GERECHTSHOF AMSTERDAM
2de rechtspersoon naar buitenlands recht[verweerster 2] ,gevestigd te [plaats 3] (Ierland),
3 de rechtspersoon naar buitenlands [verweerster 3] ., gevestigd te [plaats 2] ( [plaats 2] ),
4 [belanghebbende] ,
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.354.948/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
inzake:
[verzoekster] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
verzoekster,
advocaat: mr. G.J.R. Kalsbeek te Amsterdam,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht[verweerster 1] ,gevestigd te [plaats 3] (Ierland),
verweerders,
advocaat: mr. S.P. Kamerbeek te Amsterdam,
en
gevestigd te [plaats 4] ,
belanghebbende,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan.
Partijen worden hierna [verzoekster] , [verweerders] en [belanghebbende] genoemd.
1. Achtergrond en hoofdzaak
[verzoekster] verzoekt in verband met een bij dit hof aanhangige hoofdzaak (met zaaknummer 200.357.172/01, hierna: de hoofdzaak) het hof te bevelen dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden.
Partijen in de hoofdzaak hebben een zogeheten Warranty & Indemnity verzekering (hierna: de verzekering) gesloten. De verzekering hangt samen met de aankoop door [verzoekster] van [belanghebbende] van alle aandelen in de vennootschap [bedrijf] handelend onder de naam [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [belanghebbende] als verkoper en [verzoekster] als koper hebben op 20 oktober 2020 een zogenoemde share sale and purchase agreement (hierna: de koopovereenkomst) gesloten. Op grond van de koopovereenkomst zijn op deze datum (hierna: de leveringsdatum) alle aandelen in [naam 1] door [belanghebbende] aan [verzoekster] verkocht en geleverd voor een koopsom van ruim EUR 75,4 miljoen.
Met de verzekering heeft [verzoekster] het risico van inbreuken door [belanghebbende] op door haar in de koopovereenkomst aan [verzoekster] verstrekte garanties verzekerd. [verzoekster] heeft in geval van een inbreuk en mits is voldaan aan alle overige voorwaarden voor uitkering onder de verzekering een aanspraak op [verweerders] tot maximaal het gedekte bedrag. [verweerders] kunnen – mits sprake was van bedrog van [belanghebbende] voorafgaand aan en bij het sluiten van de koopovereenkomst – vervolgens verhaal nemen op [belanghebbende] .
[verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van inbreuk door [belanghebbende] op een informatiegarantie uit de koopovereenkomst (deze informatiegarantie hierna: de garantie). Zij stelt dat zij daardoor schade heeft geleden en daarmee een vordering heeft op [verweerders] op grond van de verzekering. De door [verzoekster] gestelde garantieschending heeft betrekking op de zogeheten insourcing plannen van de grootste klant van [naam 1] ( [naam 2] ), die volgens [verzoekster] ertoe hebben geleid dat [naam 2] in 2023 haar relatie met [naam 1] uiteindelijk heeft beëindigd. [verzoekster] stelt dat [naam 1] daardoor aanzienlijke omzet heeft gederfd en dat daarom de aandelen in [naam 1] minder waard waren dan de door [verzoekster] daarvoor betaalde koopsom. [verzoekster] stelt dat [belanghebbende] destijds met deze plannen van [naam 2] en de financiële gevolgen daarvan voor [naam 1] bekend was maar heeft verzuimd [verzoekster] hierover te informeren voordat de koopovereenkomst werd gesloten, hetgeen een inbreuk op de garantie oplevert.
[verzoekster] heeft op grond van het voorgaande jegens [verweerders] aanspraak gemaakt op betaling van het maximale dekkingsbedrag van de verzekering (EUR 40 miljoen). Verzeke- raars hebben om verschillende redenen uitkering aan [verzoekster] onder de verzekering geweigerd.
[verzoekster] is in april 2023 een procedure gestart tegen [verweerders] bij de rechtbank [plaats 1] (hierna: de rechtbank). [verzoekster] vordert in die procedure onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van inbreuk door [belanghebbende] op de garantie en betaling van EUR 40 miljoen. [verweerders] hebben [belanghebbende] in vrijwaring opgeroepen en vorderen in de vrijwaringszaak onder meer veroordeling van [belanghebbende] tot betaling van ten minste een bedrag gelijk aan de uitkering van [verweerders] aan [verzoekster] onder de verzekering.
Bij vonnis van 26 maart 2025 (in de hoofdzaak met zaak- en rolnummer C/13/734209 / HA ZA 23-500 en in de vrijwaringszaak met zaak- en rolnummer C/13/749783 / HA ZA 24/466, hierna: het vonnis) heeft de rechtbank in de hoofdzaak de vorderingen van [verzoekster] afgewezen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat [belanghebbende] de garantie niet heeft geschonden en dat daarom ook geen sprake is van een vordering van [verzoekster] op [verweerders] op grond van de verzekering. De rechtbank heeft [verzoekster] niet in de gelegenheid heeft gesteld haar stellingen door middel van het horen van getuigen nader te bewijzen. In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerders] afgewezen.
[verzoekster] heeft bij dagvaarding van 23 juni 2025 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, waarbij de hoofdzaak aanvankelijk zou worden aangebracht op 10 februari 2026. Nadat [verweerders] op 11 juli 2025 een anticipatie-exploot met als nieuwe roldatum 22 juli 2025 aan [verzoekster] hadden laten betekenen, is de hoofdzaak op die datum op de rol van het hof ingeschre- ven. De memorie van grieven is nog niet door [verzoekster] genomen.
Bij tussenarrest van 5 augustus 2025 heeft het hof in de hoofdzaak een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Nadien heeft het hof bepaald dat deze mondelinge behandeling meervoudig en gecombineerd met de mondelinge behandeling in de onderhavige verzoekschriftprocedure op 29 oktober 2025 zal plaatsvinden.
2. Het procesverloop
[verzoekster] heeft bij verzoekschrift met bijlagen, op 9 mei 2025 ontvangen ter griffie van het hof, het hof verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
[verweerders] hebben bij verweerschrift met bijlagen, op 15 oktober 2025 ontvangen ter griffie van het hof, het hof verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, [verzoekster] in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek van [verzoekster] af te wijzen met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
[belanghebbende] heeft bij verweerschrift met bijlagen, op 17 oktober 2025 ontvangen ter griffie van het hof, het hof verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van [verzoekster] af te wijzen met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025 laten toelichten door hun advocaten, [verzoekster] en [belanghebbende] aan de hand van overgelegde spreekaanteke- ningen.
Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is (nader) bepaald op heden.
3. Beoordeling
bevoegdheid en ontvankelijkheid
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Het nieuwe bewijsrecht geldt voor gerechtelijke procedures die op of na 1 januari 2025 zijn gestart. Het verzoekschrift is na 1 januari 2025 bij het hof ingediend, zodat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is.
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift was het hof Amsterdam vermoe-delijk bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt. Het hof is daarmee op grond van artikel 197 lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van [verzoekster] .
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, voordat een zaak aanhangig is, of voordat de zaak op de rol is ingeschreven, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Deze regel is ook in hoger beroep van toepassing, mits indiening van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden voordat de procedure in hoger beroep op de rol van het hof is ingeschreven (Kamerstukken II 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 43-44).
Het verzoekschrift is ingediend op 9 mei 2025 en de hoofdzaak is op 22 juli 2025 op de rol van het hof ingeschreven, zodat het verzoek tijdig is ingediend. Het verzoekschrift bevat naar het oordeel van het hof een kernachtige omschrijving van het geschil waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek, zodat is voldaan aan het vereiste van artikel 197 lid 2 onder a Rv. [verzoekster] is dus ontvankelijk in haar verzoek.
het verzoek
gronden en doel van het verzoek
In het verzoekschrift heeft [verzoekster] als grond voor het verzoek gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoekster] met het door haar overgelegde schriftelijk bewijs niet heeft bewezen dat [naam 2] de overeenkomst met [naam 1] had beëindigd. De mededelingen van [naam 2] aan [naam 1] en [belanghebbende] over de insourcing-plannen moeten volgens [verzoekster] worden begrepen als een beëindiging van de duurovereenkomst met [naam 2] , althans van een substantieel gedeelte daarvan.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verzoekster] – onder verwijzing naar nummer 2.31 van het verzoekschrift en op vragen van het hof – het doel van het verzoek nader toegelicht en gepreciseerd. Het hof begrijpt het standpunt van [verzoekster] thans – verkort – aldus dat het verzoek (vooral) tot doel heeft om [verzoekster] in staat te stellen te bewijzen dat [belanghebbende] bekend was met de ernst en impact voor [naam 1] van de insourcing-plannen van [naam 2] , dat deze plannen een ingrijpende verandering van de relatie met [naam 1] meebrachten en dat dit, in verband met de ernstige financiële gevolgen daarvan voor [naam 1] , als een majeure kwestie werd gezien bij [naam 1] , waarvan [belanghebbende] in het kader van haar informatieverplichting mededeling had moeten doen. Deze feiten zijn – naar het hof begrijpt – volgens [verzoekster] in eerste aanleg onvoldoende belicht gebleven en het voorlopig getuigenverhoor is bedoeld om duidelijkheid over deze feiten te verkrijgen.
door [verzoekster] gesteld belang bij het verzoek
[verzoekster] stelt onder 5.2 sub a. tot en met c. van het verzoekschrift haar belang bij het verzoek. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verzoekster] dit belang nader toegelicht en gepreciseerd. Het verzoek van [verzoekster] stekt er, naar het hof begrijpt, thans nog slechts toe:
a. het mogelijk te maken dat nu zo spoedig mogelijk na het plaatsvinden van de in dit verzoekschrift beschreven feiten daaromtrent getuigenverklaringen onder ede kunnen worden afgelegd, en te voorkomen dat bewijs verloren gaat;
b. bewijs te verzamelen van (deels nog niet precies bekende) feiten en omstandigheden; en
c. [verzoekster] de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen meer duidelijkheid te krijgen over de relevante feiten en omstandigheden en aldus beter de grieven tegen het vonnis te kunnen formuleren.
[verweerders] en [belanghebbende] hebben tegen de nadere toelichting en precisering door [verzoekster] van het verzoek zoals hiervoor onder 3.6. en 3.7 verwoord geen bezwaren kenbaar gemaakt. Het hof gaat hierna dan ook uit van dit verzoek.
Volgens [verzoekster] te bewijzen feiten
[verzoekster] stelt onder 3.3 sub a. tot en met e. van het verzoekschrift dat zij met het voorlopige getuigenverhoor onder meer bewijs wil vergaren over de volgende feiten:
a. de precieze inhoud van de insourcing-plannen van [naam 2] en wat daarover door [naam 2] aan [belanghebbende] en [naam 1] is medegedeeld in de periode vóór de overname en wat overigens hierover met [belanghebbende] is gedeeld en bij [belanghebbende] bekend was;
b. de ernst en impact voor [naam 1] van de mededelingen van [naam 2] aan [naam 1] én (direct of indirect aan) [belanghebbende] over de insourcing;
c. de kenbare negatieve gevolgen van de insourcing voor [naam 1] in de periode vóór de overname (bestaande uit onder meer een daling van het aantal testen en omzet van [naam 2] bij [naam 1] , en negatieve vooruitzichten) zowel bij [naam 1] als [belanghebbende] ;
d. de beslissing van [belanghebbende] om de mededelingen van [naam 2] over de insourcing te verzwijgen voor [belanghebbende] voorafgaand aan de overname;
e. de beslissing van [belanghebbende] om de mededelingen van [naam 2] over de insourcing te verzwijgen voor de corporate adviseurs van [belanghebbende] , hetgeen relevant is, omdat die adviseurs deze informatie anders zeker hadden opgenomen in het zogenoemde Information Memorandum dat [belanghebbende] vóór het sluiten van de koopovereenkomst aan [verzoekster] had verstrekt.
[verweerders] en [belanghebbende] hebben verzocht het verzoek af te wijzen met een beroep op de in artikel 196 lid 2 Rv vermelde afwijzingsgronden. De verweren van [verweerders] en [belanghebbende] zijn inhoudelijk grotendeels gelijkluidend. Het hof zal deze verweren bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] betrekken en oordeelt als volgt.
juridisch kader
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, voordat een zaak aanhangig is, of voordat de zaak op de rol is ingeschreven, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen (zoals een voorlopig getuigenverhoor) bevelen. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv wijst de rechter het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; ofe. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De regeling van (onder meer) artikel 196 Rv geldt ook in hoger beroep in verband met de herkansingsfunctie in hoger beroep (Kamerstukken II 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 43-44). Een voorlopig getuigenverhoor is dus toegestaan vóórdat het inhoudelijke debat in hoger beroep tussen partijen wordt gevoerd. Het wettelijk uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek is verder het principe ‘toewijzen, tenzij’.
[verweerders] en [belanghebbende] hebben – samengevat – aangevoerd dat [verzoekster] geen belang heeft bij het verzoek, dat dit verzoek in strijd is met de goede procesorde en dat [verzoekster] met haar verzoek misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) maakt. Het verzoek komt neer op een verkapt hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat het bewijsaanbod van [verzoekster] wordt gepasseerd en vormt daarmee een ondermijning van het gesloten systeem van rechtsmiddelen. Een voorlopig getuigenverhoor is ook niet bedoeld als herstelmogelijkheid voor een ondeugdelijk of gepasseerd bewijsaanbod, dit alles aldus [verweerders] en [belanghebbende] . Het hof oordeelt als volgt.
Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de wetgever het instrument van voorlopig getuigenverhoor ook mogelijk willen maken in de fase voorafgaand aan de procedure in hoger beroep. Dit neemt niet weg dat bij de beoordeling van een verzoek in deze fase van de procedure niet voorbij kan worden gegaan aan de omstandigheid dat in eerste aanleg reeds een volledig debat is gevoerd over de voor de zaak relevante feiten. Deze omstandigheid dient dan ook te worden meegewogen bij de beoordeling van de afwijzingsgronden.
Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe – zoals hiervoor onder 3.6 besproken – om [verzoekster] de gelegenheid te bieden voorafgaand aan het nemen van de memorie van grieven en dus aan het inhoudelijke debat in hoger beroep opheldering te verkrijgen over bepaalde feiten teneinde haar in staat te stellen haar processuele positie beter te beoordelen, waar nodig haar standpunten in de hoofdzaak nader te onderbouwen of aan te passen en daarmee haar bewijspositie te versterken.
Dat in dit stadium de omvang van het debat tussen partijen in hoger beroep nog niet, althans niet volledig vast staat is geen reden om te oordelen dat het verzoek van [verzoekster] enkel om die reden in strijd is met de goede procesorde of als misbruik van bevoegdheid van [verzoekster] moet worden gekwalificeerd. Dit is immers eigen aan het instrument van een voorlopig getuigenverhoor. Het is [verzoekster] verder toegestaan in hoger beroep de grondslagen van haar vorderingen en/of haar eis te wijzigen (artikel 353 lid 1 juncto artikel 130 lid 2 Rv). Daarnaast kan in dit stadium ook niet worden uitgesloten dat de uitkomst van de getuigenverhoren ertoe leidt dat [verzoekster] de hoofdzaak niet zal voortzetten. Het door [verzoekster] verzochte voorlopig getuigenverhoor dient er aldus mede toe [verzoekster] in staat te stellen hierover een gefundeerd oordeel te vormen en het verzoek past ook op dit punt in de herkansingsfunctie van het hoger beroep.
Het hof is van oordeel dat [verzoekster] daarmee in beginsel een gerechtvaardigd belang bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor heeft en dat het verzoek in beginsel niet in strijd is met de goede procesorde of misbruik van bevoegdheid van [verzoekster] oplevert. Het hof verwerpt daarmee de op dit punt door [verweerders] en [belanghebbende] aangevoerde (principiële) bezwaren.
Het hof is echter tevens van oordeel dat de door [verzoekster] geformuleerde bewijsthema’s van het voorlopig getuigenverhoor in de specifieke omstandigheden van dit geval en tegen de achtergrond van het partijdebat in eerste aanleg te ruim zijn geformuleerd. In zoverre zijn de op dit punt door [verweerders] en [belanghebbende] aangevoerde bezwaren terecht voorgesteld.
De bewijsthema’s (hiervoor onder 3.9) dienen – met name vanuit het oogpunt van een goede procesorde en teneinde in dit stadium en tegen de achtergrond van het partijdebat in eerste aanleg een ongewenste fishing expedition zoveel mogelijk te voorkomen – nader te worden ingekaderd.
Gelet op de hiervoor onder 3.6 omschreven doelstelling zal het verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor worden toegewezen uitsluitend voor zover dat betrekking heeft op:
a. de precieze inhoud van de insourcing-plannen van [naam 2] en wat daarover door [naam 2] aan [belanghebbende] en [naam 1] is medegedeeld in de periode vóór de leveringsdatum en wat overigens hierover met [belanghebbende] in deze periode is gedeeld en bij [belanghebbende] bekend was;
b. de ernst en impact voor [naam 1] van de mededelingen van [naam 2] aan [naam 1] én (direct of indirect aan) [belanghebbende] over de insourcing, gedaan in de periode vóór de leveringsdatum; en
c. de kenbare negatieve gevolgen van de insourcing voor [naam 1] in de periode vóór de leveringsdatum (bestaande uit onder meer een daling van het aantal testen en omzet van [naam 2] bij [naam 1] , en negatieve vooruitzichten) zowel bij [naam 1] als [belanghebbende] .
Hiermee wordt in voldoende mate tegemoet gekomen aan de ten aanzien van de bepaaldheid van de bewijsthema’s door [verweerders] en [belanghebbende] aangevoerde bezwaren en staan deze bezwaren dus niet aan toewijsbaarheid van het verzoek in de weg.
[verzoekster] wenst in het voorlopig getuigenverhoor de in het verzoekschrift onder 6.1 onder a) tot en met e) genoemde vijf personen ( [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ) als getuigen te laten horen en behoudt zich het recht voor nadere getuigen (waaronder [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] ) naar voren te brengen.
Het hof acht in dit stadium voldoende aannemelijk dat de vijf met name genoemde personen (nadere) verklaringen zouden kunnen afleggen in relatie tot de onder 3.20 vermelde bewijsthema’s. Het feit dat correspondentie van of met een aantal van deze personen al in de bodemprocedure is overgelegd en door de rechtbank is beoordeeld doet daar niet aan af. Het hof ziet in dit stadium dan ook geen aanleiding deze door [verzoekster] voorgestelde getuigen op voorhand van het voorlopig getuigenverhoor uit te sluiten.
Ten aanzien van het door [verzoekster] gemaakte voorbehoud van het horen van nadere getuigen geldt het volgende. Voor zover dit voorbehoud zou moeten worden gelezen als een thans reeds gedaan verzoek om toestemming tot het te zijner tijd laten horen van deze personen, wijst het hof dit verzoek in dit stadium af. Een andersluidende beslissing hierover kan – indien nog nodig– in een later stadium worden genomen nadat de verhoren van de andere getuigen hebben plaatsgevonden.
[belanghebbende] heeft nog als gewichtige reden als bedoeld in artikel 196 lid 2 onder e Rv aangevoerd dat het verzoek van [verzoekster] de door [verzoekster] en [belanghebbende] uitdrukkelijk overeengekomen risicoverdeling doorkruist en in strijd is met de aard en partijbedoelingen van de polis van de verzekering is. De verzekering zou voor [belanghebbende] een clean exit bewerkstelligen en daarom zou van [verzoekster] terughoudendheid mogen worden verwacht met het verzoeken van voorlopige bewijsverrichtingen die ook voor [belanghebbende] belastend zijn. Wat daar ook van zij, het hof ziet hierin geen gewichtige reden die aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Het hof is verder ambtshalve niet gebleken van andere gewichtige redenen of bezwaren die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan.
Slotsom
De slotsom is dat het verzoek van [verzoekster] toewijsbaar is op de hierna te bepalen wijze en dat de daartegen door [verweerders] en [belanghebbende] opgeworpen bezwaren niet aan toewijzing in de weg staan. [verweerders] en [belanghebbende] hebben geen belang bij een verdere behandeling van hun bezwaren.
4. Beslissing
Het hof:
wijst toe het verzoek van [verzoekster] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] ;
bepaalt dat het getuigenverhoor uitsluitend betrekking mag hebben op de in 3.20 vermelde bewijsthema’s;
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr. J.F. Aalders, die daartoe wordt aangewezen als raadsheer-commissaris, en die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te [plaats 1] op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor opgave van het aantal getuigen, de inschatting van de benodigde tijd per te horen getuige en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van maart tot en met mei 2026;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F. Aalders, J.L.M. Groenewegen, en A.C. Metzelaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.