GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.345.339/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 augustus 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
verzoeker,
advocaat: mr. M.V. Vermeij te Alkmaar,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
advocaat: mr. S. Kuipers te Leeuwarden.
Partijen worden hierna [appellant] en Rabobank genoemd.
1. Het procesverloop
[appellant] heeft bij verzoekschrift met producties, op 29 augustus 2024 ontvangen ter griffie van het hof, verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten.
Rabobank heeft bij verweerschrift, op 20 november 2024 ontvangen ter griffie van het hof, afwijzing van het verzoek bepleit met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 9 mei 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. M.V. Vermeij voornoemd en Rabobank door mr. S. Kuipers voornoemd, beide aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog nagekomen producties overgelegd.
Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is (nader) bepaald op heden.
2. Feiten
Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
[appellant] verzoekt in verband met een bij dit hof aanhangige hoofdzaak (met zaaknummer 200.333.719/01) het hof te bevelen dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden. In de hoofdzaak gaat het – verkort weergegeven – om het volgende.
[appellant] heeft in het kader van een door Rabobank in oktober 2013 aan A. [appellant] Holding B.V (hierna: [appellant] Holding) verstrekte financiering van € 795.000,00 ten gunste van Rabobank een borgtocht van € 250.000,= verstrekt tot zekerheid voor de vorderingen van Rabobank op [appellant] Holding (hierna: de borgtocht). [appellant] Holding is op 30 mei 2017 failliet verklaard en Rabobank heeft [appellant] op 3 januari 2018 als borg aangesproken.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat Rabobank jegens [appellant] Holding is tekortgeschoten dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld vanwege schending van een op haar rustende zorgplicht en dat hij heeft gedwaald bij het aangaan van de borgtocht. [appellant] heeft bij brief van 8 juli 2022 aan Rabobank de buitengerechtelijke vernietiging ingeroepen van de borgtocht en heeft uit hoofde van de borgtocht niets aan Rabobank betaald.
Rabobank heeft nakoming van de borgtocht gevorderd. [appellant] heeft in die procedure reconventionele vorderingen ingesteld. Bij vonnis van 3 mei 2023 (zaak- en rolnummer C/15/330122 / HA ZA 22-431) heeft de rechtbank de vordering van Rabobank toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] is bij dagvaarding van 2 augustus 2023 tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. De memorie van antwoord in de hoofdzaak is genomen op de rol van 20 februari 2024.
3. Beoordeling
[appellant] wenst een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te kunnen leveren van de volgende stellingen:
a. a) er was sprake van een verhoogd risico ten aanzien van de financiering en borgstelling;
b) [appellant] Holding en [appellant] zijn niet door Rabobank geïnformeerd over de risico's ten aanzien van de financiering en borgstelling en Rabobank heeft derhalve niet aan haar bancaire zorgplicht voldaan;
c) [appellant] is door Rabobank voorgehouden dat het aangaan van de borgstelling slechts een formaliteit was ten behoeve van het verkrijgen van de financiering; en
d) [appellant] heeft gedwaald met betrekking tot het aangaan van de financiering en borgstelling.
[appellant] wenst daartoe, naast hemzelf, de volgende getuigen te horen;
• [naam 1] en [naam 2] , (De Hooge Waerder, de adviseur die [appellant] Holding heeft bijgestaan bij het aanvragen van het krediet);
• [naam 3] (adviseur Rabobank);
• [naam 4] (bijzonder beheer Rabobank);
• [naam 5] (beoordelaar Rabobank).
Rabobank heeft gemotiveerd verzocht het verzoek af te wijzen.
Het verzoek is ingediend op grond van 186 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2025 vervallen, maar blijft gelden in deze zaak omdat deze voor die datum bij dit hof aanhangig is gemaakt.
Het hof stelt voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toewijsbaar is in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Uitgangspunt daarbij is dat de feiten die verzoeker wil bewijzen betwist moeten zijn en tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in art. 186 (oud) Rv kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt. Daarvan kan onder meer sprake zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten, alsmede op de grond dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde of dat toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld, bezwaar. Voorts geldt ook bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor de in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde regel dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt.
De onderdelen a), b) voor zover het gaat om het niet voldoen aan de bancaire zorgplicht en d) van het verzoek betreffen een juridische beoordeling die de rechter zelf kan en moet verrichten en geen feiten die zich lenen voor bewijslevering. Deze beoordeling dient dan ook plaats te vinden in de hoofdzaak. In zoverre voldoet het verzoek niet aan de eisen voor toewijzing.
Met betrekking tot de overige punten acht het hof het verzoek strijdig met de goede procesorde. Het verzoek is ingediend terwijl de hoofdzaak (in hoger beroep) zich reeds in een vergevorderd stadium bevond, te weten enige maanden na de memorie van antwoord. De hoofdzaak is inmiddels in staat van wijzen. De in hoger beroep geldende twee-conclusieregel brengt mee dat [appellant] al ten tijde van de indiening van zijn verzoek geen nieuwe grieven meer kon formuleren naar aanleiding van het door hem gewenste voorlopig getuigenverhoor. Het is in dit stadium van de procedure bij uitstek aan het hof in de hoofdzaak om te beoordelen of naar aanleiding van hetgeen voorligt aan (nieuwe) stellingen en onderbouwing een bewijsopdracht te geven. Indien het hof daartoe aanleiding ziet met betrekking tot deze overige punten, kan [appellant] de thans door hem in zijn verzoek genoemde personen als getuigen doen horen.
Het hof wijst het verzoek af. De overige bezwaren van Rabobank tegen het verzoek behoeven daarmee niet meer te worden behandeld.
[appellant] is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
griffierecht € 798,00
salaris advocaat € 1.290,00 (tarief II (€ 1.290,00, één punt)
Totaal € 2.088,00.
4. Beslissing
Het hof:
wijst het verzoek af;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Rabobank vastgesteld op € 2.088,00 en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.L.M. Groenewegen, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.