arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.362.089/01 SKG
zaaknummer rechtbank : 11872395 \ KG EXPL 25-121 KB
arrest van de meervoudige familiekamer van 27 januari 2026
inzake
[X] h.o.d.n. Adviesmix Bewindvoering,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[eiser] ,
wonende te [plaats A] ,
appellant,
advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam,
tegen
[X] h.o.d.n. Adviesmix Bewindvoering,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[verweerster] ,
wonende te [plaats A] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar.
1. De zaak in het kort
In deze kort geding procedure gaat het om de vraag wie van partijen tijdelijk het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke huurwoning moet krijgen, in afwachting van een mogelijke bodemprocedure waarin moet worden bepaald wie in de toekomst de huurder zal zijn. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat de vrouw voorlopig het uitsluitend gebruik toekomt van de woning. Het hof komt, na afweging van de belangen van partijen, tot hetzelfde oordeel.
2. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.
De man is bij dagvaarding van 19 november 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, sector kanton, van 22 oktober 2025 (hierna: het bestreden vonnis), in kort geding gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. De dagvaarding bevat de grieven.
De vrouw heeft een memorie van antwoord met producties ingediend.
Daarna zijn van beide zijden nog producties ingediend.
De man heeft geconcludeerd dat het hof de werking van het bestreden vonnis zal schorsen, het bestreden vonnis zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de vorderingen van de man alsnog zal toewijzen.
De vrouw heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de man.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 8 januari 2026 doen bepleiten door hun advocaten, de man door mr. A.M. Stam, waarnemend voor mr. Thieme, aan de hand van een pleitnotitie die is overgelegd. Voorts is als informant verschenen de heer [naam ] , de begeleider van de man krachtens de WMO. De bewindvoerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet ter zitting verschenen. De vrouw is evenmin verschenen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de feiten die de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en zijn als volgt.
Beide partijen staan onder bewind. Ingevolge artikel 1:431 jo 1:441 van het Burgerlijk Wetboek (BW) treedt de bewindvoerder als formele procespartij op voor zowel de man als de vrouw.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingsovereenkomst.
Partijen hebben samen een dochter, [minderjarige ] (hierna: [minderjarige ] ), geboren [in] 2022. [minderjarige ] is door de man erkend en partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige ] . De vrouw heeft daarnaast nog drie minderjarige kinderen uit eerdere relaties. Deze kinderen wonen bij hun vader. De man heeft daarnaast ook nog twee minderjarige kinderen uit eerdere relaties. Zijn zoon woont in een pleeggezin en zijn dochter woont bij haar moeder.
Vanaf november 2021 zijn door de vrouw, de politie, de huisarts en door anonieme personen meldingen gedaan van drugsgebruik, ruzie en geweld in het gezin. In 2023 is de man veroordeeld wegens een geweldsincident tegen de vrouw in Spanje op de camping. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin.
Op 5 november 2024 zijn partijen voor onbepaalde tijd een huurovereenkomst aangegaan met de Stichting Woonwaard Noord-Kennemerland voor de woning aan de [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning) tegen een huurprijs van laatstelijk € 761,59 per maand, inclusief servicekosten.
De relatie tussen partijen is in 2025 verbroken.
4. Beoordeling
De voorzieningenrechter heeft, naar aanleiding van de vorderingen van de vrouw, in het bestreden vonnis:
- bepaald dat de vrouw, vooruitlopend op een oordeel ex artikel 7:267 lid 7 BW, het uitsluitend gebruik toekomt van de woning, en;
- de man veroordeeld tot afgifte van alle bij de woning behorende sleutels aan de vrouw, met verbod aan de man de woning nog langer te mogen betreden na 3 maanden na betekening van het vonnis;
een en ander met compensatie van de proceskosten en uitvoerbaar bij voorraad.
De reconventionele vorderingen van de man, waarbij hij het uitsluitend gebruiksrecht van de woning vorderde, zijn afgewezen.
De vordering van de vrouw tot het gebruik van de inboedel is eveneens afgewezen.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de man op met zijn grieven. De man heeft ter zitting zijn vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring ingetrokken, zodat hierop niet meer hoeft te worden beslist.
De man heeft in zijn eerste grief betoogd dat de voorzieningenrechter rekening had moeten houden met de omstandigheid dat de bewindvoerder zowel de bewindvoerder van hem als van de vrouw is. Daardoor ontstaat een belangenconflict. De belangen van partijen staan tegenover elkaar en de bewindvoerder kan niet tegelijkertijd de belangen van beide partijen behartigen. Deze grief faalt. Weliswaar is de bewindvoerder formeel procespartij voor zowel de man als de vrouw, maar voor ieder van partijen treedt een eigen advocaat op. Daardoor is er, zoals de voorzieningenrechter ook heeft overwogen, materieel geen sprake van een belangenconflict. Evenmin is gesteld of gebleken dat de bewindvoerder zich inhoudelijk met de zaak heeft bemoeid.
De man heeft in zijn tweede grief betoogd dat geen sprake is van een spoedeisend belang omdat de situatie dat beide partijen in de woning wonen niet zo nijpend is dat samenwoning niet langer mogelijk is. Bovendien zijn veiligheidsafspraken gemaakt en houdt de man zich daar aan. Ook deze grief faalt. Hoewel er veiligheidsafspraken zijn, is het hof duidelijk geworden dat het verblijf van beide partijen in de woning tot een gespannen situatie leidt. In ieder geval de vrouw ondervindt daar veel stress van. Dit volgt ook uit de verklaring van de huisarts die de vrouw heeft overgelegd. Uit die verklaring volgt dat de vrouw door alle stress ernstig ondergewicht heeft en dat zij recent is gestart met sondevoeding. Ook voor [minderjarige ] is deze situatie niet wenselijk. Het hof is dan ook van oordeel dat de huidige situatie niet langer kan voortduren en dat één van beide partijen de woning dient te verlaten.
De grieven III tot en met VIII komen – samengevat - erop neer dat de voorzieningenrechter volgens de man een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en dat hij meer belang heeft om in de woning te verblijven dan de vrouw.
Het hof ziet dat beide partijen een groot belang hebben om in de woning te kunnen verblijven, omdat andere woonruimte moeilijk te vinden is en beide partijen kwetsbaar zijn. Daarnaast hebben beide partijen beperkte financiële middelen. Alles afwegende, is het hof evenwel van oordeel dat het belang van de vrouw om in de woning te blijven groter is dan dat van de man. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige ] . [minderjarige ] is nog jong en voor haar is het belangrijk dat er zo min mogelijk veranderingen plaatsvinden, zowel wat betreft haar verzorging als haar verblijfplaats. Dit geldt te meer nu er sinds de geboorte van [minderjarige ] al heel veel onrust in het gezin is geweest. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij vanaf de geboorte van [minderjarige ] haar hoofdverzorger is. De man heeft dit ter zitting in hoger beroep ook erkend. De man heeft verteld dat hij sinds kort meer van de zorgtaken voor [minderjarige ] voor zijn rekening neemt, omdat hij daartoe nu ook meer in staat wordt gesteld. Dat is een positieve ontwikkeling, maar neemt niet weg dat de vrouw lange tijd de hoofdverzorger van [minderjarige ] is geweest en dat zij dat ook nu nog steeds is. Het hof acht dan ook het belang van [minderjarige ] om met de vrouw in de voor haar bekende en vertrouwde omgeving te verblijven doorslaggevend voor de vraag wie voorlopig in de woning mag blijven.
Daaraan doet niet af de stelling van de man dat hij de woning ook nodig heeft om omgang te hebben met [minderjarige 2] , zijn dochter uit een eerdere relatie. Duidelijk is dat [minderjarige 2] bij haar moeder woont. Ter zitting in hoger beroep is niet komen vast te staan dat [minderjarige 2] in de huidige woning van partijen een eigen kamer had en daar overnachtte. [minderjarige 2] is bovendien al 14 jaar oud. De woning is dan ook geen voorwaarde voor de man om contact met [minderjarige 2] te kunnen hebben.
De man heeft verder nog gesteld dat hij geen netwerk heeft waar hij terecht kan en dat de kans om een opvangplaats te vinden bijvoorbeeld via Flexwonen of woningen voor spoedzoekers voor hem nagenoeg nihil is vanwege de lange wachtlijsten. De vrouw kan daarentegen terecht in een blijf-van-mijn-lijfhuis, dan wel bij haar nieuwe partner of haar zus in [plaats B] . De man heeft bovendien erop gewezen dat partijen al eerder uit elkaar zijn gegaan, dat de vrouw toen is weggegaan, en dat zij toen redelijk eenvoudig andere woonruimte heeft gevonden.
Het hof onderkent dat het voor de man lastig is om andere woonruimte te vinden. Dat is het echter ook voor de vrouw. Daarbij is onvoldoende komen vast te staan dat de vrouw een nieuwe partner heeft waar zij zou kunnen intrekken of dat zij tijdelijk bij haar zus zou kunnen gaan wonen. Zouden deze mogelijkheden wel bestaan, dan doen deze bovendien onvoldoende recht aan het belang van [minderjarige ] bij rust en stabiliteit. Om die reden kan van de vrouw ook niet worden verlangd dat zij zich aanmeldt bij een blijf-van-mijn-lijfhuis. Het hof acht een dergelijke omgeving niet in het belang van [minderjarige ] (nog daargelaten dat de man ontkent dat structureel sprake is van huiselijk geweld). De man heeft daarnaast onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een opzetje door de vrouw, waarbij zij heeft toegewerkt naar een situatie waarbij de man de woning moest verlaten.
De man heeft ook nog gewezen op zijn psychische kwetsbaarheid en de negatieve invloed die een verhuizing en onzekerheid over zijn woonsituatie hierop zal hebben. Het hof onderkent deze problemen. Tegelijkertijd is de vrouw ook kwetsbaar. Zoals hiervoor reeds overwogen, kampt zij met ernstige stressklachten, heeft zij ernstig ondergewicht en is zij recent gestart met sondevoeding. Beide partijen hebben om die reden belang om het voorlopig gebruik van de woning toegewezen te krijgen. Daarbij neemt het hof bovendien in overweging dat bij de man de nodige hulpverlening is betrokken die hem kan ondersteunen bij de negatieve invloed die een verhuizing en de daarmee gepaard gaande onzekerheid op hem zal hebben. Ter zitting is verder gebleken dat inmiddels hulpverlening is opgestart om de omgang tussen [minderjarige ] en de man verder op te bouwen. Deze hulpverlening kan partijen ook begeleiden om er voor te zorgen dat het contact tussen de man en [minderjarige ] blijft gewaarborgd als de man de woning moet verlaten.
Tot slot leidt ook de omstandigheid dat het merendeel van de inboedel aan de man toebehoort niet tot een ander oordeel. Partijen kunnen afspreken dat de man zijn inboedel voorlopig nog in de woning kan laten staan. Als de man zijn inboedel wil meenemen, kan dat ook. In dat geval zal de vrouw veel nieuwe inboedelgoederen moeten kopen, maar dat is niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag aan wie het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning toegekend moet worden.
Op grond van al het voorgaande zal het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen.
Het hof zal de proceskosten compenseren, omdat partijen voormalig partners van elkaar zijn.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. T.M. Subelack, A.R. Sturhoofd en D.H. Steenmetser-Bakker en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.