ECLI:NL:GHAMS:2026:2199

ECLI:NL:GHAMS:2026:2199

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 03-08-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer 25/91
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Wrakingsverzoek voorafgaand aan zitting wordt niet aan wrakingskamer voorgelegd. Afspraken tussen gerechten en gemachtigde Bartels over toegang tot digitale rechtbankdossiers. WOZ 2023 15 appartementen in een voormalig kantoorgebouw. Pkv: één zaak in beroep en hoger beroep, geen factor 1,5.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/91

3 augustus 2026

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)

tegen de uitspraak van 20 december 2024 in de zaak met kenmerk AMS 24/3356 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Y], de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen met dagtekening 25 februari 2023 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarden (hierna: de WOZ-waarden) van de onderstaande onroerende zaken voor het kalenderjaar 2023 naar waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld.

Adres

Soort object

Vastgestelde waarde

1.

[straat] 79-A1

Woning

€ 350.000

2.

[straat] 79-A2

Woning

€ 342.000

3.

[straat] 79-A3

Woning

€ 326.000

4.

[straat] 79-A4

Woning

€ 342.000

5.

[straat] 79-A5

Woning

€ 350.000

6.

[straat] 79-B1

Woning

€ 388.000

7.

[straat] 79-B2

Woning

€ 334.000

8.

[straat] 79-B3

Woning

€ 338.000

9.

[straat] 79-B4

Woning

€ 334.000

10.

[straat] 79-B5

Woning

€ 334.000

11.

[straat] 79-C1

Woning

€ 388.000

12.

[straat] 79-C2

Woning

€ 342.000

13.

[straat] 79-C3

Woning

€ 338.000

14.

[straat] 79-C4

Woning

€ 342.000

15.

[straat] 79-C5

Woning

€ 381.000

In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslagen onroerende zaakbelasting 2023 bekendgemaakt.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 19 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar de beschikkingen gehandhaafd.

De rechtbank heeft als volgt op het beroep tegen de uitspraken op bezwaar beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘ [X] ’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verlaagt de waarde van de onroerende zaken voor het kalenderjaar 2023 en stelt deze vast op de hiervoor onder 5. in de rechterkolom van de tabel genoemde verlaagde bedragen;

- bepaalt dat de aanslag in de onroerende zaakbelasting 2023 voor elk van de objecten wordt verminderd overeenkomstig de hiervoor onder 5. in de rechterkolom van de tabel genoemde verlaagde waarde;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af, en

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding aan [X] voor proceskosten en griffierecht tot een bedrag van € 1.213,75.”

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 30 december 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben een reeks van nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Na sluiting van het onderzoek heeft belanghebbende verzocht om heropening daarvan, waartoe hij stelt dat de rechtbank inmiddels toegang heeft verleend tot het digitale dossier met de rechtbankstukken (zie ook hierna r.o. 5.1.3.1 tot en met 5.1.3.4). Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

2. Feiten

Belanghebbende is eigenaar van de objecten (vijftien woningen). De woningen betreffen appartementen uit 1991 die zijn gerealiseerd in een voormalig kantoorgebouw in [Y] -Noord.

De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg taxatieverslagen overgelegd waarin steeds is vergeleken met drie portiekflats in [Y] -Noord met een berging en een klein balkon.

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of de WOZ-waarden van de objecten te hoog zijn vastgesteld. Daarnaast is de hoogte van de proceskostenvergoeding in geschil.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft - voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil in hoger beroep - als volgt overwogen en beslist:

“WOZ-waarde

2. Artikel 17 van de Wet WOZ bepaalt kort gezegd dat de waarde van een onroerende zaak de prijs is die men zou kunnen verwachten bij volledige verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en voorwaarden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde niet hoger is dan de marktwaarde op de waardepeildatum. Daarbij zijn niet alleen de bewijsmiddelen van de heffingsambtenaar van belang, maar ook wat eisers daartegen hebben ingebracht.

3. De heffingsambtenaar heeft aangegeven dat hij door een personeelstekort niet in staat is om de vastgestelde waarde te onderbouwen met een matrix en onderliggende stukken. Hij ziet geen kans om op korte termijn dit gebrek te herstellen.

4. De heffingsambtenaar is gelet op het voorgaande niet geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond en de uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd. Ook [X] heeft de door haar bepleite 10% verlaging van alle waardes in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en de waarde van de onroerende zaken voor het kalenderjaar 2023 in goede justitie vaststellen op de hierna volgende bedragen:

Immateriële schadevergoeding

5. [X] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.

6. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is twee jaar. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend (21 februari 2023) en loopt door tot de datum van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank constateert dat sinds het indienen van het bezwaarschrift de redelijke termijn van twee jaar nog niet is overschreden bij het doen van deze uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Proceskosten en griffierecht 7. De rechtbank ziet in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die [X] in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten van rechtsbijstand zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 624,- voor de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 624,- en een wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak ‘licht’)), en € 218,75 voor de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak ‘licht’) en een factor 0,25 op grond van artikel 30a, tweede lid, aanhef en onder a. van de wet WOZ). De totale proceskostenvergoeding is dan (€ 624,- + € 218,75 =) € 842,75.

8. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door [X] betaalde griffierecht ad € 371,- aan haar vergoeden. Het totaal aan te vergoeden proceskosten en griffierecht bedraagt (€ 842,75 + € 371,- =) € 1.213,75.

9. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van [X] . [noot rechtbank: Dat volgt uit artikel 30a,

vierde lid, aanhef en onder a. van de Wet WOZ.]”

5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Vooraf

5.1.1.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft op dinsdag 28 juli 2026, 16:48 uur een wrakingsverzoek ingediend, dat kennelijk betrekking heeft op de raadsheren waarvan eerder is medegedeeld dat die de onderhavige zaak op 29 juli 2026 ter zitting zouden behandelen en de griffier. Het wrakingsverzoek is herhaald op 29 juli 2026, 8:37 uur.

5.1.1.2. Op 21 juli 2026 is bij het Hof een eerder wrakingsverzoek ingediend door dezelfde gemachtigde, betrekking hebbende op de raadsheren die zaken zouden behandelen ter zitting van 22 juli 2026. Bij in het openbaar uitgesproken beslissing van 24 juli 2026 (zaaknummer 200.372.046-01) heeft de wrakingskamer van het Hof dat wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer heeft daartoe voor zover hier relevant het volgende overwogen:

“3.3. Blijkens de toelichting is de wraking van de raadsheren gebaseerd op het feit dat de

rechtbanken de gemachtigde digitale toegang tot de rechtbankdossiers weigeren. Uit deze

toelichting volgt niet waarom deze omstandigheid grond zou opleveren voor de objectieve

vrees dat de raadsheren partijdig zouden zijn jegens de verzoekers die de gemachtigde

bijstaat. Het verzoekschrift voldoet in dat opzicht niet aan het voorschrift dat daarin de

gronden voor wraking moeten zijn vermeld. Verzoekers kunnen daarom niet in dit

wrakingsverzoek worden ontvangen.

Voorzover de wraking zo moet worden begrepen dat deze gegrond is op de

beslissing van de raadsheren om geen uitstel te verlenen voor de geplande zitting van 22 juli

2026 geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen daaraan in de weg staat. Dit gesloten

stelsel brengt mee dat een rechterlijke (proces)beslissing geen grond kan vormen voor

wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt dus niet de

juistheid van die beslissing. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, ook voor zover het is

gebaseerd op de aanhoudingsbeslissing niet toewijsbaar is.”

5.1.1.3. Het onderhavige wrakingsverzoek heeft in essentie dezelfde inhoud als het wrakingsverzoek van 21 juli 2026 en vertoont hetzelfde gebrek als dat geconstateerd in overweging 3.3 van de beslissing van de wrakingskamer. Het verzoek bevat geen enkel feit en geen enkele omstandigheid waaruit kan volgen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de raadsheren schade kan lijden of dat daarvoor een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat. Het Hof heeft daarin aanleiding gevonden met toepassing van artikel 4 lid 3 van het Wrakingsprotocol Gerechtshof Amsterdam te beslissen het verzoek tot wraking van de raadsheren niet aan de wrakingskamer voor te leggen, omdat het verzoek evident niet als wrakingsverzoek in de zin van de wet is aan te merken.

5.1.1.4. De wet voorziet niet in de mogelijkheid een griffier te wraken.

5.1.2.1. Ingevolge artikel 8:58 lid 1 Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen, zij zijn hierop bij de uitnodiging voor de zitting gewezen. Desalniettemin hebben beide partijen binnen tien dagen voor de zitting een groot aantal stukken ingediend. Desgevraagd hebben partijen voor deze late indiening geen acceptabele verklaring gegeven. Het zijn of stukken waarover partijen al veel langer de beschikking hadden of stukken waarin wordt gereageerd op stukken van de wederpartij ingediend binnen tien dagen voor de zitting, dan wel bewerkingen van door belanghebbende reeds eerder ingediende stukken.

5.1.2.2. Het Hof heeft daarom beslist alle stukken die zijn ingediend zonder daarbij de termijn van art. 8:58 lid 1 Awb in aanmerking te nemen tardief te verklaren en dus niet als gedingstuk te accepteren. Dit met uitzondering van de op de dag vóór de zitting ingediende pleitnotities en de onder 5.1.1.1 genoemde wrakingsverzoeken.

5.1.3.1. Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over een volledig dossier omdat zij niet langs digitale weg toegang heeft gekregen tot de rechtbankstukken.

5.1.3.2. Bij de rechtbank procedeerde belanghebbendes gemachtigde nog niet langs digitale weg. Alle dossierstukken van die fase van geding heeft hij op papier gekregen.

Bij de overstap naar het digitaal procederen is namens de gerechten overleg gevoerd met de gemachtigde, omdat hij een groot aantal procedures voert bij alle gerechten. In een namens alle gerechtshoven en rechtbanken verzonden brief van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan belanghebbende, gedagtekend 23 april 2026, wordt vermeld dat de gemachtigde in januari heeft aangegeven in alle zaken digitaal te willen procederen, dat vanwege het grote aantal zaken de overstap naar digitaal procederen niet eenvoudig was en dat daarom afspraken zijn gemaakt. Volgens die brief behoort tot die afspraken:

“U krijgt in alle lopende dossiers toegang tot de stukken die er al in zijn geplaatst. Dit betekent dat u geen toegang krijgt tot reeds afgesloten dossiers”

In de brief staat voorts:

“Inmiddels is gebleken dat u bij enkele gerechten stukken op papier indient en/of toegang vraagt tot (rechtbank)dossiers die zijn afgesloten. Aan u is meermaals uitgelegd, laatstelijk tijdens het gesprek van 7 april 2026, dat en waarom geen toegang kan worden verleend tot reeds afgesloten digitale dossiers waarin u niet eerder was gekoppeld.”

Een afschrift van deze brief van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is aan deze uitspraak gehecht.

5.1.3.3. Gelet op de met de gemachtigde gemaakte afspraken moet hij zich ervan bewust zijn geweest dat in procedures waarin de rechtbank al uitspraak had gedaan vóórdat hij digitaal is gaan procederen, hij geen toegang zou krijgen tot het digitale dossier van de rechtbank. De gemachtigde had tijdens de procedure bij de rechtbank de beschikking over alle procestukken op papier. Als hij die heeft weggegooid komt dat voor zijn rekening.

5.1.3.4. De gemachtigde van belanghebbende klaagt er voorts over dat hij in het digitale dossier niet beschikt over het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank. Na het instellen van hoger beroep door belanghebbende heeft de rechtbank een proces-verbaal opgemaakt. Dat proces-verbaal is door de rechtbank per post verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende. Hij heeft niet gesteld dat hij het proces-verbaal niet heeft ontvangen. Bovendien heeft het Hof hem ter zitting in de gelegenheid gesteld van een op papier gesteld afschrift van het proces-verbaal kennis te nemen, maar hij heeft dat geweigerd. Onder die omstandigheden vindt het Hof geen reden gevolgen te verbinden aan de omstandigheid dat het proces-verbaal de gemachtigde niet digitaal ter beschikking is gesteld.

Met betrekking tot de waarde

Met betrekking tot elk van de 15 objecten bevindt zich in het dossier een “Taxatieverslag Woning” met daarin gegevens omtrent het bouwjaar en de oppervlakte en vermelding van de toegekende zogenaamde KOUDV-factoren. Het verslag bevat voorts dezelfde gegevens van drie verkochte appartementen met vermelding van de datum van overdracht bij de notaris en de verkoopprijzen.

Het Hof is van oordeel dat de drie verkochte appartementen waarnaar in de taxatieverslagen wordt verwezen in dezen als referentiepanden kunnen dienen. Met inachtneming van de onderlinge verschillen tussen de 15 objecten enerzijds en de drie verkochte appartementen anderzijds geven de gerealiseerde verkoopprijzen van die verkochte appartementen steun aan het standpunt van de heffingsambtenaar dat geen aanleiding bestaat de vastgestelde waarde van de 15 objecten verder te verminderen.

Het van de zijde van belanghebbende aangevoerde – waaronder de omstandigheid dat het bij de 15 objecten gaat om appartementen gerealiseerd door het transformeren van een kantoorpand – is hiertegenover van onvoldoende gewicht om te concluderen tot een lagere waarde.

Met betrekking tot de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding

De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding voor de procedure bij de rechtbank bepaald met toepassing van de factor 0,25, bedoeld in art, 30a lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet WOZ. De gemachtigde van belanghebbende is er met hetgeen hij heeft aangevoerd ter zitting en in de stukken die niet tardief zijn verklaard, niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat hij is aan te merken is als “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.

Belanghebbende klaagt dat de rechtbank bij het bepalen van de vergoeding van haar proceskosten een factor 1,5 toe had moeten passen, omdat het gaat om vier of meer samenhangende zaken (zie artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, hierna: het Besluit, in samenhang met onderdeel C2 van de bijlage daarbij). Het Hof volgt belanghebbende daarin niet.

Aangezien het bezwaarschrift zich richtte tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten is voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Besluit in deze zaak sprake van één bezwaar (zie HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, r.o. 3.4). Tegen de uitspraak op bezwaar is voorts door belanghebbende bij de rechtbank één beroepschrift ingediend. Dat betekent dat in eerste aanleg voor de toepassing van artikel 8:75, lid 1, Awb en het Besluit slechts sprake is van één beroep en dat, tenzij de rechtbank de zaak in meer zaken heeft gesplitst, ook sprake van één zaak en niet van meerdere samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit (zie HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3953, r.o. 3.4). Het Hof stelt vast dat de rechtbank de zaak niet in meerdere zaken heeft gesplitst: er is slechts één zaaknummer aan de zaak toegekend, er is slechts eenmaal griffierecht geheven en met betrekking tot de 15 objecten (ten aanzien van de 15 WOZ beschikkingen en OZB-aanslagen) is slechts één uitspraak gedaan.

Nu sprake is van één zaak en niet van meerdere samenhangende zaken heeft de rechtbank de factor 1,5 terecht niet toegepast. De omstandigheid dat het bezwaar en het beroep op meer dan één besluit betrekking hebben kan een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak (HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, r.o. 3.4). Het Hof acht de door de rechtbank toegepaste wegingsfactor 0,5 (‘licht’) in overeenstemming de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener, ook indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat het gaat om 15 verschillende objecten, zodat met die omstandigheid bij het bepalen van de wegingsfactor voldoende rekening is gehouden.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

6. Kosten

Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, B.A. van Brummelen en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 3 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Belastingblad 2026/377
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand