ECLI:NL:GHAMS:2026:233

ECLI:NL:GHAMS:2026:233

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 23-000948-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2025:2519

Samenvatting

jeugdzaak, bevestiging muv straf en beslissingen op vorderingen BNP; W&O twee keer eendaadse samenloop opzettelijk te weeg brengen ontploffing ( gevaar voor goederen en levensgevaar/ zwll) ,overtreding WWM ( vuurwerk/brandstof combinatie) en medeplegen oplichting, diefstal en poging diefstal, valse sleutels; JD en VW pijmaatregel. Vorderingen BNP's; geheel toewijzen; immateriele schade; aantasting van de persoon op een andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel ( aard en ernst van de normschending en de gevolgen(, Rotterdamse schaal.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsvrouw, de gemachtigde van de benadeelde partijen en de zittingsvertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: Raad) en de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (verder: JBRA) naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de strafmotivering, alsmede de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd-

en met dien verstande dat het hof:

Kwalificatie ten aanzien van het bewezenverklaarde

Het hof leest de door de rechtbank gegeven kwalificatie ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde als volgt:

De eendaadse samenloop van:

- opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het hof leest de door de rechtbank gegeven kwalificatie ten aanzien van het in zaak A onder 3 en 4 bewezenverklaarde als volgt:

De eendaadse samenloop van:

- opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het hof leest de door de rechtbank gegeven kwalificatie ten aanzien van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde als volgt:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 308 dagen met aftrek van voorarrest en heeft daarnaast een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: pij-maatregel) met algemene en bijzondere voorwaarden gelast, welke dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof aan de verdachte voor de ten laste gelegde feiten een jeugddetentie voor de duur van 291 dagen met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke pij-maatregel zal opleggen met algemene en bijzondere voorwaarden, gelijk aan de voorwaarden welke door de rechtbank zijn bepaald.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting verzocht dat het hof aan de verdachte een jeugddetentie oplegt die niet langer duurt dan de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, in totaal 291 dagen, zodat hij niet terug hoeft naar de J.J.I. Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat het hof afziet van het opleggen van een voorwaardelijke pij-maatregel, maar de op te leggen bijzondere voorwaarden verbindt aan een voorwaardelijke werkstraf dan wel jeugddetentie. Subsidiair, voor het geval het hof net als de rechtbank een voorwaardelijke pij-maatregel oplegt, heeft de raadsvrouw verzocht de proeftijd te beperken tot één jaar gelet op het tijdsverloop en de bijzondere voorwaarden bij vonnis al dadelijk uitvoerbaar waren verklaard.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten

De verdachte heeft zich binnen een tijdsbestek van anderhalve maand schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een flinke ontploffing bij de deur van twee verschillende woningen, door een stuk zwaar vuurwerk met een fles brandbare vloeistof (een zogenoemde vuurwerkbrandstof-combinatie) aan te steken. In beide huizen woonden oudere mensen, die op dat moment thuis waren. De ontploffingen hebben naast behoorlijke materiële schade ook veel angstgevoelens veroorzaakt. De impact van dergelijke ontploffingen op bewoners, buren en de maatschappij is heel groot. De verdachte heeft geen enkele opheldering verschaft over zijn beweegredenen voor de ontploffingen. Dat de slachtoffers nog steeds niet weten van wie de opdracht of het idee voor het plaatsen van de explosieven kwam, is voor hen extra beangstigend.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting en (poging tot) diefstal van een bejaarde en ernstig (terminaal) zieke vrouw. Door zich voor te doen als medewerker van de bank hebben zij haar op een slinkse en schaamteloze wijze pinpassen en een iPad afhandig gemaakt. Het slachtoffer heeft in goed vertrouwen de bijbehorende pincodes afgestaan. Met de afhandig gemaakte pinpassen is verdachte vervolgens gaan pinnen bij de Geldmaat en heeft hij geprobeerd een iPhone te kopen bij de [winkel] . Het handelen van de verdachte heeft niet alleen gevolgen gehad voor de slachtoffers zelf, maar ook in de samenleving in het algemeen. Dit soort misdaden veroorzaken immers gevoelens van angst, onrust en onveiligheid.

De verdachte heeft in alle drie de situaties kennelijk enkel en alleen gedacht aan zijn eigen financiële

gewin en zich totaal niet bekommerd om de gevolgen van de slachtoffers. Dit neemt het hof de

verdachte ernstig kwalijk. Extra kwalijk is dat in alle zaken oudere mensen, die over het algemeen extra kwetsbaar zijn, het slachtoffer waren. Zowel de ontploffingen als de oplichting hebben bij de slachtoffers thuis plaatsgevonden. Het gevoel van veiligheid dat iedereen in en rond het eigen huis zou moeten hebben, is hierdoor ernstig geschaad.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof, in aanvulling op de stukken die zich reeds in eerste aanleg in het dossier bevonden, kennisgenomen van de evaluaties van de JBRA van 24 oktober 2025 en 6 januari 2026 betreffende de verdachte en de door de deskundigen gegeven toelichting ter terechtzitting in hoger beroep.

In laatst genoemde evaluatie wordt beschreven dat de verdachte gezien zijn complexe diagnostiek baat heeft bij een langdurige en verplichte behandeling bij de [instelling] . Alhoewel een lange adem nodig blijkt, ziet de JBRA nog wel mogelijkheden om de behandeling te laten slagen binnen de huidige voorwaardelijke pij-maatregel. De JBRA acht een onvoorwaardelijke detentie waarbij de verdachte niet kan profiteren van behandeling niet in zijn belang.

Ter terechtzitting heeft deskundige [naam 1] , verbonden aan de JBRA, deze evaluatie nader toegelicht. De verdachte is weliswaar van goede wil maar niet alles lukt hem. Het recidiverisico wordt nog op hoog ingeschat. School is inmiddels wat afgeschaald om meer ruimte en tijd vrij te spelen voor de noodzakelijke geachte behandeling. De [instelling] is de afgelopen 9 maanden een passende plek voor de verdachte gebleken. Er worden voldoende aanknopingspunten gezien om het ingeslagen traject binnen de [instelling] voort te zetten, onder dezelfde voorwaarden als door de rechtbank opgelegd. Oplegging van een onvoorwaardelijke jeuddetentie die erin resulteert dat de verdachte terug zou moeten naar de JJI is niet wenselijk.

Deskundige [naam 2] , verbonden aan de Raad, heeft ter terechtzitting eveneens geadviseerd om het inmiddels ingeslagen traject voort te zetten en geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die de duur van het voorarrest overschrijdt. De verdachte zit nu 9 maanden in de [instelling] . Hij komt van ver, maar werkt hard. Hij heeft al wat stappen gezet maar moet nog veel meer stappen zetten. De focus moet liggen op behandeling en op school. Een pij-maatregel is vanwege de ernst van de problematiek noodzakelijk; aan de verdachte is een kans geboden door de pij-maatregel in een voorwaardelijke vorm op te leggen. Het opleggen van dezelfde voorwaarden maar dan gekoppeld aan een voorwaardelijke jeugddetentie of werkstraf, zoals door de raadsvrouw bepleit, is niet passend en biedt een onvoldoende strak kader, in het bijzonder gelet op het zelfbepalende gedrag van de verdachte. De deskundige heeft geadviseerd om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat uit een op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 december 2025 blijkt dat hij eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten en overtreding van de Wet wapens en munitie en dat hij ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd liep, wat hem er niet van heeft weerhouden opnieuw meermaals de fout in te gaan.

Jeugddetentie

Gelet op de ernst en hoeveelheid van de feiten is naar het oordeel van het hof onontkoombaar dat aan de verdachte een aanzienlijke vrijheidsstraf wordt opgelegd. Het hof is evenals de advocaat-generaal en de raadsvrouw en de deskundigen echter van oordeel dat het niet wenselijk is dat de verdachte opnieuw in detentie geraakt en ziet hierin aanleiding om een jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Pij-maatregel

Daarnaast acht het hof de oplegging van een voorwaardelijke pij-maatregel passend en geboden. Gelet op de bewezenverklaarde feiten in zaak A onder 1 en 3 en in zaak B en de conclusies van de deskundigen is aan de wettelijke voorwaarden van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voldaan. Uit de Pro Justitia rapportage van 6 februari 2025 volgt dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven sprake was van een normoverschrijdende gedragsstoornis, als uiting van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische en antisociale kenmerken. Mogelijk was daarnaast sprake van aangeboren beperkingen, te classificeren als een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis, met beperkingen in de sociale prikkelverwerking. Tevens was sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis en sprake van een kwetsbaarheid voor psychotische ontregeling, met een recente langer durende psychotische episode, te classificeren als een schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis. Daarmee bestaat een grond voor oplegging van een pij-maatregel. Daarnaast eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een pij-maatregel, waarbij het hof de aard en ernst van het bewezenverklaarde en hetgeen de deskundigen hebben uiteengezet over het recidiverisico meeweegt. Tenslotte is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte en is het hof op basis van de adviezen van de deskundigen voldoende overtuigd van de noodzaak daartoe. Het hof is van oordeel dat de verdachte gebaat is bij een intensieve klinische behandeling in een kader met strakke voorwaarden. Het hof zal aan de pij-maatregel als een van de bijzondere voorwaarden koppelen een klinische behandeling bij de [instelling] . Het hof legt ook de overige door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden op, aangevuld met de voorwaarde dat de verdachte dient mee te werken aan middelencontroles.

Anders dan de raadsvrouw ziet het hof gelet op zowel de ernst van de feiten als de adviezen van de Raad en de JBRA ter terechtzitting geen ruimte om de bijzondere voorwaarden in plaats van aan een pij-maatregel aan een voorwaardelijke jeugddetentie dan wel werkstraf te verbinden.

Evenmin ziet het hof in hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren heeft gebracht aanleiding de op te leggen proeftijd te beperken tot de duur van een jaar.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van het ondergane voorarrest alsmede een voorwaardelijke pij-maatregel met na te noemen algemene en bijzondere voorwaarden van na te melden duur passend en geboden.

Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden

De ten aanzien van de verdachte bewezenverklaarde feiten zijn zeer ernstig. Sinds 9 mei 2025 is de verdachte opgenomen in de [instelling] en wordt hij behandeld. Gezien zijn complexe problematiek is de verdachte gebaat bij een langdurige behandeling. Deze is thans nog onvoldoende van de grond gekomen. Bij het wegvallen van de huidige behandeling moet ernstig rekening gehouden moet worden met het – alsdan mogelijk acute – risico dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof zal daarom bevelen dat de opgelegde bijzondere voorwaarden, gelet op artikel 77za Sr dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2023 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting eveneens bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

Met de rechtbank acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Het hof vindt de tenuitvoerlegging van die straf, mede gelet op de aan de verdachte op te leggen pij-maatregel, in de gegeven omstandigheden niet passend.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 655,00 en ziet op immateriële schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij is voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de vordering geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente vanaf 21 juni 2024.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat het hof, evenals de rechtbank, de vordering naar billijkheid toewijst tot een bedrag van € 500,00.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering geheel toe te wijzen.

Het hof overweegt als volgt.

De benadeelde grondt zijn vordering op een aantasting in zijn persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

Toetsingskader

Aanspraak

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien sprake is - voor zover voor de beoordeling in deze zaak van belang - van een aantasting in de persoon op ‘andere wijze’. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Begroting

De begroting van immateriële schade gebeurt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof benadert deze begroting concreet via de methode van de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl).

in het onderhavige geval

Ten aanzien van de aanspraak overweegt het hof dat de aard en ernst van de normschending, te weten het ’s avonds laat opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met een vuurwerk-brandstofcombinatie bij de voordeur van de woning van de benadeelde partij, waardoor brand en schade ontstaat, volgen uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd.

De gevolgen hiervan voor de benadeelde partij blijken uit het schade-onderbouwingsformulier (van 28 november 2024), waarnaar ook in hoger beroep is verwezen en waarvan de inhoud niet is weersproken. Daarin staat, zakelijk weergegeven, dat de benadeelde partij destijds 76 jaar was en slecht ter been na een ziekenhuisopname. Hij en zijn echtgenote waren thuis tijdens de explosie. De benadeelde partij is erg geschrokken en begreep eerst niet wat er gebeurde. Hij heeft met zijn echtgenote de woning direct verlaten en de eerste tien nachten niet thuis kunnen slapen. Hij heeft nadien een maand lang last gehad van slapeloze nachten, uit angst dat er weer een ontploffing zou plaatsvinden. Na deze maand ging het slapen steeds beter, maar tot november 2024 (indiening schadeformulier) had benadeelde nog steeds niet zoals voor het misdrijf geslapen. Benadeelde durfde na het misdrijf niet naar buiten. Als hij toch naar buiten moest, dan was hij extreem alert bij elk geluid. Hij durfde eigenlijk ook niet thuis te zijn. Hij had deze angsten in november 2024 nog steeds en deze waren blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank zodanig dat het tot verhuisplannen is gekomen. De gemachtigde heeft ter zitting bij het hof verklaard dat die plannen vooralsnog niet zijn gerealiseerd.

Naar het oordeel van het hof is deze aard en ernst van de normschending in samenhang bezien met de specifieke gevolgen daarvan voor de benadeelde van een zodanig gewicht, dat dit verder reikt dan een enkele schending van een fundamenteel recht. Het hof concludeert dat de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

Gegeven deze aanspraak op immateriële schadevergoeding, komt het hof toe aan de begroting daarvan.

Aangesloten wordt bij de Rotterdamse schaal, deel C (smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel), hoofdstuk 19.4 (bedreigende situaties door opzettelijke brandstichting) categorie ‘ernstig’ (brandstichting in of nabij de woning van de benadeelde waar de benadeelde op dat moment in wakkere toestand aanwezig was), met een bandbreedte ‘tot € 2.000,00’, alsmede de hiervoor weergegeven handelwijze van de verdachte, de mate van gevaar, de locatie, de kwetsbaarheid en de leeftijd van de benadeelde en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde.

Alles afwegende, acht het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 655,00 in de gegeven situatie billijk.

Het hof concludeert dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot dit bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 655,00 en ziet op immateriële schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij is voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd de vordering geheel toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente vanaf 21 juni 2024.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat het hof evenals de rechtbank de vordering naar billijkheid toewijst tot een bedrag van € 500,00.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering geheel toe te wijzen.

Het hof overweegt als volgt.

De benadeelde grondt haar vordering op een aantasting in haar persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

Het in hiervoor ten aanzien van de benadeelde [benadeelde partij 1] weergegeven ‘toetsingskader’ voor het bestaan van een zodanige aanspraak en - zo ja - de begroting van de daaruit voortvloeiende immateriële schade, geldt ook ten aanzien van deze benadeelde partij.

Ten aanzien van de aanspraak overweegt het hof dat de aard en ernst van de normschending, te weten het ’s avonds laat opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met een vuurwerk-brandstofcombinatie bij de voordeur van de woning van de benadeelde partij, waardoor brand ontstaat, volgen uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd.

De gevolgen hiervan voor de benadeelde partij blijken uit het schade-onderbouwingsformulier (van 28 november 2024), waarnaar ook in hoger beroep naar is verwezen en waarvan de inhoud niet is weersproken. Daarin staat, zakelijk weergegeven dat de benadeelde partij en haar echtgenoot, die slecht ter been was, thuis waren tijdens de explosie. De benadeelde partij is erg geschrokken. Het lukte haar niet goed om normaal op te staan omdat zij zo van slag was. Haar echtgenoot was pas twee dagen uit het ziekenhuis waardoor hij niet goed ter been was. Zij hebben de woning verlaten.

De eerste tien nachten heeft de benadeelde niet meer thuis geslapen. In het begin was dit vooral praktisch maar ook voor het veiligheidsgevoel van benadeelde en haar echtgenoot vonden zij het prettig om niet thuis te zijn.

De rook heeft nog een week lang in huis gehangen. Benadeelde is dan ook een week bezig geweest om

alles weer schoon te maken. Zij slaapt nog altijd slecht. Van het kleinste geluid schrikt zij wakker, bijvoorbeeld voetstappen, en denkt zij dat er opnieuw een bom zal afgaan. Door de spanning heeft benadeelde last van haar nek en schouders en hier heeft zij ook pijn van tijdens het slapen. Sinds het misdrijf is benadeelde erg angstig. Zij durft niet alleen naar buiten en durft ook niet alleen thuis te zijn. De ramen en deuren blijven ten allen tijde dicht en op slot. Benadeelde volgt Nederlandse lessen en tijdens deze lessen is zij ook heel erg gespannen en angstig. Benadeelde voelt heel veel somberheid en spanning en dus geen rust. Zij durft niet alleen te zijn. Deze gevoelens zijn helaas nog niet minder geworden.

Omdat benadeelde nog niet over een BSN-1 van 4 nummer beschikt heeft zij nog geen zorgverzekering, waardoor zij geen hulp kan zoeken. Zij is nog in afwachting van haar verblijfsvergunning. Benadeelde wil nog steeds graag verhuizen met haar echtgenoot omdat zij zich niet veilig voelen in hun eigen huis.

Naar het oordeel van het hof is deze aard en ernst van de normschending in samenhang bezien met de specifieke gevolgen daarvan voor de benadeelde van een zodanig gewicht, dat dit verder reikt dan een enkele schending van een fundamenteel recht. Het hof concludeert dan ook de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

Gegeven deze aanspraak op immateriële schadevergoeding, komt het hof toe aan de begroting daarvan.

Aangesloten wordt bij de Rotterdamse schaal, deel C (smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel), hoofdstuk 19.4 (bedreigende situaties door opzettelijke brandstichting) categorie ‘ernstig’ (brandstichting in of nabij de woning van de benadeelde waar de benadeelde op dat moment in wakkere toestand aanwezig was), met een bandbreedte ‘tot € 2.000,00’, alsmede de hiervoor weergegeven handelwijze van de verdachte, de mate van gevaar, de locatie, de kwetsbaarheid en de leeftijd van de benadeelde en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde.

Alles afwegende, acht het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 655,00 in de gegeven situatie billijk.

Het hof concludeert dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot dit bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de strafmotivering, alsmede de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 291 (tweehonderdeenennegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel na te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte

-meewerkt aan een klinische gesloten behandeling bij de [instelling] of een soortgelijke instelling, aldaar verblijft en zich houdt aan de regels en aanwijzingen van die instelling;

-onderwijs volgt volgens het lesrooster tot het behalen van een startkwalificatie;

-meewerkt aan het hebben van structurele, positieve dagbesteding;

-meewerkt aan een traject voor begeleid of beschermd wonen;

-meewerkt aan middelencontroles;

-meewerkt aan verdere hulp die nodig wordt geacht.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan JBRA tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 stk springstof, omschrijving PL1300-2024145921-G6555140, kartonsnippers.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-233111-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 655,00 (zeshonderdvijfenvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-233111-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 655,00 (zeshonderdvijfenvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 juni 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-233111-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 655,00 (zeshonderdvijfenvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-233111-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 655,00 (zeshonderdvijfenvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 juni 2024.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van 27 september 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2023, parketnummer 13-094619-23, voorwaardelijk opgelegde een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P.J. van Eekeren en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M. van Tilburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?