimeerden] verschuldigd is, nadat is overgegaan tot uitbetaling van de schadevergoeding als onder rov. 4.19 van het bestreden vonnis weergegeven, Dexia veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.
4. De beoordeling
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
Het hof verwijst voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan naar wat hiervoor is overwogen en het bestreden vonnis. Deze weergave in het vonnis is in hoger beroep niet bestreden.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Dexia in haar appel, althans haar vorderingen af te wijzen.
Verjaring
Het beroep van Dexia op verjaring van de vorderingen van [geïntimeerden] gaat niet op. De vordering van [geïntimeerden] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Een dergelijke vordering verjaart na verloop van vijf jaar vanaf het moment waarop [geïntimeerden] daadwerkelijk bekend was geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW), in dit geval na beëindiging van de overeenkomsten. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt.
[geïntimeerden] heeft Dexia een (eerste) sommatiebrief gestuurd, binnen vijf jaar na de beëindiging van de effectenleaseovereenkomsten. In die sommatiebrief heeft [geïntimeerden] zich onder meer beroepen op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en heeft [geïntimeerden] Dexia gesommeerd om alle door [geïntimeerden] onder de effectenleaseovereenkomsten betaalde bedragen terug te betalen. Voor Dexia was het daarom duidelijk (althans had het duidelijk moeten zijn) dat [geïntimeerden] hiermee beoogde de verjaring te stuiten van de vordering tot vergoeding van schade die [geïntimeerden] op grond van de effectenleaseovereenkomsten had geleden.
De leaseovereenkomsten zijn op 16 februari 2005 geëindigd en de WCAM-procedure heeft de verjaring van de vorderingen van [geïntimeerden] gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Vervolgens zijn steeds binnen een termijn van vijf jaar door de gemachtigde van [geïntimeerden] meerdere stuitingsbrieven aan Dexia gezonden.
Gelet op de WCAM-procedure en de verwijten die in het verzoekschrift d.d. 18 november 2005 waren opgenomen, was het voor Dexia voldoende duidelijk welke verwijten haar werden gemaakt ten aanzien van de door haar aangeboden leaseovereenkomsten (het schenden van de vergunningsplicht door tussenpersonen wordt daar genoemd). Daarmee was het voor Dexia duidelijk welke feiten aanleiding gaven tot het instellen van de vorderingen en op welke juridische grondslagen die vorderingen werden gebaseerd. Gelet op deze context voldeden de brieven aan de vereisten die artikel 3:317 lid 1 BW aan een geldige stuiting stelt. Dit betekent dat met genoemde brieven de verjaring van de vordering van [geïntimeerden] steeds tijdig is gestuit, gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar die op grond van artikel 3:310 lid 1 BW geldt.
Juridisch kader
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zoals onder meer uiteengezet in het arrest van 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:885, rov. 3.2.1 en verder), brengt de enkele omstandigheid dat Dexia in strijd met artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) – dan wel het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een leaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl Dexia wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten (HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935).
De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) nader uiteengezet wanneer sprake is van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon. Dit is het geval indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke leaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
(i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer,
(ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, en,
(iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en Dexia dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat:
( i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen,
(ii) de tussenpersoon zich presenteerde als deskundige op het gebied van financiële advisering,
(iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon,
(iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, en,
( v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad.
Voor zover Dexia aanvoert dat een zelfstandig beroep op schending van artikel 41 NR 1999 is verjaard, gaat dit verweer niet op. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de gestelde schending van artikel 41 NR 1999 slechts een rol speelt bij de billijkheidsafweging van artikel 6:101 BW (Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, rov. 3.6.5) dus alleen in het kader van de schadebegroting. Dit reeds staat in de weg aan het honoreren van het beroep op verjaring van Dexia. Feiten en omstandigheden die leiden tot een ander oordeel zijn niet gesteld.
Advies
In deze zaak is niet (voldoende) betwist dat de tussenpersoon optrad als cliëntenremisier en niet over een vergunning beschikte om ook als adviseur op te treden. Dexia stelt in dit kader dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was. Het hof overweegt dat de Hoge Raad in het arrest van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012, rov. 4.7) deze stelling van Dexia heeft verworpen met de overweging – kort gezegd – dat Nederland in de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) gebruik heeft gemaakt van de in de Richtlijn Beleggingsdiensten voor lidstaten geboden mogelijkheid om wat betreft de vergunningvoorwaarden strengere regels van toepassing te verklaren dan in de Richtlijn zijn vastgesteld. Dit betekent volgens de Hoge Raad dat de Wte 1995 aldus moet worden uitgelegd dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. In de hiervoor reeds genoemde arresten van 12 oktober 2018 en 9 juni 2023 heeft de Hoge Raad dit oordeel gehandhaafd. Het hof ziet in hetgeen Dexia in deze procedure heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te beslissen dan wel om ter zake daarvan vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Toepassing van de hiervoor genoemde jurisprudentie in deze zaak, leidt tot het volgende.
[geïntimeerden] heeft een uiteenzetting gegeven van de wijze waarop [bedrijf] in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten. De stellingen van [geïntimeerden] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerden] heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd met een bij naam genoemde medewerker van [bedrijf] . Daarbij is besproken dat [geïntimeerden] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [geïntimeerden] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [geïntimeerden] door de medewerker van [bedrijf] geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Dit product was volgens de medewerker van [bedrijf] geschikt voor de situatie van [geïntimeerden] heeft op het advies van de medewerker van [bedrijf] vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens heeft [geïntimeerden] de aanvraagformulieren ingevuld die via de tussenpersoon werden doorgestuurd naar (de rechtsvoorganger van) Dexia. Daarna zijn de contracten aan [geïntimeerden] gestuurd en is [geïntimeerden] de leaseovereenkomsten aangegaan, aldus [geïntimeerden]
Dexia voert gemotiveerd verweer. Dexia heeft betwist dat [bedrijf] aan [geïntimeerden] een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan. De bewijslast van die stelling ligt bij [geïntimeerden] Van Dexia kan niet worden gevergd dat zij de betwisting van de stellingen van [geïntimeerden] nader motiveert, want zij is immers op geen enkele wijze betrokken geweest bij contacten van [geïntimeerden] met [bedrijf] . Dexia is derhalve niet in de positie om voor de beoordeling relevante informatie te verschaffen, aldus Dexia. Volgens Dexia kan zij, bij gebrek aan concrete zaak specifieke stellingen, niet anders dan de algemene stellingen van [geïntimeerden] op algemene wijze betwisten. Uit de stukken van [geïntimeerden] volgt – volgens Dexia – niet welke inhoudelijke rol de tussen persoon heeft vervuld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, noch enige andere aanwijzing op basis waarvan een persoonlijke aanbeveling aan de afnemer kan worden aangenomen. Wat er tussen [geïntimeerden] en de tussenpersoon daadwerkelijk is besproken, volgt hier niet uit. [geïntimeerden] heeft echter op geen enkele wijze gesteld of onderbouwd op welke wijze de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor [geïntimeerden] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerden] Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerden] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerden] aan gebeurtenissen die zich meer dan 20 jaar geleden afgespeeld hebben.
Het hof overweegt als volgt. De door [geïntimeerden] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de leaseovereenkomsten, indien deze vast komt te staan, moet in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022 worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Anders dan Dexia stelt, zijn de stellingen van [geïntimeerden] voldoende concreet. Uit deze stellingen volgt immers dat (i) de wensen en/of financiële situatie van [geïntimeerden] aan de orde zijn gekomen, (ii) [geïntimeerden] zijn financiële doel (vermogen opbouwen voor de studie van zijn kinderen) aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd, (iv) met welk product volgens de tussenpersoon het financiële doel van [geïntimeerden] kon worden gerealiseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het leaseproduct AEX Plus Effect aan [geïntimeerden] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerden] en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerden] genoemde producties voldoende aanknopingspunten die de gang van zaken zoals beschreven door [geïntimeerden] bevestigen. Daarmee heeft [geïntimeerden] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
Het ligt op de weg van Dexia om concreet te stellen en toe te lichten dat in het onderhavige geval desondanks niet is geadviseerd. Gelet op de keuze van Dexia om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, moest Dexia nagaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtig advies door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor rekening en risico van Dexia, waaronder het feit dat Dexia in deze zaak kennelijk niet in staat is om gemotiveerd te onderbouwen dat de tussenpersoon aan [geïntimeerden] geen beleggingsadvies heeft verstrekt.
Voor zover Dexia betoogt dat hiermee een verzwaarde stelplicht op Dexia komt te liggen, waaraan zij onmogelijk zou kunnen voldoen, verwerpt het hof dit betoog. Zoals hierna wordt overwogen, was Dexia er destijds mee bekend dat tussenpersonen doorgaans, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die tussenpersonen als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van leaseproducten. Het had daarom in het kader van de verplichtingen van Dexia ingevolge artikel 41 NR 1999 op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de leaseovereenkomst met de afnemer navraag te doen bij de tussenpersoon wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was geweest. Zo had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de leaseovereenkomst met de afnemer kon en mocht aangaan. Anders dan Dexia betoogt, kon het inwinnen van deze informatie redelijkerwijs van haar verlangd worden, omdat deze zich in haar domein bevond. Dexia heeft een dergelijk onderzoek kennelijk niet verricht, althans zij heeft hieromtrent niets gesteld. De gevolgen van dit nalaten, dat meebrengt dat Dexia in onderhavige zaak nu kennelijk niet meer in staat is om te onderbouwen dat er geen advies is verleend of dat de werkwijze van de tussenpersoon afweek van de gebruikelijke, komen voor risico van Dexia.
Uit het voorgaande volgt dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerden] Dexia komt niet toe aan het leveren van (nader) bewijs, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Wetenschap Dexia
Naast de voorwaarde dat er is geadviseerd door de tussenpersoon, is ook vereist dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven.
[geïntimeerden] heeft in dit kader onder meer een aantal producties overgelegd, die ook in vele andere procedures zijn overgelegd. Volgens [geïntimeerden] volgt daaruit dat Dexia op de hoogte was van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen en ook de opzet had om de tussenpersonen te laten adviseren. Dat is in het onderhavige geval niet anders, omdat de opzet van Dexia niet per tussenpersoon verschilde. Dexia had in ieder geval behoren te weten dat de tussenpersoon aan die opzet voldeed. [bedrijf] presenteerde zich als onafhankelijk en deskundig adviseur. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat het verstrekken van adviezen op het gebied van oudedagsvoorziening, arbeidsongeschiktheidsvoorziening en financial planning behoorde tot de kern van de werkzaamheden van [bedrijf] . Hieruit volgt dat advisering tot de vaste praktijk van [bedrijf] behoorde. Daarnaast blijkt uit de website van [bedrijf] dat zij grootschalig adviseerde en aan financiële planning deed c.s. Dexia wist dit alles, dan wel behoorde dit te weten. Daarbij wijst [geïntimeerden] erop dat op de aanvraagformulieren bij het voorgedrukte kopje ‘Adviseur’ de naam van de adviseur genoemd staat en bovenaan een TP-nummer dat met de hand is ingevuld. Tot slot heeft Dexia op de overeenkomsten zelf [bedrijf] genoteerd als ‘adviseur’ en staat daarbij hetzelfde TP-nummer vermeld als op de aanvraagformulieren, aldus [geïntimeerden]
Dexia voert gemotiveerd verweer.
Het hof stelt het volgende voorop. Uit gepubliceerde, eerdere rechtspraak waarin dezelfde documentatie werd beoordeeld, komt het beeld naar voren dat het de bedrijfsopzet van Dexia was om voor (in ieder geval een deel van) de distributie van haar effectenleaseproducten tussenpersonen in te zetten die hun cliënten zouden adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. In voldoende mate blijkt daaruit dat Dexia wist dan wel behoorde te begrijpen dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers regelmatig niet slechts in het algemeen over deze producten informeerden, maar de producten ook onderdeel lieten zijn van een specifiek op de persoon toegesneden advies. In die zaken is verwezen naar (onder meer) het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000. Uit deze stukken volgt dat Dexia bewust gebruik maakte van tussenpersonen als afzetkanaal juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien. Deze stukken zijn ook in deze procedure overgelegd en Dexia is met deze rechtspraak genoegzaam bekend. Dexia heeft in deze procedure geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat dit beeld niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken van destijds. Bovendien bevestigen het door [geïntimeerden] overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel ten aanzien van [bedrijf] , het afschrift van haar website en de vermelding van [bedrijf] als adviseur op de aanvraagformulieren en op de overeenkomsten dat Dexia (ook) in dit geval wetenschap had van de werkwijze van deze tussenpersoon. Dexia heeft die stukken niet (voldoende) betwist.
In aanmerking genomen dat Dexia ervoor koos om voor de afzet van haar producten gebruik te maken van tussenpersonen, was het ook aan Dexia om te waarborgen dat zij aan de eisen van onder meer artikel 41 NR 1999 zou voldoen, door na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er geen sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, op grond waarvan Dexia de overeenkomst met de potentiële afnemer zou moeten weigeren. Voor zover Dexia destijds niet heeft gecontroleerd of in een concreet geval sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, komen de gevolgen van dit nalaten voor haar rekening en risico.
Naar het oordeel van het hof heeft Dexia geen of onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij niet heeft kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven, indien zij de aard en betrokkenheid van de tussenpersoon wel zou hebben onderzocht. Voor zover zij dit niet wist, komt dit voor haar rekening. Aan de eis dat Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon zonder vergunning advies heeft gegeven, is in dit geval dus voldaan. Het hof gaat voorbij aan het (tegen)bewijsaanbod van Dexia, omdat zij geen of onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [geïntimeerden] op de billijkheidscorrectie slaagt en dat Dexia de schade van [geïntimeerden] volledig dient te vergoeden. De door Dexia gevorderde verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.19 van het vonnis van de kantonrechter, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerden] verschuldigde schadevergoeding te berekenen aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164, met name rov. 3.6.3 en verder en het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid tussen partijen vaststaat.
Slotsom en proceskosten
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet slagen. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] op € 343,00 aan griffierecht en op € 1.290,00 (1 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de uitgesproken veroordelingen.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, M.M. Kruithof en A.J.M. Lauvenberg, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 augustus 2026.