GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1414
21 juli 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach)
tegen de uitspraak van 16 april 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/5367 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de invorderingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De invorderingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 26 juni 2024 aanmaningskosten in rekening gebracht. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 19 september 2024 heeft de invorderingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 mei 2025. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Ter zitting van 21 april 2026 is de zaak aangehouden in afwachting van het arrest in de zaak met kenmerk 24/03962. De Hoge Raad heeft dat arrest gewezen op 1 mei 2026 (ECLI:NL:HR:2026:734).
Partijen zijn door het Hof in de gelegenheid gesteld te reageren op het onder 1.6. bedoelde arrest. Beide partijen hebben daarvan gebruik gemaakt.
Het Hof heeft partijen meegedeeld een nadere zitting achterwege te laten tenzij een van de partijen te kennen zou geven wel een nadere zitting te willen. Geen van partijen heeft om een nadere zitting verzocht. Daarop heeft het Hof het onderzoek gesloten.
2. Feiten
Aan belanghebbende is met dagtekening 3 mei 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met vorderingsnummer [#] .
De naheffingsaanslag is opgelegd ter zake van het parkeren op 30 april 2024 zonder dat de daartoe verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet had betaald, heeft de invorderingsambtenaar hem daartoe bij brief van 21 juni 2024 aangemaand en daarbij € 9 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. De aanmaning is gedagtekend 26 juni 2024.
Belanghebbende heeft zich aangemeld voor de berichtenbox MijnOverheid en heeft de notificatiefunctie ingeschakeld.
De invorderingsambtenaar heeft gegevens opgevraagd bij Logius, de dienst onder beheer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waarbij MijnOverheid in beheer is.
Die gegevens vermelden in de kop: hetgeen inhoudt:
BERICHT_KENMERK een aan een bericht gegeven ID-kenmerk
TIJDSTEMPEL_EERSTE_LEES_ACTIE tijdstip van opening van het bericht
TIJDSTEMPEL_LAATSTE_LEES_ACTIE tijdstip van laatste opening van het bericht
TIJDSTEMPEL_PUBLICATIE tijdstip plaatsing van het bericht in de
berichtenbox van MijnOverheid
TIJDSTEMPEL_NOTIFICATIE tijdstip verzending van het notificatiebericht
naar een e-mailadres
AFZENDER orgaan waarvan het bericht afkomstig is
TIJDSTEMPEL_HERHAAL_NOTIFICATIE tijdstip waarop een notificatiebericht
verzonden wordt naar een e-mailadres als dat bericht nog niet geopend is
Met betrekking tot het vorderingsnummer vermeld onder 2.1 luiden die gegevens behoudens het berichtkenmerk als volgt:
TIJDSTEMPEL_EERSTE_LEES_ACTIE 4-5-2024 15:21
TIJDSTEMPEL_LAATSTE_LEES_ACTIE 4-5-2024 15:21
TIJDSTEMPEL_PUBLICATIE 1-5-2024 15:38
TIJDSTEMPEL_NOTIFICATIE 1-5-2024 19:34
AFZENDER Gemeente Amsterdam
TIJDSTEMPEL_HERHAAL_NOTIFICATIE
Tot de door Logius verstrekte gegevens behoort niet het e-mailadres waarnaar de notificatie is verzonden. De invorderingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof verklaard: “Logius wil het e-mailadres niet verstrekken in verband met de privacywetgeving”, en “een e-mailadres wordt nooit verstrekt”.
3. Geschil
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende terecht aanmaningskosten in rekening zijn gebracht.
4. Beoordeling van het geschil
Het Hof stelt voorop dat in een geval als het onderhavige waarin een belanghebbende door het activeren van zijn MijnOverheid-account kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is voor het ontvangen van berichten van de gemeente Amsterdam in de berichtenbox, de invorderingsambtenaar de naheffingsaanslag elektronisch aan die belanghebbende kan verzenden.
Die verzending vindt plaats door plaatsing van de naheffingsaanslag in de berichtenbox van de desbetreffende belanghebbende (art. 2:17 lid 1 Awb, tekst voor 2024). Alsdan is de naheffingsaanslag in overeenstemming met art. 3:41 lid 1 Awb aan die belanghebbende bekend gemaakt. Verzending en ontvangst van een notificatiebericht zijn geen vereisten voor de bekendmaking (zie HR 1 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:734, r.o. 4.3.1 en r.o. 4.3.2).
Het Hof acht het onaannemelijk dat – zoals door de gemachtigde van belanghebbende is gesuggereerd – gegevens zoals weergegeven onder 2.3 met terugwerkende kracht door de invorderingsambtenaar kunnen worden gewijzigd of gemanipuleerd. Het Hof is verder van oordeel dat de invorderingsambtenaar met overlegging van de onder 2.3 vermelde gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige naheffingsaanslag door plaatsing in de berichtenbox MijnOverheid van de belanghebbende in deze zaak bekend is gemaakt en dat die belanghebbende daarvan drie dagen na die plaatsing kennis heeft genomen. Uit de verstrekte gegevens volgt immers dat het op 1 mei 2024 in de berichtenbox geplaatste bericht (de naheffingsaanslag) op 4 mei 2024 is geopend en gelet op de waarborgen die zijn verbonden aan het inloggen op MijnOverheid is het aannemelijk is dat belanghebbende dat zelf heeft gedaan.
De omstandigheid dat uit de door Logius verstrekte gegevens niet valt af te leiden naar welk e-mailadres het notificatiebericht is verzonden leidt niet tot een ander oordeel aangezien dat, gelet op de kennisname door belanghebbende van het bericht (de naheffingsaanslag) zelf, voor dit geding niet relevant is.
Dat de invorderingsambtenaar de onder 2.3 vermelde gegevens pas heeft verschaft nadat hij kennis heeft genomen van de conclusie van A-G Pauwels van 6 februari 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:152) is niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Belanghebbende zijn terecht kosten van een aanmaning in rekening gebracht.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet.
5. Kosten
Het Hof ziet geen reden voor een kostenveroordeling.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas voorzitter, M.J. Leijdekker en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: