beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.334.340/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 14 juli 2026
inzake
1. [aandeelhouder A] ,
wonende te Reading (Verenigde Staten),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MVD EUROPE B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
VERZOEKERS,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande, kantoorhoudende te Rotterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MVD EUROPE B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
VERWEERSTER,
advocaten: mrs. C. Dullaart en J.G. van der Steenhoven, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
[aandeelhouder B] ,
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mrs. C. Dullaart en J.G. van der Steenhoven, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en overige betrokkenen als volgt worden aangeduid:
1. Het verloop van het geding
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de beschikkingen van 17 en 21 juni 2024, 18 september 2024, 12 december 2024, 12 februari 2025, 3 september 2025, 9 maart 2026 (van de raadsheer-commissaris) en 11 maart 2026 in deze zaak.
Bij beschikking van 17 juni 2024 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van MVDE over de periode vanaf 1 januari 2019 en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Daarnaast heeft zij bij die beschikking, bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure:
a. [aandeelhouder B] geschorst als bestuurder van MVDE en - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder (met beslissende stem) van MVDE en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is MVDE te vertegenwoordigen en dat zonder deze bestuurder MVDE niet vertegenwoordigd kan worden; en
b. de aandelen van [aandeelhouder B] in MVDE - met uitzondering van één aandeel - ten titel van beheer overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
Bij beschikking van 21 juni 2024 heeft de Ondernemingskamer M.G.A. Diepman en mr. M. van Luyn als bestuurder respectievelijk beheerder van aandelen aangewezen zoals bedoeld in de beschikking van 17 juni 2024.
Bij de beschikking van 18 september 2024 heeft de Ondernemingskamer mr. R. el Johari te Amsterdam als onderzoeker aangewezen. De aanvang van het onderzoek is in eerste instantie aangehouden in verband met de ontwikkelingen in deze zaak.
Bij beschikking van 12 december 2024 heeft de Ondernemingskamer de aandelen van [aandeelhouder A] in MVD Europe B.V. - met uitzondering van één aandeel - ten titel van beheer overgedragen aan de OK-beheerder.
Bij beschikking van 12 februari 2025 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vastgesteld op € 50.000 (exclusief btw).
Bij beschikking van 3 september 2025 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget verhoogd tot een bedrag van € 75.000 (exclusief btw).
Bij beschikking van de raadsheer-commissaris van 9 maart 2026 heeft de raadsheer-commissaris enkele aanwijzingen aan de onderzoeker gegeven.
Bij beschikking van 11 maart 2026 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget verhoogd tot een bedrag van € 90.000 (exclusief btw).
Bij bericht van 30 juni 2026 heeft de onderzoeker een verzoek tot (tussentijdse) verhoging van het onderzoeksbudget gedaan en verzocht het budget met € 50.000 exclusief btw, te verhogen zodat het totale budget wordt gebracht op € 140.000, exclusief btw. De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget.
Bij bericht van 2 juli 2026 heeft mr. Van de Sande namens [aandeelhouder A] laten weten in te stemmen met de verzochte verhoging van het onderzoeksbudget.
Bij bericht van 3 juli 2026 heeft mr. Van Soelen namens de OK-bestuurder medegedeeld dat de gewenste verhoging van het onderzoeksbudget begrijpelijk is - mede gelet op het zeer omvangrijke concept rapport dat er nu ligt - en er geen bezwaren zijn tegen honorering van het verhogingsverzoek.
Bij bericht van 6 juli 2026 heeft mr. Van de Steenhoven namens [aandeelhouder B] bezwaar gemaakt tegen de verzochte verhoging van het onderzoeksbudget.
2. De gronden van de beslissing
Het onderhavige (derde) verzoek tot (tussentijdse) verhoging van het onderzoeksbudget ziet op de nog te verrichten werkzaamheden in het kader van het voltooien van het onderzoek en de deponering van het definitieve onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer. Ter verantwoording dat het huidige budget (ondanks de eerdere verhogingen) inmiddels op is brengt de onderzoeker - kort - het volgende naar voren:
- van het BDO-rapport, dat aanvankelijk als basis voor het onderzoek leek te kunnen dienen, is in de loop van het onderzoek gebleken dat het een aantal voor het onderzoek fundamentele vragen onbeantwoord laat. Dit vormt een structurele oorzaak van de opeenvolgende verhogingen van het onderzoeksbudget;
- het laten ondertekenen van een geheimhoudingsverklaring door [aandeelhouder B] en zijn advocaat voorafgaand aan de inzage van het eerste concept onderzoeksrapport heeft door de houding van [aandeelhouder B] en zijn advocaat een aanzienlijke tijdsbesteding gevergd die volledig buiten de begrote werkzaamheden is gevallen;
- mr. Van der Steenhoven heeft de onderzoeker eind juni laten weten dat hij naast [aandeelhouder B] ook Riccardo [aandeelhouder B] bijstaat en ook namens [zoon van aandeelhouder B] zal reageren op het concept onderzoeksrapport. De onderzoeker heeft over deze kwestie contact opgenomen met de deken, wat ertoe heeft geleid dat de deken heeft laten weten de mening van de onderzoeker te delen dat het mr. Van der Steenhoven niet vrijstaat als advocaat van Riccardo [aandeelhouder B] op te treden in onderhavige zaak. Deze kwestie heeft de onderzoeker eveneens tijd gekost welke vooraf niet was berekend.
Het onderhavige verzoek tot een (derde) verhoging van het onderzoeksbudget heeft de onderzoeker kort als volgt onderbouwd. Ter afronding van het onderzoek dienen onderstaande werkzaamheden, met bijbehorende tijdsinschatting, nog te worden verricht:
Het grote aantal uren dat is gereserveerd voor met name de verwerking van de tweede ronde wederhoor van [aandeelhouder B] / [aandeelhouder B] Holding is ingegeven door het feit dat de eerste ronde wederhoor van [aandeelhouder B] omvangrijk, gefragmenteerd en per thema een intensief verwerkingspatroon gaf. De tweede ronde omvat het volledige rapport van 308 pagina’s, inclusief paragrafen waarover in de eerste ronde nog geen volledige wederhoor heeft plaatsgevonden. Gelet op het verloop van de eerste ronde is redelijkerwijs te verwachten dat verwerking van de tweede ronde wederhoorreacties van [aandeelhouder B] /VDGH wederom een substantiële hoeveelheid tijd zal kosten. Daarnaast is tijd begroot voor de verwerking van de eerste wederhoorreacties van de andere betrokkenen. Tot slot zijn kosten begroot voor de definitieve redactie en deponering van het onderzoeksrapport en is een post onvoorzien/processuele correspondentie opgenomen. Het verzochte bedrag van € 50.000 is afgerond van deze € 49.000 en bevat daarmee een buffer voor de verdere afwikkeling van lopende procedurele kwesties.
Uitsluitend [aandeelhouder B] heeft bezwaar gemaakt tegen verhoging van het budget. Wat betreft de verantwoording van de besteding van het huidige budget, stelt [aandeelhouder B] zich op het standpunt dat uit de herhaalde verhogingsverzoeken van de onderzoeker blijkt dat zij zich niet gehouden voelt binnen het gestelde budget de werkzaamheden op efficiënte wijze uit te voeren. Specifiek wat betreft de aangehaalde werkzaamheden rondom de geheimhoudingsverklaring en de dubbelrol van mr. Van der Steenhoven stelt [aandeelhouder B] dat deze werkzaamheden beperkt zijn en binnen de brandbreedte onvoorziene uren/kosten van de onderzoeker dienen te vallen. Wat betreft de nog te verrichten werkzaamheden bepleit [aandeelhouder B] dat deze vrij beperkt zijn nu het slechts nog gaat om het verwerken van de reacties van de verschillende partijen en betrokkenen op het concept onderzoeksrapport gevolgd door de definitieve afronding van het onderzoeksverslag.
De Ondernemingskamer overweegt als volgt.
De Ondernemingskamer merkt allereerst op dat de onderzoeker zijn/haar werkzaamheden in alle stadia van het onderzoek verricht naar de maatstaf van hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht. Wat dat in de praktijk betekent, kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Ieder onderzoek is anders en verdient maatwerk. De aanpak zal steeds afhankelijk zijn van de onderzoeksopdracht, van de concrete omstandigheden van het geval, van de aard van de rechtspersoon, van de omvang en noodzakelijke diepgang van het onderzoek en van de betrokken belangen. Vaststaat dat met de tot op heden door de onderzoeker verrichte werkzaamheden het huidige onderzoeksbudget geheel is benut en daarmee ontoereikend is het onderzoek af te kunnen ronden.
Vanaf het begin af aan heeft de onderzoeker werkzaamheden moeten verrichten in een gespannen omgeving. Deze gespannen omgeving heeft ook zijn weerslag gehad op de aard en de omvang van de werkzaamheden van de onderzoeker. De onderzoeker is geconfronteerd met een weinig coöperatieve houding door [aandeelhouder B] en zijn advocaat, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de gang van zaken rondom de geheimhoudingsverklaring in de ‘dubbelrol’ van mr. Van der Steenhoven, wat zelfs heeft geleid tot ingrijpen door de deken. Deze houding van [aandeelhouder B] en zijn advocaat heeft een onverwacht tijdsbeslag op de onderzoeker gelegd en daarmee de tijd en daarmee de kosten die de onderzoeker heeft moeten besteden aan het onderzoek verhoogd.
Wat betreft de werkzaamheden die de onderzoeker nog moet verrichten stelt de Ondernemingskamer vast dat deze werkzaamheden hoofdzakelijk zien op de verwerking van de wederhoorreacties van de partijen/betrokkenen. De onderzoeker heeft op grond van artikel 2:351 lid 4 BW de plicht om aan degenen ten aanzien van wie het verslag wezenlijke bevindingen bevat, gelegenheid te geven opmerkingen te maken over de bevindingen. Op grond van de Leidraad is de onderzoeker vervolgens verplicht inzicht te geven in ‘de wijze waarop toepassing is gegeven aan hoor en wederhoor’. De Ondernemingskamer acht het daarom van groot belang dat de onderzoeker ook dit laatste onderdeel van haar werkzaamheden zorgvuldig uit kan oefenen en kan zich, mede gelet op de omvang van het onderzoek en van de eerdere reacties van [aandeelhouder B] , alsmede diens houding ten aanzien van het concept onderzoeksrapport voorstellen dat hiermee nog enige tijd en kosten gemoeid zijn.
Tot slot acht de Ondernemingskamer, gelet op het verloop van het onderzoek tot nu toe, niet onredelijk dat een beperkt aantal extra uren is begroot voor ‘onvoorzien/processuele correspondentie’.
De verhouding tussen de al uitgevoerde werkzaamheden van de onderzoeker, die tot een overschrijding van het onderzoeksbudget hebben geleid en waarvan een deel voor eigen rekening van de onderzoeker is gekomen en de kosteninschatting van de onderzoeker om het onderzoek af te ronden komt de Ondernemingskamer niet onredelijk voor.
De Ondernemingskamer zal het verzoek van de onderzoeker dan ook toewijzen en de hoogte van het onderzoeksbudget verhogen met een bedrag van € 50.000 exclusief btw.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 140.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.C. Meijer, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. E. Loesberg, raadsheren en mr. drs. G. Boon RA en drs. A.G. Thomassen RT RV, raden, in tegenwoordigheid van mrs. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken Op 14 juli 2026.