GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.342.024/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/731981 / HA ZA 23-344
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M.M.N.C. Schellekens te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend te [plaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M. Evadgian te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] c.s. genoemd.
1. De zaak in het kort
Partijen zijn buren. Tussen hun percelen/woningen ligt een strook grond van vier meter breed. De kadastrale grens loopt in het midden van deze strook. Ieder van hen heeft zodoende twee meter grond naast zijn woning in eigendom. Aan het hof ligt als belangrijkste vraag voor of er door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, die inhoudt dat [appellant] met zijn auto deels over het perceel van [geïntimeerden] c.s. mag rijden om zijn achtertuin en de daarin gelegen garage te bereiken. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat dit niet het geval is.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 19 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 20 september 2023 van de rechtbank Amsterdam, gecorrigeerd bij herstelvonnis van 25 oktober 2023, dat onder bovenvermeld zaak-/rolnummer is gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] c.s. als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties.
Op 20 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De voornoemde advocaten en voor [appellant] tevens mr. M.C. Nass, advocaat te Amsterdam, hebben bij die gelegenheid de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. Partijen zijn na de mondelinge behandeling een mediation-traject ingegaan. Daarna hebben partijen het hof bericht dat het mediation-traject niet tot een minnelijke oplossing heeft geleid.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.11. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Die feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, zijn die de volgende.
[appellant] heeft sinds juli 1982 de woning aan de [A-straat] [1] te [plaats] in eigendom.
[geïntimeerden] c.s. hebben de woning aan de [A-straat] [2] te [plaats] sinds december 2017 in eigendom. Sindsdien zijn partijen buren van elkaar. [geïntimeerden] c.s. hebben hun woning gekocht van [X] ; voor [X] was [naam] de eigenaar.
Tussen de woningen ligt een strook grond van vier meter breed, die de percelen/woningen van elkaar scheidt. De kadastrale grens loopt in het midden van deze strook, zodat partijen ieder een stuk grond van twee meter breed naast hun woning in eigendom hebben. Achter de strook grond en achter de woningen liggen de tuinen van partijen. Deze tuinen worden gescheiden door een schutting. In de achtertuin van [appellant] staat een garage.
Toen [appellant] de woning in 1982 kocht, was de situatie als volgt:
(Afbeelding)
In 1989 heeft [appellant] een steeg van ongeveer één meter breed in zijn tuin aangebracht tegen de grens met de tuin van [geïntimeerden] c.s. in verband met het feit dat een ander buurperceel (nr. 80) een recht van overpad heeft ten laste van het perceel van [appellant] .
[naam] heeft rond 1998 op zijn strook grond een houten schutting geplaatst met daarin een witte deur. Deze schutting liep schuin naar binnen. De situatie was toen als volgt:
Medio 2007 heeft [naam] de witte deur en schutting vervangen door een groene deur. Het stuk dat de oprit van [naam] vrij was werd daarmee smaller. De situatie was toen als volgt:
In september 2017 heeft [X] de woning te koop gezet. [appellant] heeft vervolgens op 18 september 2017 een brief gestuurd aan de makelaar van [X] met het verzoek om potentiële kopers te informeren over de situatie ter plaatse. Deze brief houdt verder in, voor zover van belang:
In de hoop misverstanden bij nieuwe bewoners te voorkomen zend ik u deze brief inzake een verworven recht van overweg, mede wegens verjaring, voor nr. [1] .
(…)
Het is (…) belangrijk dat potentiële kopers en de nieuwe bewoners de situatie kennen en begrijpen: zij kunnen dus nooit op het pad naast hun huis parkeren, daar bewoners van nr. [1] te allen tijde recht hebben op een onbeperkte toegang tot hun tuin/garage.
Na aankoop van de woning hebben [geïntimeerden] c.s. in juni 2018 aan de zijkant van hun woning binnen hun eigen perceel over (zo goed als) de volle breedte een aanbouw gerealiseerd die zich tot aan de grens van hun perceel uitstrekt. De aanbouw heeft de schutting tussen de percelen (deels) vervangen. Op dit moment is de situatie als volgt:
Bij brief van 30 november 2018 heeft [appellant] [geïntimeerden] c.s. onder meer geschreven dat hij teleurgesteld is over de door [geïntimeerden] c.s. gerealiseerde aanbouw. De brief houdt verder onder meer in dat [appellant] het onvervreemdbare recht heeft om te allen tijde zonder hindernissen zijn tuin/garage met een auto te bereiken dan wel te verlaten.
Hierna hebben de gemachtigden van partijen met elkaar gecorrespondeerd. Partijen hebben geen regeling getroffen.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
- Voor recht te verklaren dat er een erfdienstbaarheid bestaat, ten laste van het perceel van [geïntimeerden] en ten behoeve van het perceel van [appellant] , om met een motorvoertuig over het perceel van [geïntimeerden] te komen en te gaan vanaf de openbare weg tot aan de achtertuin en andersom;
En voor het geval de rechtbank oordeelt dat het gebruik zich zou beperken tot een gedeelte van het perceel van [geïntimeerden] :
- Voor recht te verklaren dat er een erfdienstbaarheid bestaat, ten laste van het perceel van [geïntimeerden] en ten behoeve van het perceel van [appellant] , om met een motorvoertuig over het perceel van [geïntimeerden] te komen en te gaan van en naar de openbare weg tot aan de achtertuin, zoals [appellant] dit altijd deed en dus minstens over een strookje grond van 60cm vanaf de erfgrens, over een lengte vanaf de straat tot twee meter voor de uitbouw (zonder opstap), een strook grond van één meter vanaf de erfgrens vanaf twee meter voor de uitbouw zonder opstap, tot aan de uitbouw (zonder opstap) en een strook grond van 60cm vanaf het begin van de uitbouw over een lengte van 160cm;
- [geïntimeerden] te veroordelen om er na betekening van het te wijzen vonnis aan mee te werken dat de erfdienstbaarheid in de openbare registers wordt ingeschreven, (…);
Subsidiair
- Voor recht te verklaren dat het pad tussen de woningen van [appellant] en [geïntimeerden] geldt als buurweg tussen de eigenaren van de [A-straat] [1] en (…) [2] , waardoor [appellant] onbelemmerd van en naar de garage in de achtertuin mag rijden.
En voor het geval de rechtbank oordeelt dat het gebruik zich zou beperken tot een gedeelte van het perceel van [geïntimeerden]
- Voor recht te verklaren dat het pad tussen de woningen van [appellant] en [geïntimeerden] geldt als buurweg tussen de eigenaren van de [A-straat] [1] en (…) [2] , waarbij het gebruik wordt beperkt tot een strookje grond op het perceel van [geïntimeerden] van 60cm vanaf de erfgrens, over een lengte vanaf de straat tot twee meter voor de uitbouw (zonder opstap), een strook grond van één meter vanaf de erfgrens vanaf twee meter voor de uitbouw zonder opstap, tot aan de uitbouw (zonder opstap) en een strook grond van 60cm vanaf het begin van de uitbouw over een lengte van 160cm.
- [geïntimeerden] te veroordelen om er na betekening van het te wijzen vonnis aan mee te werken dat de buurweg in de openbare registers wordt ingeschreven, (…);
Primair en subsidiair
- [geïntimeerden] te veroordelen om binnen een maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de geplaatste uitbouw en opstap te verwijderen en verwijderd te houden, althans zodanig terug te brengen, zodat er voldoende ruimte is waarop de erfdienstbaarheid dan wel buurweg kan worden uitgeoefend, waarbij in ieder geval ter hoogte van de uitbouw (zonder opstap) een vrije ruimte van 60 cm vanaf de erfgrens nodig is (over een lengte van 160cm vanaf het begin van de uitbouw tot aan het einde van de uitbouw) en op twee meter voor de uitbouw (zonder opstap) tot aan de uitbouw (zonder opstap) een vrije ruimte van één meter nodig is. En [geïntimeerden] te verbieden om zaken te plaatsen binnen de strook grond van 60cm over een lengte vanaf de straat tot twee meter voor de uitbouw (zonder opstap), een strook grond van één meter vanaf de erfgrens vanaf twee meter voor de uitbouw zonder opstap, tot aan de uitbouw (zonder opstap) en een strook grond van 60cm vanaf het begin van de uitbouw over een lengte van 160cm. Dit alles op straffe van een dwangsom (…).
althans dat het de rechtbank behage de gevraagde verklaring voor recht en veroordeling zodanig te formuleren als hij/zij in goede justitie geraden acht;
Daarnaast heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerden] c.s. worden veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 925,00 en de proces- en nakosten.
[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] c.s. door de wijze van aanleg van de uitbouw in 2018 onrechtmatig hebben gehandeld. Volgens [appellant] is primair door bevrijdende verjaring een recht van erfdienstbaarheid ontstaan op grond van de artikelen 5:72 jo. 3:306 jo. 3:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat recht houdt in dat [appellant] met zijn auto over het perceel van [geïntimeerden] c.s. mag rijden om zijn eigen achtertuin te kunnen bereiken en andersom. [appellant] kan zijn tuin en de daarin gelegen garage niet bereiken door rechtuit over zijn eigen strook grond te rijden. Om daar met zijn auto te kunnen komen, moet hij een draai maken over de strook grond van [geïntimeerden] c.s. Dit heeft [appellant] meer dan twintig jaar zo gedaan. Al die tijd heeft hij de strook grond van nr. [2] gebruikt om daar een stukje over te rijden en om daarna een draai/bocht te maken, ter hoogte van zijn eigen uitbouw, om met zijn auto zijn achtertuin te kunnen inrijden. Sinds 1 januari 1992 is (meer dan) 20 jaar verstreken en al die tijd heeft [appellant] het vereiste bezit van een recht van erfdienstbaarheid. Door de door [geïntimeerden] c.s. gerealiseerde uitbouw kan [appellant] veel minder gemakkelijk dan voorheen het geval was de vereiste draai op de grond van [geïntimeerden] c.s. maken en heeft [appellant] geregeld schade aan zijn auto. Subsidiair stelt [appellant] dat er een buurweg in de zin van artikel 719 (oud) BW is ontstaan. De strook grond tussen de woningen van partijen werd ruim voor de inwerkingtreding van het nieuwe BW in 1992, waarschijnlijk sinds 1968, gebruikt om van en naar de garages, waar beide buren toen over beschikten, in de achtertuin te rijden. De buurweg is nimmer opgeheven en geldt volgens [appellant] nog steeds. Door de door [geïntimeerden] c.s. gemaakte uitbouw wordt de uitoefening van de buurweg ernstig belemmerd.
[geïntimeerden] c.s. hebben zich tegen toewijzing van de vorderingen verweerd.
Na een descente te hebben gehouden, heeft de rechtbank bij het bestreden vonnis (samengevat) de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proces- en nakosten. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat geen erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is ontstaan, omdat [appellant] daarvan niet het bezit heeft gehad gedurende de gehele verjaringstermijn. Ten aanzien van het recht van buurweg heeft de rechtbank overwogen dat dit een persoonlijk recht is en dat [appellant] dit recht daarom niet kan inroepen tegen [geïntimeerden] c.s. als nieuwe rechthebbenden van nr. [2] .
5. Vordering in hoger beroep
In hoger beroep concludeert [appellant] samengevat dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - zijn vorderingen alsnog zal toewijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] c.s. heeft voldaan of nog zal voldoen, met rente, en met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de volledige kosten van de procedure, althans in de proces- en nakosten in beide instanties conform het toepasselijke liquidatietarief, met rente.
[geïntimeerden] c.s. concluderen samengevat tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de volledige kosten in beide instanties, althans om die kosten in goede justitie te bepalen, met nakosten en rente.
6. Beoordeling
Tegen de hiervoor vermelde beslissingen uit het bestreden vonnis en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in hoger beroep met drie grieven op, waarvan de grieven I en II zich lenen voor gezamenlijke behandeling.
Is door bevrijdende verjaring een erfdienstbaarheid ontstaan?
Grieven I en II komen in de kern erop neer dat wel degelijk een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is ontstaan, die inhoudt dat [appellant] met een motorvoertuig over het perceel/de oprit van [geïntimeerden] c.s. mag rijden om zijn achtertuin/garage te kunnen bereiken.
Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof het volgende voorop. Het tot 1 januari 1992 geldende BW kende niet de rechtsfiguur van het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring, zoals sinds 1 januari 1992 wel het geval is in artikel 5:72 BW. Het gaat er dus om of na 1 januari 1992 naar de regels van het huidige BW een erfdienstbaarheid is ontstaan door bevrijdende verjaring. Daarvoor is vereist dat sprake is van bezit van een erfdienstbaarheid gedurende twintig jaar (artikel 3:105 jo. artikel 3:306 BW). De verjaringstermijn vangt een dag na het verkrijgen van het bezit van de erfdienstbaarheid aan (artikel 3:314 lid 2 BW). In deze zaak geldt dus dat [appellant] een erfdienstbaarheid kan hebben verkregen, indien hij daarvan twintig jaar het bezit heeft gehad na 1 januari 1992. Het is daarbij aan [appellant] om de feiten aan te dragen waaruit blijkt dat de gestelde erfdienstbaarheid is ontstaan en dat dit gedurende de gehele verjaringstermijn het geval was.
Volgens [geïntimeerden] c.s. kunnen de grieven niet slagen. [appellant] heeft volgens [geïntimeerden] c.s. de doorgang naar zijn tuin zelf moeilijker gemaakt door de wijze van indeling van zijn perceel.
De grieven I en II falen. Daartoe is het volgende redengevend. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat vast dat zowel (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerden] c.s. als [appellant] in de loop der tijd aanpassingen aan hun perceel hebben aangebracht, die van invloed zijn geweest op de wijze waarop [appellant] zijn achtertuin en garage met zijn auto heeft kunnen bereiken. De volgende tijdvakken kunnen daarin worden onderscheiden:
a. a) de situatie in 1982 (feit 3.5.), toen [appellant] de eigendom van de woning op nr. [1] verkreeg. De toenmalige eigenaren van de beide woningen konden naar het zich laat aanzien toen hun achter in de tuin gelegen garages via hun eigen, naast elkaar gelegen, opritten, in een rechte lijn bereiken. Aan het einde van hun opritten bij de garages stond een schutting op de middenlijn.
b) de situatie in 1989 (feit 3.6.). Sinds 1989 heeft [appellant] een steeg van ongeveer één meter breed in zijn tuin aangebracht, tegen de grens met de tuin van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerden] c.s. Deze steeg is aangebracht omdat een andere buur een recht van overpad heeft ten laste van het perceel van [appellant] . Bij het aanleggen van de steeg, heeft [appellant] tevens zijn garage een stuk verkleind dan wel verplaatst, verder weg van het perceel van [geïntimeerden] c.s. Om zijn tuin en garage te kunnen bereiken, kon [appellant] niet langer rechtuit over zijn oprit rijden maar moest hij een draai maken.
c) de situatie rond 1998 (feit 3.7.). [naam] (de rechtsvoorganger van [geïntimeerden] c.s.) heeft op zijn strook grond/oprit een houten schutting geplaatst met daarin een witte deur. De schutting liep schuin naar binnen, zodat er naast de deur nog een stukje van zijn oprit vrij was.
d) de situatie medio 2007 (feit 3.8.). [naam] heeft de witte deur en schutting vervangen door een schutting met een groene, bredere deur. Het stuk dat zijn oprit vrij was, is daarmee smaller geworden. Achter de woning van [appellant] is op de foto een stenen uitbouw te zien.
e) de huidige situatie sinds juni 2018 (feit 3.10.). [geïntimeerden] c.s. hebben aan de zijkant van hun woning binnen hun eigen perceel over (zo goed als) de volle breedte een aanbouw gerealiseerd die zich tot aan de grens van hun perceel uitstrekt. De aanbouw heeft de schutting tussen de percelen (deels) vervangen. Deze aanbouw ligt iets verder naar achteren dan de eerdere schutting met de groene deur maar is wel breder (en staat dus dichter op de erfgrens).
Volgens [appellant] kon hij in de onder c) weergegeven situatie gemakkelijk met zijn auto via de oprit van zijn buren de draai maken om zijn tuin/garage te bereiken. In de situatie zoals onder d) weergegeven kon hij nog wel de draai naar zijn tuin maken met een paar keer heen en weer steken. In de onder e) weergegeven situatie is het volgens [appellant] voor hem praktisch onmogelijk om nog de draai te kunnen maken zonder schade aan zijn auto.
Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] op vragen van het hof geantwoord dat hij op enig moment de stenen uitbouw aan zijn woning die op de foto van situatie d) te zien is, heeft gerealiseerd ter vervanging van een eerdere houten uitbouw die al aanwezig was toen hij de woning kocht. Bij deze vervanging is de uitbouw volgens [appellant] in afmetingen hetzelfde gebleven en niet groter geworden. De stenen uitbouw lijkt een behoorlijke omvang te hebben. Op de vraag van het hof in welk jaar die vervanging heeft plaatsgevonden, kwam geen duidelijk antwoord. Volgens [appellant] zal dat in 1989 zijn geweest, maar op de foto van de latere situatie c) is deze uitbouw niet meer te zien.
Het hof is van oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd om voldoende concreet te maken vanaf wanneer en voor welk deel hij de oprit van [geïntimeerden] c.s. heeft gebruikt om zijn tuin en garage te kunnen bereiken. Immers, niet is vast komen te staan wanneer [appellant] zelf zijn houten uitbouw, waarvan hij heeft gesteld dat hij die altijd heeft gehad, heeft vervangen voor een stenen uitbouw en dat deze inderdaad dezelfde afmetingen heeft behouden en wat de afmetingen daarvan zijn. Gelet op de overgelegde foto’s en met inachtneming van de toelichting van [appellant] is eerder aannemelijk dat de stenen aanbouw breder is dan de eerdere houten aanbouw. Door zijn eigen uitbouw heeft [appellant] in elk geval minder ruimte tot zijn beschikking om de - door de door hem aangelegde steeg noodzakelijke - draai naar zijn tuin en garage te kunnen maken, omdat hij langer rechtdoor moet rijden alvorens naar zijn tuin en garage te kunnen indraaien. Daarnaast geldt dat [appellant] niet heeft toegelicht wat de afmetingen zijn (geweest) van de auto(’s) waarmee hij in de hem beschikbare ruimte de bocht heeft gemaakt. Ook dat is van belang om vast te kunnen stellen welk deel van de oprit van [geïntimeerden] c.s. hij in de loop der tijd heeft gebruikt om de draai naar zijn eigen perceel te maken. Daarbij merkt het hof op dat als algemeen bekend kan worden verondersteld dat de gemiddelde auto de laatste decennia steeds breder is geworden. Al met al heeft [appellant] onvoldoende gesteld en onderbouwd vanaf wanneer en in welke omvang de gestelde erfdienstbaarheid is uitgeoefend en daarom komt de primaire vordering niet voor toewijzing in aanmerking.
Bestaat er een buurweg?
Grief III houdt samengevat in dat de rechtbank ten onrechte de opritten tussen de beide woningen niet heeft aangemerkt als buurweg. De grief is niet gericht tegen hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 4.8. van het bestreden vonnis hierover voorop heeft gesteld. Deze overweging, waarbij het hof zich aansluit en tot de zijne maakt, luidt als volgt:
Art. 719 (oud) BW bepaalde met betrekking tot buurwegen het volgende:
“Voetpaden, dreven of wegen aan verscheidenen geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd of tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest.”
Deze bepaling is met de invoering van het nieuwe BW per 1 januari 1992 komen te vervallen. De bij invoering van het nieuwe BW bestaande buurwegen zijn op grond van artikel 160 Overgangswet NBW blijven bestaan.
In het (oud) BW was geen bepaling opgenomen met betrekking tot het ontstaan van een buurweg, maar volgens de jurisprudentie ontstond een buurweg door bestemming en wel door de (subjectieve) bestemming die aan de weg is gegeven door de rechthebbende(n). Aangezien de buurweg voor 1 januari 1992 moet zijn ontstaan, is alleen doorslaggevend de situatie zoals die bestond voor deze datum.
[geïntimeerden] c.s. hebben betwist dat de opritten de bestemming buurweg hebben.
Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de toenmalige buren vóór 1992 inderdaad afspraken hebben gemaakt waaruit het bestaan van een buurweg in de hiervoor bedoelde zin kan worden afgeleid, is niet gebleken dat [appellant] toen hij eigenaar werd aan die afspraken rechten kon ontlenen, noch dat hij op zijn beurt nieuwe afspraken over een bestemming als buurweg heeft gemaakt die tot op heden zouden voortduren. De grief faalt.
Conclusie
De slotsom luidt dat het hoger beroep geen succes heeft. Voor zover onderdelen van de grieven hiervoor niet aan de orde zijn gekomen, kunnen zij niet tot een ander oordeel leiden en behoeven zij geen nadere bespreking.
Bewijsaanbod
Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
Proceskosten, daadwerkelijke proceskosten en buitengerechtelijke kosten
[appellant] is in het hoger beroep (voornamelijk) in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten daarvan. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de door [geïntimeerden] c.s. gevorderde daadwerkelijke proceskosten toe te wijzen, gelet op de in dit kader vereiste terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure (ECLI:NL:HR:2012:BV7828). De proceskosten zullen dan ook worden toegewezen conform het geldende liquidatietarief.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 343,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 2.923,00.
De door [geïntimeerden] c.s. in de memorie van antwoord genoemde buitengerechtelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gevorderd.
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.923,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, J.C. Toorman en D.W.J.M. Kemperink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.