Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Nu namens de verdachte middels de akte intrekken hoger beroep van 3 augustus 2026 te kennen is gegeven dat de verdachte het hoger beroep niet wil handhaven, moet hij geacht worden de eerder tegen het vonnis opgegeven bezwaren in te trekken, zodat hij, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Gewezen door mr. B.E. Dijkers, in bijzijn van mr. N.R.H. Marsera, griffier.
mr. B.E. Dijkers