ECLI:NL:GHAMS:2026:2259

ECLI:NL:GHAMS:2026:2259

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 14-08-2026
Zaaknummer 23-000799-24, 23-000800-24, 23-000801-24, 23-000820-24, 23-003296-22, 23-003297-22, 23-003298-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Proces-verbaal. Prejudiciële vraag in het onderzoek Trailers. De meervoudige kamer voor strafzaken die de in dit proces-verbaal vermelde beslissingen heeft genomen, bestaat uit mr. H.A. Stalenhoef, mr. W.J. Blokland en mr. L.F. Roseval.

Uitspraak

Zaaksdossier Trailers 1

De verdachte,

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1977,

adres: [adres 1] ,

is niet verschenen.

Namens de verdachte,

[bedrijf 1] B.V.,

gevestigd te [adres 1] ,

is niemand verschenen.

De raadslieden van deze verdachten, mr. L.H.E. Møller, advocaat te Breda, en mr. J.B.S. Dorant, advocaat te Haarlem, zijn evenmin ter terechtzitting verschenen.

Zaaksdossier Trailers 2

De verdachte,

[verdachte 2] ,

geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1962,

adres: [adres 2] ,

is niet verschenen,

Namens de verdachten,

[bedrijf 2] B.V.,

gevestigd te [adres 3] ,

en

[bedrijf 3] B.V.,

gevestigd te [adres 4] ,

is niemand verschenen.

De raadslieden van deze verdachten, mr. M.H.W.N. Lammers en mr. J.T.E. Vis, advocaten te Amsterdam, zijn evenmin ter terechtzitting verschenen.

Zaaksdossier Trailers 4

De verdachte,

[verdachte 3] ,

geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 1973,

adres: [adres 5] ,

is niet verschenen.

Namens de verdachte,

[bedrijf 4] B.V.,

gevestigd te [adres 6] ,

is niemand verschenen.

De raadsvrouw van deze verdachten, mr. C.E. van Dijk, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen

De strafzaken van de zeven verdachten worden gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.

De raadsheer deelt mede dat het op 19 juni 2026 onderbroken onderzoek ter terechtzitting in alle zaken wordt hervat en dat op de zitting van vandaag, zoals aangekondigd, op de aan de Hoge Raad voor te leggen prejudiciële vraag zal worden beslist, over welk vraag de procespartijen reeds zijn gehoord.

De raadsheer deelt mee als overwegingen en beslissingen van het hof:

Vonnissen waarvan beroep en onderzoek van de zaken tot dusver

In de vonnissen waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachten veroordeeld voor onder meer (het feitelijk leiding geven aan) het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift, een en ander in relatie tot btw-fraude in de handel met tweedehands personenauto’s. Alle verdachten hebben hoger beroep ingesteld, en in enkele zaken eveneens het openbaar ministerie.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is in alle zaken aangevangen op 20 mei 2026 met een bespreking van de onderzoekswensen en van de vraag of aanleiding bestaat om een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, vanwege de overwegingen van de belastingkamer van de Hoge Raad over beboeting in gevallen van btw-fraude in het arrest van 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279.

In alle zaken heeft zowel de verdediging als de advocaat-generaal verklaard zich te kunnen vinden in het op voorhand, dat wil zeggen: nog voor de nadere bespreking van de feiten in hoger beroep, stellen van een dergelijke prejudiciële vraag. Voor de feitelijke context kunnen vaststellingen die de rechtbank heeft gedaan als voorlopig uitgangspunt worden genomen.

Korte schets van de zaken

De voorliggende strafzaken vloeien voort uit het strafrechtelijk onderzoek genaamd ‘Trailers’. Dat onderzoek bestaat uit vier deelonderzoeken (Trailers 1 tot en met 4), gericht op vijf Nederlandse autobedrijven die ervan worden of werden verdacht actief betrokken te zijn geweest bij grootschalige internationale btw-fraude met tweedehands auto’s. Tot die vijf bedrijven behoren de rechtspersonen die in de voorliggende zaken verdachte zijn.

De (rol in de) btw-fraude die het openbaar ministerie de verdachte Nederlandse autobedrijven verwijt, is primair dat zij ‘btwauto’s’ hebben gefactureerd aan buitenlandse (‘katvanger’-)vennootschappen, terwijl zij wisten dat de kopers in werkelijkheid anderen waren. Op de betrokken facturen hebben de autobedrijven steeds het nultarief voor intracommunautaire leveringen (≈ exportlevering aan een ondernemer met als bestemming een andere EU-lidstaat) toegepast en is het btw-identificatienummer vermeld dat de lidstaat van vestiging (of althans oprichting) aan de betrokken vennootschap heeft toegekend. In vervoersdocumentatie (CMR’s) is verder vermeld dat de betrokken auto(’s) naar laatstbedoelde lidstaat werd(en) vervoerd, veelal in (Zuid-)Oost-Europa en Italië, terwijl bekend zou zijn geweest dat de auto(’s) feitelijk naar elders (vooral of uitsluitend Berlijn) werd(en) vervoerd. Aldus zouden de Nederlandse autobedrijven hebben bewerkstelligd dat:

De uit het voorgaande voortvloeiende tenlasteleggingen aan de verdachten zien op – kort gezegd – het opzettelijk doen van diverse onjuiste aangiften omzetbelasting in de jaren 2017 tot en met 2019 en het valselijk opmaken van facturen en de bedrijfsadministratie in diezelfde periode (de rechtspersonen), dan wel het feitelijk leiding geven aan die gedragingen (de natuurlijke personen). In de zaken die zijn voortgevloeid uit de deelonderzoeken Trailers 1 en 4 is daarnaast het opmaken van valse CMR’s tenlastegelegd.

De rechtbank heeft elk van de ten laste gelegde feiten in de bij het hof voorliggende zaken (Trailers 1, 2 en 4) ten minste in belangrijke mate bewezen geacht en strafbaar bevonden. Zij heeft de verdachten veroordeeld tot geldboetes (de rechtspersonen) en deels voorwaardelijke gevangenisstraffen (twee van de natuurlijke personen) dan wel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf (de derde natuurlijke persoon). De rechtbank heeft vrijgesproken in de strafzaken die zijn voortgevloeid uit het deelonderzoek Trailers 3. Tegen die vrijspraken is niet geappelleerd.

De bewezenverklaringen van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting zijn in de vonnissen van de rechtbank terug te voeren op een onterechte toepassing van het nultarief wegens btw-fraude. In de vonnissen in de zaken die zijn voortgekomen uit de deelonderzoeken Trailers 1 en Trailers 4 heeft de rechtbank expliciet overwogen dat de verdachten zelf actief btw-fraude hebben gepleegd of daaraan feitelijk leiding hebben gegeven. Die btw-fraude bestaat volgens de rechtbank uit het actief afschermen van de werkelijke kopers van de auto’s door het manipuleren van bewijs, waardoor kon worden belet dat de belasting juist werd geheven. Als gevolg van die zelf gepleegde btw-fraude bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen recht op het nultarief voor intracommunautaire leveringen, zodat omzetbelasting had moeten worden aangegeven (en voldaan) naar het algemene tarief. De rechtbank is niet toegekomen aan het subsidiaire standpunt van het openbaar ministerie, dat is deelgenomen aan btwfraude door wetenschap dan wel aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat verkopen van auto’s onderdeel waren van een keten van levering waarin btw-fraude werd gepleegd.

Aanleiding voor het stellen van de prejudiciële vraag

Het hof heeft eerder overwogen dat een belastingplichtige die (actief) btw-fraude pleegt ter zake van zijn aan- en/of verkopen in het kader van die fraude geen recht heeft op aftrek van voorbelasting of op toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen. Voor de belastingplichtige die weet of had moeten weten dat hij (passief) deelneemt aan een handeling die onderdeel is van een btw-fraude, geldt hetzelfde. Het hof heeft verwezen naar onder meer punt 46 van het arrest-Italmoda van het Hof van Justitie van de Europese Unie, inhoudende dat de weigering van die ‘voordelen’ de afspiegeling is van het algemene beginsel dat niemand in geval van misbruik of bedrog aanspraak kan maken op rechten die voortvloeien uit het rechtsstelsel van de Unie. Voorts heeft het hof veroordeeld voor het in artikel 69, lid 2, van de AWR vermelde feit in gevallen waarin aangiften omzetbelasting waren gedaan naar verschuldigde bedragen berekend met inachtneming van dergelijke ‘voordelen’, terwijl daarop vanwege btw-fraude geen recht bestond. Die veroordelingen hebben in cassatie standgehouden.

Evenzo heeft de belastingkamer van de Hoge Raad (hierna: de belastingkamer) in het verleden bestuurlijke beboeting op de voet van artikel 67f, lid 1, van de AWR aanvaard bij naheffingsaanslagen ter zake van het louter wegens btw-fraude onterecht toepassen van het nultarief voor intracommunautaire leveringen of het recht op aftrek. Artikel 67f van de AWR biedt de inspecteur van de Belastingdienst de mogelijkheid om een (vergrijp)boete op te leggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting die op aangifte moet worden voldaan, zoals omzetbelasting, niet geheel binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. De belastingkamer is echter bij arrest van 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279 (hierna: het arrest van 20 februari 2026), teruggekomen op zijn eerdere rechtspraak: artikel 67f, lid 1, van de AWR ziet niet op het niet-betalen van omzetbelasting in gevallen waarin de naheffingsaanslag louter berust op het door de inspecteur wegens misbruik of fraude ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief, zulks ter voorkoming van een schending van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen.

De vraag rijst of in relatie tot het in artikel 69, lid 2, van de AWR vermelde feit hetzelfde heeft te gelden als de belastingkamer voor de bestuurlijke beboeting op grond van artikel 67f, lid 1, van de AWR heeft geoordeeld. Bedoelde vraag speelt in de thans voorliggende zaken in zekere zin in het bijzonder. De vonnissen waarvan beroep zijn namelijk gebaseerd op een feitencomplex dat in grote trekken vergelijkbaar is met de feitelijke uitgangspunten in het arrest van 20 februari 2026. Een van de verdachten is zelfs de belanghebbende in dat arrest. Het gaat in haar strafzaak evenwel om andere transacties en om andere (latere) aangiftetijdvakken.

Indien de veroordeling door de rechtbank van de verdachten voor het in artikel 69, lid 2, van de AWR vermelde feit reeds om rechtskundige redenen niet kan standhouden, is dat van belang voor het verdere onderzoek ter terechtzitting. Daarnaast is het antwoord op de prejudiciële vraag van bijzonder gewicht door het grote zaaksoverstijgende belang. De advocaat-generaal heeft verklaard dat landelijk diverse strafrechtelijke onderzoeken en strafzaken lopen naar/over btw-fraude en dat daarin een verdenking dan wel tenlastelegging ter zake van het doen van onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting aan de orde is. Het betreft veelal zeer bewerkelijke en complexe onderzoeken en strafzaken. Duidelijkheid hierover is daarom zeer gewenst voor de strafrechtspraktijk.

Nadere motivering

Voor overeenkomstige toepassing van het arrest van 20 februari 2026 in het strafrecht kan het volgende pleiten. Uit rechtsoverweging 4.8.4 van dat arrest zou kunnen worden opgemaakt dat nationaalrechtelijk zonder meer aanspraak bestaat op het nultarief voor intracommunautaire leveringen wanneer de expliciet in de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) vermelde materiële voorwaarden voor toepassing van dat tarief zijn vervuld. Dat wil zeggen, de door de ondernemer geleverde goederen zijn in verband met de levering vervoerd naar een andere EU-lidstaat en zijn aldaar onderworpen aan heffing van belasting ter zake van een intracommunautaire verwerving (zie post a.6 van Tabel II behorende bij de Wet OB 1968). Daarbij verdient opmerking dat heffing ter zake van een intracommunautaire verwerving in een andere lidstaat in beginsel aan de orde komt als de afnemer een ondernemer is (vgl. artikel 1, onder b, en artikel 17a, lid 1, van de Wet OB 1968). Verder zou uit rechtsoverweging 4.8.4 kunnen worden opgemaakt dat wanneer (enkel) op grond van het EU-recht (toch) het nultarief moet worden geweigerd, vanwege schending van het algemene beginsel van het verbod op fraude en misbruik, niet kan worden gesteld dat de belasting die op aangifte had behoren te worden voldaan, niet is betaald. En derhalve allicht eveneens dat de aangifte omzetbelasting waarin het nultarief toch in aanmerking is genomen, niet als onjuist of onvolledig is te beschouwen. Dat zou impliceren dat het bestanddeel van “een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig [doen]” in artikel 69, lid 2, van de AWR niet is vervuld.

Tegen overeenkomstige toepassing van het arrest van 20 februari 2026 in het strafrecht kan het volgende pleiten. De delictsomschrijving in artikel 69, lid 2, van de AWR is een andere dan die in artikel 67f, lid 1, van de AWR. In de eerstgenoemde bepaling ligt de nadruk op het opzettelijk doen van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte. Als geen aanspraak bestaat op het nultarief, op welke grond ook, kan worden gemeend dat de aangifte omzetbelasting waarin dat tarief toch in aanmerking is genomen, onjuist is. Bovendien kan worden verdedigd dat het sinds de arresten van het Hof van Justitie en de Hoge Raad in de zaak Italmoda duidelijk is dat belastingplichtigen in voorkomende gevallen bij btw-fraude geen aanspraak kunnen maken op het nultarief (dan wel het recht op aftrek), ook al ontbreken expliciete bepalingen van die strekking in de nationale wetgeving. Aldus redenerend zou de slotsom kunnen zijn dat de door de belastingkamer geconstateerde spanning met het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen niet of minder speelt bij de toepassing van artikel 69, lid 2, van de AWR.

Daarnaast merkt het hof op dat het arrest van 20 februari 2026 is gewezen tegen de feitelijke achtergrond dat de bestemming van geleverde auto’s was verhuld. In de thans voorliggende strafzaken is de rechtbank er echter van uitgegaan dat (ook) de werkelijke afnemer van goederen is verhuld. Een dergelijk verschil zou relevant kunnen zijn en kunnen meebrengen dat het arrest van de belastingkamer niet onverkort overeenkomstig moet worden toegepast in de context van artikel 69, lid 2, van de AWR. Bij het verhullen van de afnemer moet immers rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat diegene niet een ondernemer is en dat daardoor niet wordt voldaan aan de materiële voorwaarden gesteld in de Wet OB 1968 voor toepassing van het nultarief. Voor zover wel duidelijk is dat de werkelijke afnemer een ondernemer is, moet er verder mee rekening worden gehouden dat niet is voldaan aan de nationale formele voorwaarde voor toepassing van het nultarief dat de leverancier beschikt over het btwidentificatienummer van zijn afnemer (artikel 12, lid 2, onder a, ten tweede, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (tekst tot 1 januari 2020)). En hoewel niet-naleving van die voorwaarde – althans tot 1 januari 2020 – op grond van het EU-recht niet aan de belastingplichtige mag worden tegengeworpen wanneer vaststaat dat aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief is voldaan, kan worden gemeend dat die EU-rechtelijke beperking niet geldt ingeval van btw-fraude. De toelichting van de wetgever in materiële zin wijst er in elk geval op dat die voorwaarde onvoorwaardelijk is bedoeld.

Prejudiciële vraag

Het vorenoverwogene heeft het hof ertoe doen besluiten de Hoge Raad de volgende vraag voor te leggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:

Kan, gelet op het arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad van 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279, nog altijd strafrechtelijk worden veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van een aangifte omzetbelasting wanneer de vermeende onjuistheid in die aangifte is terug te voeren op een toepassing van het nultarief voor intracommunautaire leveringen (of van het recht op aftrek) waarop geen recht bestaat louter vanwege het plegen van btw-fraude door de belastingplichtige zelf, in de vorm van het verhullen van de identiteit van de afnemer(s) van zijn intracommunautaire levering(en), dan wel vanwege de omstandigheid dat de belastingplichtige wist of had moeten weten van btw-fraude in een keten waarvan zijn handelingen onderdeel zijn?

Ten slotte deelt de raadsheer als beslissing van het hof mede dat het onderzoek in de strafzaken wordt geschorst voor onbepaalde tijd, met bevel tot oproeping van de verdachten en hun raadslieden tegen de dag en het tijdstip van de nader te bepalen terechtzittingen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en bij afwezigheid van de griffier alleen door de raadsheer is ondertekend.

Noot: Voor de inhoudelijke behandeling van onderhavige zaken op de volgende zittingen dienen 9 zittingsdagen (3.240 minuten) in een periode van 3 weken te worden gereserveerd: 3 zittingsdagen per week per zaaksdossier, op dinsdag en woensdag, en met steeds een uitloopdag op donderdag, drie weken aaneengesloten), te bepalen in overleg met de verdediging en de advocaat-generaal.

Een kopie van dit proces-verbaal dient ook aan de betrokken advocaat-generaal, mr. R. Cozijnsen, te worden gestuurd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026081802 NLF 2026/1686 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs V-N Vandaag 2026/1734 FutD 2026-1484 NDFR Nieuws 2026/1322 NTFR 2026/1457 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand