ECLI:NL:GHAMS:2026:2276

ECLI:NL:GHAMS:2026:2276

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 18-08-2026
Zaaknummer 200.360.753/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

kinderalimentatie; behoefte; partijen gehuwd maar niet samengewoond

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.360.753/01

zaaknummer rechtbank: C/13/737642 / FA RK 23-5113

beschikking van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- [kind 1] , geboren te [plaats B] [in] 2010 (hierna: [kind 1] );

- [kind 2] , geboren te [plaats A] [in] 2011 (hierna: [kind 2] ).

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over kinderalimentatie. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie afgewezen. Bij de rechtbank was tussen partijen in geschil of een (eerdere) uitspraak van de Marokkaanse rechter wel of niet een beslissing over de kinderalimentatie betrof. In hoger beroep komen partijen overeen dat de vrouw de Marokkaanse uitspraak niet zal executeren en dat dit geschilpunt niet meer door het hof beoordeeld hoeft te worden. Het hof zal beslissen over de vraag in hoeverre de man aan de vrouw kinderalimentatie kan betalen vanaf de door partijen afgesproken ingangsdatum van 1 juni 2024.

2. De procedure in hoger beroep

De vrouw is op 22 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de man van 17 mei 2026 met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de vrouw van 20 mei 2026 met bijlagen.

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [kind 1] gesproken. Op de zitting is een zakelijke weergave van het gesprek gegeven.

De zitting heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Marokkaanse taal, R. Achamlale.

De advocaat van de man heeft op de zitting het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie, die is overgelegd.

Aan het einde van de zitting hebben (de advocaten van) partijen meegedeeld dat zij nog verder met elkaar in gesprek zouden gaan om tot een mogelijke overeenstemming te komen. Daarbij is afgesproken dat de advocaten het hof op een termijn van een week nader zouden berichten. Het hof heeft na herhaald rappel en vanwege het uitblijven van enig bericht de advocaten per e-mail van 22 juli 2026 laten weten dat het voornemens is een beschikking te geven op 18 augustus 2026.

3. De feiten

Partijen zijn gehuwd [in] 2008 te [plaats C] , Marokko. Het huwelijk is op 28 juni 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 april 2024 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.

Uit het huwelijk zijn [kind 1] en [kind 2] geboren (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

De man heeft op 3 augustus 2023 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank Amsterdam. De vrouw heeft op 19 oktober 2023 een verweerschrift tevens zelfstandig verzoek ingediend waarbij zij onder meer een verzoek tot kinderalimentatie heeft gedaan.

De vrouw heeft op 28 september 2023 een verzoekschrift tot betaling van onder meer alimentatie ingediend bij de rechtbank in Casablanca (Marokko). Op 6 februari 2024 heeft de arrondissementsrechtbank in Casablanca een uitspraak gedaan tussen partijen.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie van € 234,- per kind per maand, gedaan op 18 oktober 2023, afgewezen.

De vrouw verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking,

- Primair: de verzoeken van de vrouw in eerste aanleg alsnog toe te wijzen. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat zij bedoelt: primair haar verzoek dat de man een kinderalimentatie aan haar dient te betalen van € 234,- per kind per maand alsnog toe te wijzen;

- Subsidiair: de kinderalimentatie vastgesteld bij beschikking die is uitgesproken op 6 februari 2024 door de Marokkaanse rechtbank te wijzigen, in die zin dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 286,- per maand. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verduidelijkt dat zij heeft bedoeld € 286,- per kind per maand;

- de ingangsdatum van de kinderalimentatie te bepalen op 18 oktober 2023, dan wel op 26 maart 2024.

De man voert verweer en verzoekt in dat kader, blijkens zijn voorgedragen pleitnotitie:

- Primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep;

- Subsidiair, voor zover het hof tot een vaststelling dan wel wijziging van de kinderalimentatie komt, uit te gaan van de behoefte over 2023 en de draagkracht over 2025 en de bijdrage vast te stellen op maximaal € 180,- per kind per maand;

- In alle gevallen: een eventuele bijdrage niet met terugwerkende kracht vast te stellen, maar eerst met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking.

5. De motivering van de beslissing

Aan de orde is de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] .

Marokkaanse uitspraak

Op 6 februari 2024 heeft de arrondissementsrechtbank in Casablanca een uitspraak gedaan tussen partijen (zie r.o. 3.3). Tussen partijen was in de procedure bij de rechtbank in geschil of deze uitspraak ook zag op kinderalimentatie. De rechtbank heeft partijen onder meer in de gelegenheid gesteld inhoudelijk te onderbouwen waarom de beschikking van de Marokkaanse rechter wel of niet ook betrekking heeft op de kinderalimentatie. Partijen hebben dit nagelaten. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat niet vastgesteld kan worden of het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderbijdrage gegrond en rechtmatig is en heeft het verzoek afgewezen.

In hoger beroep lag aanvankelijk ook ter beoordeling voor of de uitspraak van de Marokkaanse rechter mede zag op kinderalimentatie.

Ter zitting in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt in die zin dat de vrouw de beschikking uit Marokko niet (verder) zal executeren en dat de vraag of in de Marokkaanse beschikking ook een beslissing over kinderalimentatie is opgenomen daarom niet meer door het hof beoordeeld hoeft te worden. Dit betekent dat het hof in deze procedure de vraag moet beantwoorden in hoeverre de man aan de vrouw (naar Nederlands recht) kinderalimentatie dient te betalen. De grieven van de vrouw die betrekking hebben op de uitleg van de Marokkaanse beschikking en de stelling van de man dat de vrouw niet-ontvankelijk zou zijn in haar hoger beroep behoeven, gelet op het voorgaande, niet meer besproken te worden. Het hof zal hierna de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen inhoudelijk beoordelen en zal daarbij achtereenvolgens de ingangsdatum, de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen bespreken.

Ingangsdatum

Partijen hebben ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over de ingangsdatum van de vast te stellen kinderalimentatie, te weten 1 juni 2024. Het hof stelt vast dat partijen gelet hierop hun verzoeken met betrekking tot de ingangsdatum van de bijdrage hebben gewijzigd en zal van de overeengekomen ingangsdatum uitgaan.

Behoefte

De vrouw stelt dat voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan van het gezinsinkomen van partijen in 2023. Het bruto jaarinkomen van de man was € 35.605,-. De vrouw ontving een Wajong uitkering van € 1.496,- bruto per maand. Op basis van een NBGI van € 3.930,- bedraagt de behoefte van de kinderen volgens de vrouw in 2023 € 901,- per maand.

De man heeft ter zitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de behoefte van de kinderen moet worden berekend door het gemiddelde te nemen van de behoefte van de kinderen bij de man en de behoefte van de kinderen bij de vrouw. Hij voert daartoe aan dat partijen nooit, op een korte periode na de geboorte van [kind 1] na, in gezinsverband hebben samengeleefd. De man komt tot een (gemiddelde) behoefte van de kinderen in 2023 van € 538,- per maand.

De (advocaat van de) vrouw heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat partijen nooit hebben samengewoond, hoewel zij wel getrouwd waren. Van de zijde van de vrouw is erop gewezen dat partijen wel van tijd tot tijd samen waren. Er is dan ook sprake van een wat afwijkende situatie. Primair handhaaft de vrouw haar standpunt dat de behoefte op grond van het gezinsinkomen moet worden berekend, maar zij heeft aangegeven het ook te begrijpen als het hof hier op een andere manier mee omgaat.

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn gehuwd geweest maar hebben tijdens hun huwelijk niet (bestendig) samengewoond. Het hof gaat er gelet op het feit dat partijen gehuwd zijn geweest vanuit dat er geen sprake is geweest van volledig gescheiden financiële huishoudens. Het hof overweegt in dit verband dat echtgenoten verplichtingen jegens elkaar en jegens hun kinderen hebben, zoals ook volgt uit de artikelen 82 en 84 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In hoeverre partijen de kosten van hun huishouding hebben gedragen vanuit hun gezamenlijke inkomsten hebben partijen verder niet inhoudelijk toegelicht. Dit neemt niet weg dat partijen hoe dan ook dubbele (woon)lasten hadden en gelet op deze kosten minder te besteden hadden voor de kinderen. Het hof ziet dan ook aanleiding het gezinsinkomen enigszins te corrigeren, rekening houdende met extra (woon)lasten. Het hof gaat in redelijkheid uit van een gezinsinkomen van € 3.000,- per maand (in plaats van € 3.930,- per maand). Uitgaande van dit gezinsinkomen bedroeg de behoefte van de kinderen in 2023 € 650,- per maand. Zoals uit het navolgende blijkt zal de door de man te betalen bijdrage voor verschillende periodes worden vastgesteld. De behoefte zal hierna bij het vaststellen van de bijdrage in deze periodes jaarlijks geïndexeerd worden.

Draagkracht

Om het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen te berekenen moet de draagkracht van beiden worden vastgesteld. Het hof ziet aanleiding eerst de draagkracht van de man te bespreken. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond.

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de door hem overgelegde jaaropgaves 2024 en 2025 en de loonstroken van januari t/m april 2026.

Nu het inkomen van de man in de afgelopen jaren niet gelijk is gebleven zal het hof zijn draagkracht per jaar berekenen. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

In 2024 was het fiscaal loon van de man volgens de jaaropgave € 36.922,-. Op grond van dit inkomen bedroeg zijn Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) in 2024 € 2.608,- per maand en zijn draagkracht € 389,- per maand.

In 2025 was het fiscaal loon van de man volgens de jaaropgave € 38.498,-. Op grond van dit inkomen bedroeg zijn NBI in 2025 € 2.719,- per maand en zijn draagkracht € 415,- per maand.

In 2026 gaat het hof uit van een brutoloon van € 3.076,- per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Verder houdt het hof rekening met een pensioenpremie van afgerond € 154,- per maand en een premie WW/WGA van € 3,- per maand. Op grond van dit inkomen bedraagt zijn NBI in 2026 € 2.807,- per maand en zijn draagkracht € 420,- per maand.

Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van de volgende gegevens. De vrouw ontvangt een Wajong-uitkering. Deze bedroeg in december 2024 € 1.600,- bruto per maand.

In augustus en september 2025 bedroeg de uitkering € 1.685,- bruto per maand. En in april 2026 € 1.721,- bruto per maand. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de vrouw verder rekening met de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget.

Uitgaande van deze gegevens bedroeg het NBI van de vrouw in 2024 € 2.100,- per maand en haar draagkracht € 140,- per maand. In 2025 bedroeg haar NBI € 2.155,- per maand en haar draagkracht € 139,- per maand en in 2026 bedroeg haar NBI € 2.221,- en haar draagkracht € 133,- per maand.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de draagkracht van partijen zal het hof ieders aandeel in de kosten van de kinderen vaststellen. Op de door de man te betalen bijdrage moet de zorgkorting (deels) in mindering worden gebracht. Partijen verschillen van mening over het percentage waar rekening mee gehouden moet worden. Het hof overweegt dat gebleken is dat het contact tussen de man en de kinderen de afgelopen jaren wisselend is geweest. Er is ook een periode geen contact geweest. Inmiddels ziet de man de kinderen eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Het uitgangspunt is daarnaast dat de man de kinderen de helft van de vakanties ziet, maar niet geheel duidelijk is of daar altijd uitvoering aan wordt gegeven. Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om voor de gehele periode rekening te houden met een zorgkorting van 15%.

Periode I met ingang van 1 juni 2024

De behoefte van de kinderen is na indexering in 2024 € 690,- per maand. De draagkracht van de man is € 389,- per maand. De draagkracht van de vrouw is € 140,- per maand.

Partijen hadden gezamenlijk € 529,- beschikbaar voor de kinderen. Dit is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zodat de man zijn gehele draagkracht moet aanwenden. Op de door de man te betalen bijdrage moet in beginsel de zorgkorting in mindering worden gebracht. In het geval dat er een tekort aan draagkracht is, is er een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen. Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan wordt de helft van het tekort in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting komt in mindering op de te betalen bijdrage. Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan wordt de te betalen bijdrage niet verminderd met zorgkorting.

Het tekort aan draagkracht is (€ 690,- -/- € 529,- =) € 161,- per maand. De helft van dit bedrag bedraagt afgerond € 81,-, en komt voor rekening van de man. De zorgkorting bedraagt (15% van € 690,- =) € 104,- per maand; hier wordt het bedrag van € 81,- op in mindering gebracht, zodat een bedrag aan zorgkorting van € 23,- over blijft. De door de man te betalen bijdrage is dan (€ 389,- -/- € 23,- =) € 366,- per maand, oftewel € 183,- per kind per maand.

Periode II met ingang van 1 januari 2025

De behoefte van de kinderen is na indexering in 2025 € 735,- per maand. De draagkracht van de man is € 415,- per maand. De draagkracht van de vrouw is € 139,- per maand. Partijen hadden gezamenlijk € 554,- beschikbaar voor de kinderen. Dit is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zodat de man zijn gehele draagkracht moet aanwenden. Het tekort aan draagkracht is (€ 735,- -/- € 554,- =) € 181,- per maand. De helft van dit bedrag bedraagt afgerond € 91,- en komt voor rekening van de man. De zorgkorting bedraagt (15% van € 735,- =) € 110,- per maand; hier wordt het bedrag van € 91,- op in mindering gebracht, zodat een bedrag aan zorgkorting van € 19,- over blijft. De door de man te betalen bijdrage is dan (€ 415 -/-€ 19,- =) € 396,- per maand, oftewel € 198,- per kind per maand.

Periode III met ingang van 1 januari 2026

De behoefte van de kinderen is na indexering in 2026 € 769,- per maand. De draagkracht van de man is € 420,- per maand. De draagkracht van de vrouw is € 133,- per maand. Partijen hadden gezamenlijk € 553,- beschikbaar voor de kinderen. Dit is onvoldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien, zodat de man zijn gehele draagkracht moet aanwenden. Het tekort aan draagkracht is (€ 769 -/- € 553,- =) € 216,- per maand. De helft van dit bedrag bedraagt afgerond € 108,- en komt voor rekening van de man. De zorgkorting bedraagt (15% van € 739,- =) € 115,- per maand, hier wordt het bedrag van € 108,- op in mindering gebracht, zodat een bedrag aan zorgkorting van € 7,- over blijft. De door de man te betalen bijdrage is dan (€ 421,- -/- € 7,- =) € 414,- per maand, oftewel € 207,- per kind per maand.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden zal het hof bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten en verzorging van [kind 1] en [kind 2] dient te voldoen van:

- met ingang van 1 juni 2024 van € 183,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2025 van € 198,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2026 van € 207,- per kind per maand.

Het hof heeft draagkrachtberekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] dient te voldoen:

- met ingang van 1 juni 2024 van € 183,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2025 van € 198,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2026 van € 207,- per kind per maand;

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. M.T. Hoogland en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.E. Kraan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand