GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.354.809/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/753138/ HA ZA 24-705
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 augustus 2026
in de zaak van
QBITS B.V.,
gevestigd te Rijsenhout,
appellant,
advocaat: mr. W.S. van Dijk te Amsterdam,
tegen
DIGIBTW B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. L.C.L. Bults te Hoorn .
Partijen worden hierna Qbits en DigiBTW genoemd.
1. De zaak in het kort
Qbits vordert betaling van een bedrag van € 81.600,- dat zij in de periode 2016 - 2018 in delen aan (een rechtsvoorganger van) DigiBTW heeft overgemaakt. Volgens Qbits gaat het hier om een lening die moet worden terugbetaald. DigiBTW meent dat het om ingelegd kapitaal gaat dat tot het eigen vermogen van DigiBTW is gaan behoren. Net als de rechtbank volgt het hof het verweer van DigiBTW dat er geen sprake is van een overeenkomst van geldlening en wijst de vordering van Qbits daarom af.
2. Procesverloop in hoger beroep
Qbits is bij dagvaarding van 13 mei 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 maart 2025 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Qbits als eiseres en DigiBTW als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
In het tussenarrest van 10 juni 2025 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op verzoek van partijen niet is doorgegaan.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens akte houdende wijziging van eis van Qbits met producties 20 tot en met 31;
- memorie van antwoord tevens akte uitlating vermeerdering van eis van DigiBTW;
- akte overlegging aanvullende producties Qbits met producties 32 tot met 35;
Op 25 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Het hof heeft partijen tijdens de zitting meegedeeld dat de akte van Qbits behorend bij producties 32 tot en met 35 wordt geweigerd omdat de daarin opgenomen toelichting moet worden aangemerkt als een nieuw processtuk (verkapte memorie). Het hof heeft geoordeeld dat indienen daarvan in deze fase van de procedure in strijd is met de goede procesorde. Het hof heeft de producties zelf wel toegelaten en heeft partijen extra tijd gegeven om die tijdens de mondelinge behandeling toe te lichten en te weerspreken.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feitelijke achtergrond
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Qbits is een houdstermaatschappij. De aandelen van Qbits zijn gecertificeerd en zijn
in handen van Stichting Administratiekantoor Qbits. Tot 1 juli 2023 was een derde deel van
de uitgegeven certificaten in het bezit van de houdstermaatschappij van [naam 1]
(hierna: [naam 1] ) en twee derde deel in het bezit van de houdstermaatschappij BUOX B.V. van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en zijn broer.
DigiBTW is in januari 2017 opgericht. Tot 1 juli 2023 hield Qbits 67,5 % van de aandelen in de onderneming DigiBTW. De andere aandeelhouders waren de houdstermaatschappijen van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) (22,5%) en van [naam 4] (10%) (zie fig. 1)
(afbeelding 1)
Fig. 1
Tussen 2016 en 2018 hebben de (latere) aandeelhouders van DigiBTW naar rato van hun aandelenbezit op regelmatige basis geld verstrekt aan DigiBTW. Uit onderstaand overzicht blijkt dat Qbits vanaf juni 2016 in totaal € 81.600,- naar de bankrekening van DigiBTW heeft overgemaakt onder de omschrijving “inleg” of “investering”.
(afbeelding 2)
Op de balans van DigiBTW zijn deze bedragen onder het eigen vermogen geboekt als “informeel kapitaal”.
Vanaf 2019 heeft Qbits een rentedragende lening aan DigiBTW verstrekt, die als
zodanig in de jaarstukken van beide ondernemingen is verwerkt. Hiervoor is een
schriftelijke leningsovereenkomst opgesteld. De stand van deze lening bedroeg per eind
2022 € 27.456,-.
In de jaarrekening van DigiBTW van 2021 is ten slotte een schuld aan Qbits opgenomen van € 91.948. Dit betreft een vordering van Qbits op DigiBTW wegens uitgestelde
managementvergoeding plus rente.
In zijn e-mail van 19 januari 2023 heeft [naam 2] namens het management van DigiBTW op de kort daarvoor per whatsapp gestelde vraag van [naam 1] , luidend:
“En dan is de langlopende schuld het geld wat is bijgestort vanuit qbits en deels is terugbetaald? 140 geleend en dan 125 af met wat rente”.
geantwoord: “Ja dat klopt, dat was een kortlopende schuld, is omgezet naar langlopend (…) De managementfee’s staan nu nog wel als kortlopend (…)”
En op de vraag:
“Want er is ook nog een stukje van wat een soort van agio is en die is 81.6k Is het een idee om al ie uitstaande bedragen, inclusief agio, om te zetten naar een langlopende schuld ? Heeft [naam 4] er ook nog iets aan, want volgens mij heeft [naam 3] er niks meer inzitten...”
antwoordde [naam 2] : “Dat is het ingelegde geld, wat nu als informeel kapitaal op de balans staat en staat los van de leningen. [naam 3] heeft daar 1.922 staan (en [naam 4] 12.088), omdat [naam 3] destijds namelijk fulltime voor DigiBTW is gaan werken. Op dat moment was er geen managementfee en was de afspraak gemaakt dat hij zijn inleg teruggestort kreeg om van te leven.
Dit is dus anders dan een kortlopende lening omzetten naar een langlopende lening. Hier komt meer bij kijken en bovendien heeft het direct invloed op de solvabiliteit, wat niet gunstig is wat afspraken met Knab betreft. Gezien het positieve resultaat dat verwacht wordt dit jaar, zal dat daarmee ook het laatste jaar zijn. Om deze reden heeft het niet de voorkeur om dat nu nog om te zetten”.
Medio 2023 hebben [naam 1] en [naam 2] onenigheid gekregen. Zij hebben vervolgens
besloten om hun zakelijke belangen te ontvlechten.
Op 22 juni 2023 hebben partijen met alle betrokkenen hierover een
vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO) gesloten. Daarin spraken zij af - kort gezegd -
dat Qbits haar aandelen(-belang van 67,5% in) DigiBTW aan BUQX zou overdragen. In ruil daarvoor zou [naam 1] (via zijn houdstermaatschappij) van BUQX een groter aandeel verkrijgen in Qbits en van BUQX een bijbetaling ontvangen van € 433.000,-. In de VSO is de (markt)waarde van (de) DigiBTW(-deelneming) vastgesteld op € 2.430.000 en zijn geen separate afspraken opgenomen over het hierboven genoemde bedrag van € 81.600. Aan de totstandkoming van de VSO zijn onderhandelingen voorafgegaan tussen (de advocaten van) [naam 1] en [naam 2] .
Uitvoering van de VSO leidde tot de volgende structuur (fig.2):
(afbeelding 3)
Fig. 2
Deze herstructurering dan wel ontvlechting komt erop neer dat [naam 1] (en zijn holding) en QBits sindsdien niet langer, ook niet middellijk, aandeelhouder van DigiBTW zijn en het belang daarin in meerderheid wordt gehouden door BUQX/ [naam 2] en de rest onveranderd door (de houdstermaatschappijen van) [naam 3] en [naam 4] , terwijl [naam 1] sindsdien een meerderheidsbelang in QBits houdt.
Na uitvoering van de VSO op 1 juli 2023 heeft DigiBTW de uitstaande lening van
€ 27.456,- aan Qbits terugbetaald. Daarnaast heeft DigiBTW aan Qbits het bedrag van € 91.948,- aan uitgestelde managementvergoeding betaald.
Qbits heeft DigiBTW verzocht om ook het bedrag van € 81.600,- terug te
betalen. DigiBTW heeft dat geweigerd en zich op het standpunt gesteld dat het bedrag tot
het eigen vermogen van DigiBTW behoort en niet hoeft te worden terugbetaald aan Qbits.
4. Procedure bij de rechtbank
Qbits heeft gevorderd DigiBTW te veroordelen tot betaling van € 81.600,- te vermeerderen met rente en kosten. Qbits heeft aan haar vordering ten grondslag dat tussen partijen is afgesproken dat de door Qbits aan DigiBTW verstrekte geldbedragen zouden worden terugbetaald zodra DigiBTW daartoe financieel in staat was.
De rechtbank heeft geoordeeld dat Qbits onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de verstrekte geldbedragen aan DigiBTW heeft geleend. Zij heeft op die grond de vordering afgewezen en Qbits veroordeeld in de proceskosten.
5. Vordering in hoger beroep
Qbits heeft tegen het bestreden vonnis hoger beroep ingesteld. Qbits wil dat het hof haar vordering alsnog toewijst en DigiBTW veroordeelt in de kosten van beide instanties. Omdat zij de procesveroordeling op 25 maart 2025 heeft voldaan, vordert zij de terugbetaling daarvan.
Qbits heeft in hoger beroep haar gronden aangevuld. Zij stelt aanvullend dat na de terugbetaling van de lening van € 27.456,- en de betaling van de uitgestelde managementvergoeding van € 91.948,- tussen Qbits en DigiBTW alsnog een leningsovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de terugbetaling van het door Qbits gestelde bedrag van € 81.600,-. Omdat de aanvulling door Qbits tijdig is gedaan en DigiBTW daartegen (terecht) geen bezwaar heeft gemaakt, betrekt het hof de aangevulde grondslag in zijn beoordeling.
Qbits heeft tien grieven tegen het vonnis aangevoerd. Grieven 1 tot en met 6 richten zich tegen het oordeel van de rechtbank en de daarvoor gegeven argumenten dat Qbits niet heeft aangetoond dat de door Qbits aan DigiBTW overgemaakte bedragen leningen zijn die moeten worden terugbetaald. Grieven 7 en 8 gaan over de door de rechtbank gehanteerde bewijslastverdeling. Onder grieven 9 en 10 voert Qbits aan dat DigiBTW hoe dan ook een terugbetalingsverplichting heeft. Doel van de grieven is dat het hof opnieuw beoordeelt of er sprake is van een lening met een terugbetalingsverplichting.
DigiBTW stelt zich op het standpunt dat de grieven niet kunnen slagen en verzoekt het hof de vordering van Qbits af te wijzen en het vonnis te bekrachtigen met veroordeling van Qbits in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.
6. Beoordeling in hoger beroep
Centraal in hoger beroep staat de vraag hoe de stortingen van Qbits aan DigiBTW voor het totaalbedrag € 81.600,- juridisch moeten worden gekwalificeerd. Gaat het hier om een (renteloze) lening die door DigiBTW aan haar toenmalige aandeelhouder Qbits moet worden terugbetaald, zoals Qbits stelt, of zijn de feitelijke fiscale en boekhoudkundige verwerking van de bedragen bepalend en is het bedrag daarom tot het eigen vermogen van DigiBTW gaan behoren, zoals DigiBTW betoogt en waarin de rechtbank haar is gevolgd. Daarnaast stelt Qbits dat, voor zover moet worden aangenomen dat het bedrag van € 81.600 aanvankelijk ten titel van kapitaal is verstrekt, dit na uitvoering van de VSO alsnog (rechtsgeldig) zou zijn geconverteerd in een geldlening.
Definitie en totstandkoming overeenkomst van geldlening
Artikel 7:129 lid 1 BW omschrijft de overeenkomst van geldlening als de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen. Zonder terugbetalingsverplichting is er geen sprake van een overeenkomst van geldlening.
De vraag of Qbits en DigiBTW (mondeling) een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan wordt bepaald aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Op grond van de Haviltex-maatstaf komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. In dat kader zijn alle omstandigheden van het geval relevant, waaronder het gebruik van begrippen met een vaste technische betekenis, de mogelijke deskundigheid van partijen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg. Ook verklaringen en gedragingen die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn bij de vaststelling wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst hebben bedoeld, maar dat verschuift het beoordelingsmoment niet, zoals Qbits onder grief 9 tevergeefs betoogt. Bepalend voor de vaststelling van de bedoeling van partijen is het moment van het verstrekken van de gelden. Partijen zijn het erover eens dat het hier gaat om de gelden die Qbits in de periode 2016 - 2018 aan DigiBTW heeft verstrekt.
Stelplicht en bewijslast lening
Omdat Qbits zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde geldleningsovereenkomst, rust op haar de stelplicht en gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door DigiBTW, de bewijslast en daarmee het bewijsrisico van die stelling. Dat DigiBTW in het kader van haar betwisting van het bestaan van de door Qbits gestelde leningen aanvoert dat de verrichte betalingen als agiostortingen kunnen worden aangemerkt, maakt niet dat DigiBTW dat dient te bewijzen. Anders dan Qbits onder grief 7 aanvoert, is dit een gemotiveerde betwisting van de stelling van Qbits en geen bevrijdend verweer waarvan de stelplicht en bewijslast op DigiBTW rusten.
Een schriftelijke overeenkomst ontbreekt
Een schriftelijke overeenkomst van geldlening ontbreekt. Het is daarom aan Qbits om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat de inleg van de voormalig aandeelhouders in DigiBTW als lening was bedoeld. Het hof is van oordeel dat Qbits dit ook in hoger beroep in onvoldoende mate heeft gedaan. Daartoe is het volgende redengevend.
Notulen van 2014
In reactie op het oordeel van de rechtbank dat Qbits geen e-mails, notulen of andere documenten heeft overgelegd uit de periode waarin partijen hun overboekingen aan DigiBTW hebben gedaan, brengt Qbits in hoger beroep notulen in van de bestuursvergaderingen in 2014 (dus ruim voor de oprichting van DigiBTW). Uit die notulen van de vergadering van 14 oktober 2014 (zie onderstaand citaat) blijkt volgens Qbits dat partijen toen al hebben besloten om zelf, via hun privéholdingen, geld uit te lenen aan DigiBTW en dat alle latere stortingen in het licht van deze afspraak moeten worden beschouwd. Dit wordt door DigiBTW gemotiveerd betwist.
(afbeelding 4)
Het hof is met DigiBTW van oordeel dat de gestelde afspraak geen steun vindt in de bewoordingen van genoemde notulen, nog daargelaten dat DigiBTW heeft betwist dat het hier gaat om (goedgekeurde) notulen van bestuursvergaderingen. Het hof acht het verder van belang dat partijen ook geen uitvoering hebben gegeven aan de gestelde afspraak “nemen we als lening op in balans”. De gestorte gelden zijn namelijk nooit, ook niet op de afzonderlijke balansen van de privéholdingen van de betrokken partijen, als lening geboekt, maar steeds als gestort kapitaal en, voorafgaand aan de oprichting van DigiBTW, als gestort kapitaal design op een daartoe door [bedrijf] gehouden afzonderlijke rekening bij de KNAB-bank. Ook de wijze waarop de gelden werden overgemaakt, namelijk periodiek, op vaste momenten en naar rato van het aandelenbelang, duidt naar het oordeel van het hof niet op een lening.
Het hof leest in de rest van de grieven en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. De grieven 1 tot en met 6 slagen daarom niet. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.
Vaste technische betekenis van eigen vermogen
Bij de vaststelling van de bedoelingen van partijen is verder relevant dat het door partijen gestorte kapitaal van in totaal € 81.600,- in de jaarrekeningen van DigiBTW is geboekt als eigen vermogen en niet als vreemd vermogen. Leningen die moeten worden terugbetaald, moeten als vreemd vermogen worden geboekt, ongeacht of de leningen rentedragend zijn. Van de aandeelhouders van DigiBTW mocht worden verwacht dat zij met dit onderscheid bekend zijn. Dit geldt in het bijzonder voor Qbits nu haar aandeelhouder/bestuurder [naam 1] naar eigen zeggen goed onderlegd is in boekhouden.
Door de aldus ingerichte en verantwoorde jaarrekeningen goed te keuren hebben de aandeelhouders jegens elkaar de verwachting gewekt dat het ook de bedoeling was dat het door hen gestorte kapitaal als informeel vermogen tot het vermogen van de onderneming zou gaan behoren en dus niet als lening zou moeten worden terugbetaald. Dat de Belastingdienst voorschrijft, zoals Qbits stelt en DigiBTW betwist, dat een renteloze lening in een fiscale jaarrekening als informeel kapitaal kan of moet worden geboekt, doet niet af aan de onderlinge civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de aandeelhouders. Aan het op de fiscale verwerking betrekking hebbende bewijsaanbod gaat het hof als niet ter zake dienend voorbij.
Verklaringen partijen duiden evenmin op een lening
Dat partijen desalniettemin bedoeld hebben een overeenkomst van geldlening aan te gaan, blijkt naar het oordeel van het hof niet uit de berichten van [naam 3] van 1 juli 2022 (door de rechtbank aangehaald in rechtsoverweging 4.8.) en 6 december 2023. In de e-mail van 1 juli 2022 heeft [naam 3] het over verschillende schulden, in de vorm van leningen, informeel kapitaal, en nog te betalen management fee. Het door hem gemaakte onderscheid bevestigt naar het oordeel van het hof juist dat [naam 3] (in zijn hoedanigheid van bestuurder en aandeelhouder van DigiBTW) het informeel kapitaal niet als een lening beschouwde. Het bericht van 6 december 2023 brengt daarin geen verandering. Daarin schrijft [naam 3] slechts dat hij zich niet kan voorstellen dat het bedrag aan kapitaal niet naar Qbits moet. Hier kwalificeert hij de gelden dus uitdrukkelijk als gestort kapitaal en niet als lening.
Anders dan Qbits stelt, leest het hof in de e-mail van de advocaat van DigiBTW van 1 juni 2023 evenmin een bevestiging dat het bedrag van € 81.600,- aan DigiBTW is geleend en moet worden terugbetaald. Gezien de jarenlange presentatie en behandeling van deze gelden als informeel kapitaal en de vermelding als zodanig op de balans, had, indien Qbits in het kader van de onder 3.8 genoemde ontvlechting had gewild dat het bedrag van € 81.600,- als schuld aan haar zou worden afgelost, het voor de hand gelegen dat in de VSO op te nemen. Dit is niet gebeurd.
Het door Qbits beoogde rechtsgevolg, namelijk dat het bedrag van € 81.600,- alsnog aan haar moet worden terugbetaald, ligt ook niet voor de hand. Immers, zoals DigiBTW onbestreden heeft gesteld, het bedrag van € 81.600,- behoorde volgens de jaarrekeningen van DigiBTW tot haar kapitaal en is als zodanig betrokken en meegerekend bij de waardering en koopprijs die Qbits in het kader van de VSO heeft ontvangen voor haar aandelenbelang in DigiBTW. Qbits is door de overeengekomen betaling in de VSO dus al gecompenseerd voor het eerder door haar aan Qbits betaalde bedrag van € 81.600,-. Dat Qbits recht zou hebben op nogmaals dat bedrag omdat het een lening zou zijn, ligt niet dan niet voor de hand.
Terugbetaling [naam 3]
Tussen partijen is niet in geschil dat de kapitaalinleg van [naam 3] Holding aan [naam 3] is (terug)betaald, omdat hij op dat moment geen management fee kreeg uitgekeerd, terwijl hij wel fulltime voor DigiBTW werkte en geld nodig had om van te leven. Daaraan heeft, voor zover die betalingen strekten tot terugbetaling van [naam 3] ’s informeel kapitaal, een overeenkomst tussen alle toenmalige aandeelhouders ten grondslag gelegen (tot deels ongelijke behandeling). De betalingen bieden daarmee tot slot evenmin steun voor de stelling van Qbits dat er desalniettemin sprake was van een leningsovereenkomst met haar.
Geen nieuwe overeenkomst na de VSO
De in hoger beroep ingenomen stelling dat partijen na de VSO alsnog mondeling zijn overeengekomen dat het informeel kapitaal (rechtsgeldig) is geconverteerd in een geldlening of dat DigiBTW op een andere grond het bedrag van € 81.600,- aan Qbits zou terugbetalen, is op geen enkele wijze onderbouwd en wordt door DigiBTW betwist. Het hof gaat aan die stelling dan ook voorbij. De grieven 9 en 10 stuiten hierop af.
Slotsom, bewijsaanbod en proceskosten
De conclusie uit het voorgaande is dat Qbits niet heeft aangetoond dat de stortingen voor het totaalbedrag van € 81.600,- op grond van een overeenkomst van geldlening zijn gedaan. Gelet op deze uitkomst, heeft Qbits geen belang bij de door de grieven opgeworpen vraag of er sprake is van agio of dividenduitkeringen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, zoals volgt uit de overwegingen in dit arrest.
Het hoger beroep slaagt niet. Het bestreden vonnis wordt onder aanvulling van gronden bekrachtigd en Qbits wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van DigiBTW op totaal € 6.959,-, namelijk € 2.255,- voor griffierecht en € 4.704,- voor salaris advocaat (2 punten × tarief IV).
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt Qbits in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 6.959,-;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, J.M. van den Berg en O.J. van Leeuwen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.