GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.333.719/01
zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/330122 / HA ZA 22-431
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M.V. Vermeij te Alkmaar,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S. Kuipers te Leeuwarden,
Partijen worden hierna [appellant] en Rabobank genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak betreft een vordering van € 250.000,= van Rabobank op [appellant] uit hoofde van een borgtochtovereenkomst. Partijen zijn het niet eens over de vraag of het om een particuliere of een zakelijke borgtocht gaat. Het gaat verder onder meer om de vraag of [appellant] heeft gedwaald bij het aangaan van de borgtocht en of Rabobank jegens [appellant] en/of [bedrijf 1] is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht. Het hof oordeelt dat het een zakelijke borgtocht betreft, dat [appellant] niet heeft gedwaald bij het aangaan van de borgtocht en dat Rabobank niet in haar zorgplicht jegens [appellant] en [bedrijf 1] is tekortgeschoten. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
2. 2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 2 augustus 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 3 mei 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Rabobank als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met één productie;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 9 mei 2025 laten toelichten door hun advocaten, beide aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling producties toegezonden.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden.
3. Feiten
De rechtbank heeft onder 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
[appellant] is actief als ondernemer in de horecabranche.
[appellant] was vanaf eind december 2001 bestuurder en enig aandeelhouder van A.
[bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). De statutaire doelomschrijving van [bedrijf 1] zoals vermeld in artikel 2 van de statuten van [bedrijf 1] luidt, voor zover hier van belang:
“c. het oprichten en verwerven van, het deelnemen in, het samenwerken met, het voeren van de directie over, alsmede het (doen) financieren van andere ondernemingen, in welke rechtsvorm ook;
d. het verstrekken en aangaan van geldleningen (…);”
Begin 2011 heeft [bedrijf 1] samen met een andere vennootschap (hierna: [naam 1] ) een vennootschap onder firma opgericht, genaamd VOF Altijd Handig (hierna: de vof). De vof hield zich onder meer bezig met het importeren en het exporteren van horeca- en terrasmeubilair en was feitelijk een voortzetting van de onderneming van [naam 1] .
Op 1 september 2013 is [naam 1] uit de vof getreden met terugwerkende
kracht per 1 januari 2013. [appellant] heeft de onderneming van de vof voortgezet in
[bedrijf 1] . [bedrijf 1] en [appellant] hebben zich in verband met de financiering van deze voortzetting laten bijstaan door [bedrijf 2] Corporate Finance (hierna: [bedrijf 2] ), een professionele ‘corporate finance’ adviseur.
Voor de voortzetting van de onderneming inclusief de uitkoop van [naam 1]
had [bedrijf 1] (her)financiering nodig. [bedrijf 2] heeft daartoe namens [bedrijf 1] op 12 augustus 2013 een financieringsaanvraag opgesteld (hierna: de financieringsaanvraag). De financieringsaanvraag telt bijna 20 pagina’s (exclusief bijlagen) en bevat een bedrijfseconomische onderbouwing voor de benodigde financieringsbehoefte van € 795.000,=. De conclusie van de financieringsaanvraag was dat de financiële positie van [bedrijf 1] toereikend was om de financieringslasten te kunnen dragen. De financieringsaanvraag vermeldt dat de te verstrekken financiering onvoldoende door zekerheidsrechten werd gedekt en bevat het voorstel om daarom een staatsgarantie aan te vragen.
De financieringsaanvraag is op 20 augustus 2013 bij Rabobank ingediend, waarna een gesprek tussen [bedrijf 1] en Rabobank heeft plaatsgevonden.
In een intern document van Rabobank, genaamd ‘Toelichting Financieringsaanvraag (standaard)’ van 20 augustus 2013 (hierna: de toelichting financieringsaanvraag), heeft Rabobank gedetailleerd uiteengezet waarom zij de door [bedrijf 1] gevraagde financiering goedkeurt.
Rabobank heeft de financieringsaanvraag goedgekeurd op voorwaarde dat [bedrijf 1] een vermogensverklaring zou afgeven en [appellant] een borgtochtovereenkomst zou aangaan. Rabobank heeft daartoe op 24 september 2013 een akte van borgtocht aan [appellant] verstrekt. Rabobank heeft het financieringsvoorstel op 26 september 2013 uitgebracht. Op 2 oktober 2013 heeft [appellant] de akte van borgtocht (hierna: de borgtocht) ondertekend. Op die datum heeft hij ook namens [bedrijf 1] het financieringsvoorstel (hierna: de krediet- overeenkomst) ondertekend.
Op de borgtocht zijn onder meer van toepassing de Algemene voorwaarden voor borgtocht van de Rabobank voor bedrijfsfinancieringen 2009 (hierna: de algemene voorwaarden).
Op grond van de kredietovereenkomst heeft Rabobank aan [bedrijf 1] een
financiering verstrekt van € 795.000,=. [appellant] heeft zich op grond van de borgtocht borg gesteld tot zekerheid voor al hetgeen Rabobank van [bedrijf 1] te vorderen heeft of zal hebben tot een maximum van € 250.000,=.
[bedrijf 1] (toen nog opererend onder de naam Altijd Handig Horeca B.V) is op 30 mei 2017 failliet verklaard.
Bij brief van 2 juni 2017 heeft Rabobank aan [appellant] bericht dat zij genoodzaakt zal zijn om hem als borg aan spreken. Vervolgens heeft Rabobank [appellant] per e-mail van 3 januari 2018 als borg aangesproken en hem gesommeerd om uiterlijk op 1 februari 2018 € 250.000,= te betalen.
[appellant] heeft bij brief van 8 juli 2022 aan Rabobank de buitengerechtelijke vernietiging ingeroepen van de borgtocht op grond van dwaling.
4. Eerste aanleg
Rabobank heeft in eerste aanleg gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 250.000,= te vermeerderen met wettelijke rente.
[appellant] heeft in eerste aanleg voorwaardelijk gevorderd: primair een verklaring voor recht dat de buitengerechtelijke vernietiging van de borgtocht op 8 juli 2022 rechtsgeldig is ingeroepen, subsidiair vernietiging van de borgtocht op grond van dwaling, en, meer subsidiair, veroordeling van Rabobank tot betaling van € 250.000,= ten titel van schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van Rabobank in de proceskosten.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van Rabobank toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen.
5. Beoordeling
[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, de vorderingen van Rabobank zal afwijzen en voor recht zal verklaren dat:
(1) de borgtocht een particuliere borgtocht betreft;
(2) Rabobank een bijzondere zorgplicht en/of een waarschuwingsplicht had jegens [appellant] ; (3) Rabobank deze plicht(en) heeft geschonden;
(4) Rabobank onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden schade;
(5) die schade gelijk is aan de hoogte van de vordering van Rabobank op [appellant] ;
(6) [appellant] rechtsgeldig een beroep op verrekening heeft gedaan;
(7) op grond van de redelijkheid en billijkheid Rabobank uit hoofde van de borgtocht geen betaling meer van [appellant] kan vorderen;
(8) [appellant] rechtsgeldig de buitengerechtelijke vernietiging van de borgtochtovereenkomst heeft ingeroepen; subsidiair vordert [appellant] dat de borgtochtovereenkomst zal worden vernietigd.
Tot slot vordert [appellant] dat (9) Rabobank zal worden veroordeeld tot betaling van € 250.000,=, met rente,
een en ander met beslissing over de proceskosten.
Rabobank heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met beslissing over de proceskosten.
[appellant] beroept zich zowel op stellingen die zijn eigen positie als borg betreffen als op stellingen die zien op de verbintenis van [bedrijf 1] als hoofdschuldenaar van Rabobank. Het hof begrijpt dat [appellant] met die tweede categorie verweermiddelen inroept die [bedrijf 1] jegens Rabobank heeft (artikel 7:852 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
geen rechtsverwerking
[appellant] voert met zijn eerste grief aan dat Rabobank haar recht om hem uit hoofde van de borgtocht aan te spreken heeft verwerkt. Rabobank heeft onvoldoende voortvarendheid betracht bij en te lang gewacht met het nemen van rechtsmaatregelen jegens hem. Rabobank wist al in juni 2017 dat de opbrengst van de aan haar verstrekte zekerheden onvoldoende zou zijn om haar vordering op [bedrijf 1] te voldoen, maar heeft daarna tot juni 2022 gewacht met een beroep op de borgtocht en in de tussenliggende periode slechts standaard sommatiebrieven gestuurd, aldus [appellant] .
Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat erop neer komt dat Rabobank enkel door tijdsverloop haar recht zou hebben verwerkt. Dat is onvoldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Uit de door Rabobank en haar incassogemachtigde gestuurde sommatiebrieven van 3 januari 2018 (zie onder 3.12), 18 mei 2020 (via haar incassogemachtigde) en 12 mei 2022 blijkt bovendien juist dat Rabobank bleef aandringen op betaling. Dat sprake zou zijn van standaard sommatiebrieven zoals [appellant] stelt, wat daar verder ook van zij, doet daar niet aan af. [appellant] heeft ook geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij er anderszins op mocht vertrouwen dat Rabobank hem niet meer uit hoofde van de borgtocht zou aanspreken.
zakelijke borgtocht
Partijen verschillen van mening over de vraag of de borgtocht een particuliere dan wel een zakelijke borgtocht is. Een borgtocht is een particuliere borgtocht indien deze is aange- gaan door een natuurlijk persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, noch ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van het bedrijf van een naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan hij bestuurder is en alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen heeft (artikel 7:857 BW). Handelde de desbetreffende natuurlijke persoon wel ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de besloten of naamloze vennootschap, dan is sprake van een zakelijke borgtocht.
Vaststaat dat [appellant] ten tijde van het aangaan van de borgtocht enig aandeelhouder en bestuurder was van [bedrijf 1] , een houdstermaatschappij. De borgtocht is afgegeven in verband met het aan [bedrijf 1] verleende krediet dat ertoe strekte [bedrijf 1] in staat te stellen [naam 1] uit te kopen en de onderneming van de vof voort te zetten. De kredietovereenkomst was dan ook dienstig aan de voortzetting van de voorheen door de vof gedreven en door [bedrijf 1] voortgezette onderneming en behoort tot de rechtshandelingen die ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van [bedrijf 1] is verricht. Daarmee is de borgtocht, die tot zekerheid voor deze kredietovereenkomst diende, een zakelijke borg.
Daarnaast geldt het volgende. Tot de normale bedrijfsuitoefening van een houdstermaatschappij behoort het verwerven, houden en vervreemden van belangen in andere vennootschappen of bedrijven. [bedrijf 1] had al eerder belangen in andere ondernemingen, zoals het restaurant [naam 3] in [plaats] en HV AB B.V. verworven. Ook het aantrekken van krediet voor de hiervoor bedoelde activiteiten behoort veelal tot de gebruikelijke activiteiten van een houdstermaatschappij en van vennootschappen in het algemeen. De statutaire doelomschrijving van [bedrijf 1] (zie onder 3.2.) vermeldt deze activiteit ook expliciet. Los van de vraag of de statutaire doelstelling een standaardbepaling is, vallen het uitkopen van [naam 2] , het voortzetten van de onderneming van de vof door [bedrijf 1] en het daartoe aantrekken van de financiering van Rabobank daaronder. Of met de financiering de liquiditeit van [bedrijf 1] al dan niet werd verhoogd, is in dit verband niet relevant.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de borgtocht een zakelijke borgtocht is.
geen dwaling [appellant] bij het aangaan van de borgtocht
[appellant] stelt dat hij heeft gedwaald bij het aangaan van de borgtocht. Om deze redenen heeft [appellant] de borgtocht buitengerechtelijk vernietigd (zie onder 3.13). [appellant] heeft aangevoerd dat Rabobank jegens hem als borg haar inlichtingenplicht heeft geschonden (artikel 6:228 lid 1 onder b BW). [appellant] doet ook een beroep op artikel 6:228 lid 1 onder a BW.
geen schending inlichtingenplicht (artikel 6:228 lid 1 onder b BW)
[appellant] stelt dat hij door toedoen van Rabobank is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken ten aanzien van de borgtocht aangezien Rabobank hem niet heeft geïnformeerd over en gewaarschuwd voor de risico’s die verband hielden met de borgtocht. Volgens [appellant] blijken die risico’s ook uit de eigen beoordeling van de Rabobank.
Het hof merkt op dat [appellant] daarmee kennelijk het oog heeft op risico’s die verband houden met de volgens [appellant] precaire financiële positie van [bedrijf 1] die de verstrekte financiering zeer risicovol zouden maken.
Ten aanzien van een zakelijke borgtocht zoals hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat een dwaling van de borg ter zake de financiële positie van de schuldenaar voor wiens schuld de borgtocht tot zekerheid strekt naar de aard van de borgtocht in de zin van art. 6:228 lid 2 BW voor rekening van de borg behoort te blijven. Dit beginsel geldt echter niet indien de dwaling is te wijten aan de wederpartij van de borg in dier voege dat zij is teweeggebracht door gedragingen van die wederpartij, zoals die als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder a en b BW (verg. HR 3 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1383 Direktbank/Breda).
Rabobank heeft geen inlichtingenplicht geschonden ten aanzien van de risico’s van het aangaan van de borgtocht. Naar het hof begrijpt gaat het [appellant] onder meer om de verhouding tussen het eigen vermogen van [bedrijf 1] en het totale obligo en de geringe zekerheid alsmede de in het verleden behaalde negatieve resultaten. Rabobank heeft daar tegenover gesteld dat de door [appellant] genoemde factoren zijn terug te vinden in de door [appellant] en zijn financieel adviseur opgestelde financieringsaanvraag en allemaal uitgebreid aan bod zijn gekomen bij gesprekken die Rabobank met [appellant] voerde in het kader van de beoordeling van de financieringsaanvraag. [appellant] stelt verder geen concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat Rabobank haar uit artikel 6:228 lid 1 BW voortvloeiende inlichtingenplicht jegens hem heeft geschonden. Het beroep van [appellant] op artikel 6:228 lid 1 onder b BW faalt dan ook.
geen schending mededelingsplicht (artikel 6:228 lid 1 onder a BW)
[appellant] doet ook een beroep op artikel 6:228 lid 1 sub a BW. Volgens [appellant] heeft Rabobank hem meegedeeld dat de borgstelling niet meer dan een formaliteit was en dat Rabobank daar in de praktijk niets mee zou kunnen. Daaruit mocht [appellant] afleiden dat Rabobank hem nooit op grond van de borgtocht zou aanspreken. Zonder deze mededeling zou [appellant] de borgtocht niet zijn aangegaan, aldus [appellant] .
Het hof overweegt als volgt. In het kader van de beoogde financiering zou Rabobank door het uittreden van [naam 1] bestaande zekerheden moeten vrijgeven. [bedrijf 1] stelde mede daarom zelf in de financieringsaanvraag voor om een borgstelling van de staat (staatsgarantie) aan te vragen. Uit de toelichting financieringsaanvraag blijkt dat voor het verkrijgen daarvan een maximale inbreng van [appellant] als directeur-grootaandeelhouder was vereist en dat daarvoor onroerende zaken (in privé en in de maatschap [naam 4] , waarin [appellant] voor 50% participeerde, hierna: [naam 4] ) moesten worden verhypothekeerd. De geschatte overwaarde van de panden in [naam 4] bedroeg – onbetwist – € 250.000,=. De vestiging van deze hypotheken bleek in de praktijk echter niet haalbaar. Voor de hypothecaire zekerheid kwam uiteindelijk een borgtocht van [appellant] privé van eveneens € 250.000,= in de plaats. Partijen kwamen dus overeen dat de beoogde hypothecaire zekerheid werd ‘uitgeruild’ tegen een borgtocht van [appellant] in privé tot een zelfde maximale waarde. Rabobank verkreeg langs deze weg alsnog de gewenste zekerheden en ook de staatsgarantie werd afgegeven. De borgtocht kende voor Rabobank dus wel degelijk zekerheidswaarde en was geen ‘formaliteit’. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] zijn stelling in die zin aangepast dat een medewerker namens Rabobank alleen zou hebben gezegd “afkopen en klaar” indien Rabobank hem zou aanspreken. Dit duidt er juist niet op dat Rabobank jegens [appellant] nooit meer aanspraak zou maken op de borgtocht. Zelfs als de door [appellant] gestelde mededeling door Rabobank zou zijn gedaan heeft [appellant] deze, gelet op het voorgaande en in de gegeven omstandigheden, niet zo mogen opvatten als hij kennelijk heeft gedaan. In het midden kan daarom blijven of de door [appellant] gestelde en door Rabobank betwiste mededelingen zijn gedaan bij het aangaan van de borgtocht. Het beroep van [appellant] op artikel 6:228 lid 1 onder a BW faalt dan ook.
Het beroep op dwaling van [appellant] wordt verworpen. Daarmee is de borgtocht niet vernietigbaar en heeft de brief van 8 juli 2022 (zie onder 3.13) in die zin geen rechtsgevolg gehad. Voor zover [appellant] mede heeft willen stellen dat Rabobank afstand heeft gedaan van haar recht om de borgtocht in te roepen of haar recht daartoe heeft verwerkt, gaat dit niet op omdat [appellant] deze mededelingen in de gegeven omstandigheden niet zo heeft mogen opvatten als hij kennelijk heeft gedaan.
geen zorgplichtschending
Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] over schending van de zorgplicht van Rabobank aldus dat hij meent dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden jegens [bedrijf 1] bij het aangaan van de kredietovereenkomst. De ter onderbouwing van zijn stelling dat Rabobank haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden (grief 3) aangevoerde feiten en omstandigheden zien namelijk op de kredietverlening aan [bedrijf 1] .
Daarnaast meent [appellant] blijkens zijn stellingen dat Rabobank haar zorgplicht jegens [appellant] zelf bij het aangaan van de borgtocht heeft geschonden.
Het hof stelt voorop dat de maatschappelijke functie van banken een zorgplicht meebrengt. Het kan daarbij onder meer gaan om onderzoeks-, advies-, informatie- en waarschuwingsplichten. De inhoud van deze zorgplicht hangen mede af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico's.
geen zorgplichtschending jegens [bedrijf 1]
[appellant] stelt – samengevat – dat sprake was van een zeer risicovolle of onverantwoorde financiering en overkreditering en dat [bedrijf 1] de aan het krediet verbonden financiële lasten niet kon dragen. De hoge risico’s blijken volgens [appellant] uit de toelichting Financieringsaanvraag van Rabobank zelf. [appellant] vindt dat Rabobank [bedrijf 1] voor het sluiten van de kredietovereenkomst daarover had moeten informeren. Door dit na te laten, heeft Rabobank haar zorgplicht jegens [bedrijf 1] geschonden
Voor de beoordeling van de gestelde zorgplichtschending is van belang dat het aan [bedrijf 1] verleende krediet een relatief eenvoudige geldlening is, die is verstrekt aan een onderneming.
Voorts is van belang dat [bedrijf 1] bij het aangaan van de financiering werd bijgestaan door [bedrijf 2] , een professionele adviseur, die de financieringsaanvraag heeft opgesteld en namens [bedrijf 1] veelvuldig met Rabobank heeft overlegd voordat overeenstemming werd bereikt. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben voorafgaand aan het tekenen van de financieringsdocumentatie met Rabobank ook kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan. Uit het ‘Businessplan Altijd Handig’ dat onderdeel was van de financieringsaanvraag (hierna: het businessplan) blijkt verder dat [bedrijf 1] een duidelijke en doordachte visie had op de beoogde overname en toekomstige exploitatie van de activiteiten van de vof (waartoe de financiering van Rabobank mede diende). Gelet hierop en gezien de professionele bijstand van [bedrijf 2] moet [bedrijf 1] worden geacht de uit de financiering voor haar voortvloeiende risico’s te hebben begrepen.
Rabobank heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de financierbaarheid van [bedrijf 1] en op basis van de door haar (intern) opgestelde toelichting financieringsaanvraag de financiering goedgekeurd. Daarbij heeft Rabobank de door [appellant] genoemde omstandigheden meegewogen. Uit dit document blijkt dat er volgens Rabobank weliswaar sprake was van een “bovengemiddeld risico” maar dat was onvoldoende voor de conclusie dat de financiering zeer risicovol, laat staan onverantwoord was. Rabobank heeft ook benoemd dat tegenover de risico’s voldoende zekerheden staan en verder heeft Rabobank in dat verband voorwaarden aan de lening gesteld, waaronder de borgtocht. Evenmin volgt uit de toelichting financieringsaanvraag dat was te voorzien dat [bedrijf 1] niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. Het faillissement van [bedrijf 1] in 2017 was voor Rabobank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst niet voorzienbaar en overigens aan andere, evenmin voor haar voorzienbare, omstandigheden te wijten (zoals een in de loop van 2017 ontstaan en steeds verder oplopend liquiditeitstekort).
De doortimmerde financieringsaanvraag en het businessplan maken verder duidelijk dat ook [bedrijf 1] zelf van mening was dat haar betalingscapaciteit (de operationele kasstroom) en rentabiliteit in de jaren 2013 en 2014 ruim voldoende zou zijn om aan alle financiële verplichtingen te voldoen en dat er voldoende ruimte was om eventuele tegenvallers op te kunnen vangen. De conclusie van [bedrijf 2] dat de uitgangspunten voor het verkrijgen van de benodigde financiering toereikend waren om de gevraagde financiering te verkrijgen vormt hiervan een bevestiging.
Onder deze omstandigheden heeft Rabobank haar zorgplicht jegens [bedrijf 1] niet geschonden.
geen zorgplichtschending jegens [appellant] als borg
[appellant] heeft gesteld dat sprake was van een zeer risicovolle financiering van Rabobank aan [bedrijf 1] en dat hieruit risico’s voor hem als borg voortvloeiden, waarvoor Rabobank hem had moeten waarschuwen. Zoals hiervoor geoordeeld, was geen sprake van een risicovolle financiering. Rabobank behoefte [appellant] dus ook niet te waarschuwen voor daaruit voortvloeiende risico’s voor [appellant] als borg. [appellant] ’s verwijt aan het adres van Rabobank stuit reeds hierop af. Voor zover op Rabobank jegens een zakelijke borg een zorgplicht rust, heeft zij deze niet geschonden. Zij heeft niet op die grond onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] . Aansprakelijkheid van Rabobank voor de door hem gestelde schade is daarmee evenmin aan de orde.
geen strijd met redelijkheid en billijkheid
Het hof verwerpt het betoog van [appellant] dat Rabobank geen beroep meer kan doen op de betalingsverplichting van [appellant] als gevolg van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid vanwege de schending van de zorgplicht. Hiervoor is al geoordeeld dat Rabobank haar zorgplicht niet heeft geschonden. [appellant] heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd die een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW rechtvaardigen.
Slotsom
Rabobank is gerechtigd [appellant] op zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de borgtocht aan te spreken. De grieven leiden niet tot vernietiging van het bestreden vonnis en [appellant] heeft geen belang bij een verdere beoordeling van de grieven. De vorderingen van [appellant] zijn niet toewijsbaar. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] heeft geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst leiden.
[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
griffierecht € 5.689,00
salaris advocaat € 9.414,00 + (tarief VI (€ 4.707,00), twee punten)
Totaal € 15.103,00.
6. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Rabobank vastgesteld op € 15.103,00 en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.L.M. Groenewegen, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.