GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/3837 tot en met 24/3861
21 juli 2026
uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 15 november 2024 in de zaak met kenmerken AMS 22/749, 24/3275, 24/3288, 24/3259 t/m 24/3263, 24/3265, 24/3266, 24/3272 t/m 24/3274, 24/3276, 24/3278 t/m 24,3286, 24/3289 en 24/3290 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen vervat in één geschrift onder meer de waarde in de zin van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) van de onderstaande onroerende zaken te [Z] voor het jaar 2021 als volgt vastgesteld:
Adres Waarde
[straat 1] 26A € 590.000
[straat 1] 28A € 590.000
[straat 2] 110A € 526.000
[straat 2] 110B € 526.000
[straat 2] 110C € 504.000
[straat 2] 112A € 526.000
[straat 2] 112B € 526.000
[straat 2] 112C € 504.000
[straat 3] 2-2 € 434.000
[straat 3] 2-3 € 434.000
De onroerende zaken zullen hierna aangeduid worden als de woningen.
De heffingsambtenaar heeft in hetzelfde document de aanslagen onroerende zaakbelasting 2021 bekendgemaakt.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gericht tegen onder meer deze beschikkingen ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft als volgt beslist op het beroep van belanghebbende (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘ [X] ’):
“De rechtbank:
verklaart het beroep in zaak AMS 22/749 gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de waarde van de objecten [straat 1] 26A en 28A;
stelt de waarde van de woningen [straat 1] 26A en 28A voor het kalenderjaar 2021 vast op elk € 550.000,- en bepaalt dat de aanslag in de onroerende zaaksbelasting 2021 voor deze woningen overeenkomstig de verlaagde waardes wordt verminderd;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
verklaart het beroep in de zaken AMS 24/3275 en AMS 24/3288 ongegrond;
verklaart het beroep in alle overige zaken niet-ontvankelijk;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 476,19;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding aan [X] voor proceskosten en griffierecht tot een bedrag van € 3.343,50;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 1.523,81.”
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en belanghebbende heeft – in de periode tussen 13 maart 2026 tot en met 4 juni 2026 – nog een viertal nadere stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
De woningen aan de [straat 1] 26A en [straat 1] 28A zijn gelegen in [Z] -Centrum ( [plaats 1] ).
De woningen gelegen aan de [straat 2] 110A, [straat 2] 110B, [straat 2] 112A en [straat 2] 112B hebben een oppervlakte van 80 m². De woningen gelegen aan de [straat 2] 110C en [straat 2] 112C hebben een oppervlakte van 76 m². De woningen zijn gelegen in [Z] -Centrum ( [plaats 2] ).
De woningen gelegen aan de [straat 3] 2-2 en [straat 3] 2-3 hebben respectievelijk een oppervlakte van 72 m² en 68 m². De woningen zijn gelegen in [Z] -Centrum ( [plaats 2] ).
3. Geschil in hoger beroep
In geschil is of de rechtbank de beroepen met kenmerken AMS 24/3259 t/m 24/3263, 24/3265, 24/3266, 24/3272 t/m 24/3274, 24/3276, 24/3278 t/m 24,3286, 24/3289 en 24/3290 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met betrekking tot de beroepen die de rechtbank wel ontvankelijk heeft verklaard is in geschil of de WOZ-waardes van die woningen te hoog zijn vastgesteld.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“AMS 24/3259 t/m 24/3263, 24/3265, 24/3266, 24/3272 t/m 24/3274, 24/3276, 24/3278 t/m 24,3286, 24/3289 en 24/3290)
Betaling van griffierecht
2. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde zich erover beklaagd dat van het beroep in de zaak AMS 22/749 door de rechtbank ambtshalve in totaal 24 zaken zijn afgesplitst, waarin vervolgens in iedere zaak griffierecht is geheven. Van die afsplitsing om administratieve redenen heeft de rechtbank op 17 juli 2024 een zogenaamde splitsingsbrief gestuurd aan de gemachtigde van [X] , waarin de diverse WOZ-objecten die in de aanslag zijn genoemd worden opgesomd met vermelding van het zaaknummer waaronder zij worden behandeld. Volgens mr. Bartels was dit onnodig en jaagt het splitsen van zaken [X] op kosten.
3. In artikel 8:14 van de Awb is mogelijk gemaakt dat ambtshalve of op verzoek samenhangende zaken worden gevoegd of gescheiden worden behandeld. De bestuursrechter kan in elke stand van het geding gebruik maken van deze discretionaire bevoegdheid.
4. [X] heeft tegen één beschikking met 36 aanslagen ter zake 36 WOZ-objecten bezwaar ingediend met één bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op het bezwaar gedaan in één geschrift en [X] heeft beroep ingesteld tegen die uitspraak op bezwaar in één beroepschrift.
5. De rechtbank heeft al jaren de vaste gedragslijn om zaken over WOZ-objecten die een afzonderlijke onderbouwing vragen van de vastgestelde waarde door de heffingsambtenaar en een afzonderlijke beoordeling door de rechtbank, als aparte zaak te behandelen onder een eigen zaaknummer. Samenhangende zaken die onder één zaaknummer worden behandeld betreffen WOZ-objecten die doorgaans geen afzonderlijke onderbouwing en beoordeling vergen, zoals de waarde van gestapelde etagewoningen in één object, waarvoor de heffingsambtenaar doorgaans volstaat met dezelfde onderbouwing. De samenhang in de onderhavige zaken vloeit met name voort uit de omstandigheid dat het aanslagen zijn van hetzelfde belastingjaar ter zake objecten van dezelfde eigenaar en/of gebruiker, die één gemachtigde in de arm heeft genomen, maar daar houdt de samenhang in die zaken ook op. De heffingsambtenaar kan om redenen van overzicht en klantgerichtheid in de beschikking en de uitspraak op bezwaar meerdere van dergelijke WOZ-objecten ter zake één belastingjaar van één eigenaar en/of gebruiker bijeen in één geschrift opnemen, maar dat neemt niet weg dat de waarde van elk WOZ-object afzonderlijk moet zijn onderbouwd. Bij de behandeling van het beroep bij de rechtbank in dergelijke gevallen is dat niet anders. Ter zake ieder WOZ-object wordt van beide partijen een afzonderlijke, inhoudelijke standpuntbepaling met onderbouwing verwacht, zoals ook de rechtbank zich ter zake de waarde van elk object een apart oordeel vormt. Inhoudelijk is er dus relatief weinig verwantschap tussen de zaken en dat rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een splitsing van de zaak (AMS 22/749) in 25 zaken.
6. Van iedere afgesplitste zaak wordt van de eiser een griffierecht geheven. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat [X] ter zake veel WOZ-objecten een beoordeling door de rechter vraagt en – kort gezegd – daarvoor een ‘kwantumkorting’ wil, geen grond om daarvan af te wijken. De klacht wordt verworpen.
7. Op grond van artikel 8:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. De termijn voor de betaling van het griffierecht bedraagt vier weken, die aanvangt met ingang van de dag na die van verzending van de mededeling van de griffier (de nota of de herinnering). Indien het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, daaronder begrepen een onvolledige betaling, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
8. Op 9 februari 2022 respectievelijk 14 juni 2024 zijn aan de gemachtigde van [X] de nota’s verzonden voor de betaling van het in deze 25 zaken verschuldigde griffierecht van elk € 365,- en, omdat geen betaling werd ontvangen, zijn bij aangetekende brief van 10 maart 2022 respectievelijk 13 juli 2024 de herinneringsnota’s voor de betaling van het griffierecht verzonden. In alle nota’s is gewezen op de betalingstermijn van vier weken en is vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven op de in die brief vermelde rekening.
9. De rechtbank stelt vast dat in zaken AMS 22/749, 24/3275 en 24/3288 het verschuldigde griffierecht is betaald en in de overige 22 zaken niet is betaald. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd of bewezen die aanleiding geven voor het oordeel dat de indiener van het beroepschrift niet in verzuim is ten aanzien van de niet-betaling van het griffierecht. Het griffierecht had uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de herinneringsnota van het griffierecht moeten worden betaald. Dat is zonder geldige reden niet gedaan. Het beroep in alle 22 zaken wordt daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.
AMS 22/749, 24/3275 en 24/3288
Toetsingskader
10. Artikel 17 van de Wet WOZ bepaalt kort gezegd dat de waarde van een onroerende zaak de prijs is die men zou kunnen verwachten bij volledige verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en voorwaarden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde niet hoger is dan de marktwaarde op de waardepeildatum 1 januari 2020. Daarbij zijn niet alleen de bewijsmiddelen van de heffingsambtenaar van belang, maar ook wat [X] daartegen heeft ingebracht.
11. De waarde van ieder appartement (woning) is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
12. Bij de beoordeling van een voor de woning vastgestelde waarde hanteert de rechtbank twee uitgangspunten:
a. a) De waarde van de woning in zijn geheel staat centraal. De waardes van de afzonderlijke onderdelen dienen enkel als hulpmiddel om een goed beeld te krijgen van de totale waarde.
b) Bij het ontbreken van een recente verkoopprijs van de woning op of rond de peildatum, wordt de waarde geschat door middel van een taxatie. Deze taxatie is geen exacte berekening, maar eerder een inschatting gebaseerd op verkoopgegevens van vergelijkbare woningen. Het is dus geen kwestie van simpelweg een formule toepassen.
De WOZ-waarde
13. In deze zaak gaat het om de waarde van twee nagenoeg identieke woningen in [Z] -Centrum ( [plaats 1] ). [X] is eigenaar van de woningen.
In geschil is of de WOZ-waarde van deze woningen te hoog is vastgesteld. [X] bepleit een waarde voor de woningen van elk € 499.000,- . De heffingsambtenaar handhaaft voor elke woning de vastgestelde waarde € 590.000,-.
14. De heffingsambtenaar heeft ter zitting aangegeven dat door personele problemen het hem niet gelukt is om de waarde nader te onderbouwen met een matrix en om onderbouwende stukken aan te leveren. Hij ziet geen kans om dit gebrek op korte termijn te helen.
15. De heffingsambtenaar is niet geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep in deze zaak is daarom gegrond en de uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd. Ook [X] heeft de door haar bepleite waarde in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en de WOZ-waarde van dit object voor het kalenderjaar 2021 in goede justitie vaststellen op € 550.000,-.
16. In deze zaak gaat het om de waarde van zes nagenoeg identieke bovenwoningen met berging in [Z] -Centrum ( [plaats 2] ). [X] is eigenaar van de woningen.
In geschil is of de WOZ-waarde van deze woningen te hoog is vastgesteld. [X] bepleit een waarde voor de woningen van elk € 499.000,- (voor de A- en B-nummers) respectievelijk € 479.000,- (voor de C-nummers). De heffingsambtenaar handhaaft voor elke woning de vastgestelde waarde, zoals hiervoor in de tabel is vermeld.
17. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woningen onderbouwd met de door hem in geding gebrachte waarderingsmatrices, diverse taxatiestukken en de daarop ter zitting door hem en de taxateur gegeven toelichting. De gebruikte vergelijkingsobjecten komen qua bouwkenmerken, ligging en uitstraling zeer goed overeen met de appartementen in kwestie. Ze bevinden zich in dezelfde of aanpalende buurt en zijn van ongeveer hetzelfde bouwjaar. In de waarderingsmatrix heeft de heffingsambtenaar voldoende aandacht besteed aan de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar waren. Aan de bergingen bij de vergelijkingsobjecten zijn afzonderlijke waarden toegekend, waarmee de transactieprijzen zijn gecorrigeerd. Ook zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum.
18. [X] vindt dat de vergelijkingsobjecten niet goed vergelijkbaar zijn met de woningen omdat deze objecten een balkon hebben en een balkon in [Z] is ‘goud waard’.
19. Uit de beschikbare iWOZ-informatie omtrent de vergelijkingsobjecten blijkt dat twee van de drie een balkon hebben. Volgens de heffingsambtenaar wordt echter de transactieprijs voor kleine balkons (minder dan 9 m²) niet gecorrigeerd want die hebben geen aantoonbare invloed op de waarde van een woning. Bovendien is - zie ook hiervoor onder 12. - niet de waarde van ieder onderdeel van een object afzonderlijk bepalend, want doorslaggevend is de waarde van het object als geheel. Een klein balkon is een onderdeel van een woning en heeft geen afzonderlijke marktwaarde. [X] heeft haar stelling verder niet met stukken onderbouwd, zodat de rechtbank eraan voorbij gaat.
20. De bij beschikking vastgestelde waarden van de woningen verhouden zich volgens de rechtbank goed tot de verkoopprijzen en de kenmerken van de vergelijkingsobjecten en zijn niet te hoog. Immers, de (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten is telkens hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs die voor de waarde van de bovenwoningen in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor compensatie van eventuele verschillen.
21. [X] heeft haar stelling dat de vastgestelde waarden moeten worden verlaagd niet onderbouwd. Die stelling wordt daarom verworpen.
22. De conclusie is dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de bovenwoningen voor het belastingjaar 2021 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
23. In deze zaak gaat het om de waarde van twee nagenoeg identieke bovenwoningen met berging in [Z] -Centrum ( [plaats 3] ). [X] is eigenaar van de woningen.
24. Ook in deze zaak heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woningen onderbouwd met de door hem in geding gebrachte waarderingsmatrices, diverse taxatiestukken en de daarop ter zitting door hem en de taxateur gegeven toelichting. De gebruikte vergelijkingsobjecten komen qua bouwkenmerken, ligging en uitstraling zeer goed overeen met de appartementen in kwestie. Ze bevinden zich in dezelfde of aanpalende buurt en zijn van ongeveer hetzelfde bouwjaar. In de waarderingsmatrix heeft de heffingsambtenaar voldoende aandacht besteed aan de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar waren. Aan de bergingen bij de vergelijkingsobjecten zijn afzonderlijke waarden toegekend, waarmee de transactieprijzen zijn gecorrigeerd. Ook zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum.
25. Gelet op deze onderbouwing en de ter zitting gegeven toelichting heeft [X] zich na enige discussie alsnog akkoord verklaard met de vastgestelde waarde.
Het beroep is daarom ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
26. [X] heeft de rechtbank in alle zaken verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. In dit kader merkt de rechtbank de Staat als partij in dit geding aan.
27. Bij de beoordeling van dat verzoek gaat de rechtbank uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. De rechtbank neemt samenhang van de verzoeken aan bij de beoordeling.
28. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar, waarbij de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar is gesteld op zes maanden en voor de behandeling van het beroep op anderhalf jaar. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend (28 februari 2021) en loopt door tot de datum van de uitspraak van de rechtbank (15 november 2024). De redelijke termijn van twee jaar is dus overschreden met een jaar en negen maanden. Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding is in dit geval de vergoedingsnorm € 500,- per (afgerond) half jaar overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [X] dan ook recht op een schadevergoeding van (4 x € 500,- =) € 2.000,‑. Omdat de bezwaartermijn is overschreden met afgerond vijf maanden zal de rechtbank de heffingsambtenaar veroordelen tot het betalen van (5/21 x € 2.000,- =) € 476,19 aan [X] als vergoeding van door haar geleden immateriële schade. Het restant van de schadevergoeding ad € 1.523,81 moet aan [X] worden betaald door de Staat.
Proceskosten en griffierecht
29. De rechtbank ziet in verband met de gegrondverklaring van het beroep in de zaak AMS 22/749 en de toekenning van schadevergoeding in alle zaken aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die [X] in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij gaat de rechtbank uit van vier of meer samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten van rechtsbijstand zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 2.248,50 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 624,-, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 875,- en een factor 1,5 in verband met 4 of meer samenhangende zaken en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaken (‘licht’)).
30. Het te vergoeden griffierecht bedraagt (3 x € 365,- =) € 1.095,-. Het totaal aan te vergoeden proceskosten en griffierecht bedraagt (€ 2.248,50 + € 1.095,- =) € 3.343,50.
31. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar en de Staat erop dat zij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en immateriële schadevergoeding uitsluitend mogen uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van [X] . Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.”
5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Wijze van procederen
De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtshulpverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde, die zeer veel procedeert, mag worden verwacht en verlangd dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt is dat de gemachtigde de wederpartij in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten; daartussen bevinden zich dan soms – meestal niet onderbouwde – opmerkingen die echter wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend waarmee hij zijn stellingen onderbouwt. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die argumenten op gedegen wijze verweer te voeren.
De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen en hij heeft ter zitting van het Hof destijds verklaard zich daarvan bewust te zijn. Het Hof heeft echter moeten constateren dat dit in het onderhavige geschil niet tot een verbetering heeft geleid. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van gemachtigde, voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht.
De 22 niet-ontvankelijk verklaarde beroepen
Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de rechtbank het beroep ten onrechte heeft gesplitst in 25 afzonderlijke beroepen omdat tegelijkertijd tegen de in geschil zijnde beschikkingen bezwaar is gemaakt en vervolgens beroep tegen de daaropvolgende uitspraken op bezwaar is ingesteld. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank echter terecht geoordeeld dat voor een aantal zaken apart het griffierecht verschuldigd was. Het tegelijkertijd instellen van bezwaar en beroep is niet doorslaggevend voor de vraag of er samenhang is tussen de bestreden besluiten. De beroepen die gesplitst zijn zien op andere onroerende zaken met andere kenmerken zoals oppervlakte, bouwstijl en locatie. De beroepen hangen qua inhoud onvoldoende samen waardoor het niet proceseconomisch gerechtvaardigd is om ze als één te behandelen (Hoge Raad 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560)
Indien een belanghebbende van mening is dat hij een of meer nota’s griffierecht niet hoeft te betalen omdat artikel 8:41, lid 3, Awb van toepassing is, dient de belanghebbende die nota‘s griffierecht toch binnen de daartoe gestelde termijn te voldoen om niet het risico te lopen dat de rechter anders oordeelt en een of meer beroepen niet-ontvankelijk verklaart wegens het niet of niet tijdig betalen van griffierecht. Worden al deze nota’s griffierecht betaald en komt de rechter daarna tot het oordeel dat artikel 8:41, lid 3, Awb van toepassing is, dan moet de griffier het ten onrechte geheven griffierecht terugbetalen (vgl. HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, r.o. 3.3.7).
Belanghebbende heeft de nota griffierecht in de zaak met de daar aan toegekende kenmerken AMS 24/3259 t/m 24/3263, 24/3265, 24/3266, 24/3272 t/m 24/3274, 24/3276, 24/3278 t/m 24,3286, 24/3289 en 24/3290) niet betaald, ook niet nadat de rechtbank belanghebbende nogmaals heeft gewezen op haar verplichting het griffierecht tijdig te betalen. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat belanghebbende ervoor heeft gekozen om een aantal nota’s griffierecht in de onderhavige zaken wel te betalen en een aantal niet. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de rechtbank de beroepen in de zaken met kenmerken terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, aangezien geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
De waarde van de woningen
Belanghebbende heeft enkele klachten geformuleerd tegen de WOZ-beschikkingen waarvan het daartegen gerichte beroep niet-ontvankelijk is verklaard door de rechtbank. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen (zie 5.2) zal het Hof dat oordeel van de rechtbank in stand laten en dus komt het er niet aan toe deze gronden te beoordelen.
Belanghebbende heeft voorts geklaagd dat de heffingsambtenaar geen inpandige opnames heeft opgemaakt van de woningen. De heffingsambtenaar is daar echter ook niet toe gehouden. Hij dient de waarde van de woning aannemelijk te maken en naar het oordeel van het Hof heeft hij dat in dit geval kunnen doen zonder inpandige opname.
Schadevergoeding
Aangezien de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep niet is overschreden ziet het Hof geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade. Door de rechtbank is al een vergoeding van immateriële schade toegekend voor de fase van bezwaar en beroep.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6. Kosten
Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.
7. Beslissing
Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank, en
- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 21 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd
om te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: