ECLI:NL:GHAMS:2026:234

ECLI:NL:GHAMS:2026:234

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 23-001185-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2025:5263

Samenvatting

jeugdzaak, bevestiging, muv vorderingen BNP; overval op tabakszaak met geweld door twee of meer verenigde personen en overval op woning met geweld, in de voor de nachtrust bestemde tijd, met braak en door twee of meer verenigde personen, JD 350 dagen, waarvan 231 VW, PT 2 jaar, MA, TS 200 uren/ 100 dagen. Vordering BNP 1; materieel; deels toewijzen, deels NO (civiele rechter), BNP 1 en 2; immaterieel; geheel toewijzen; lichamelijk letsel en aantasting van de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel ( aard, ernst van het strafbare feit en gevolgen). Rotterdamse schaal.

Uitspraak

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman, de advocaat van de benadeelde partijen en de zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: Raad) naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen behalve ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

-in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof

- de overweging op pagina 9, vierde alinea, welke aanvangt met De rechtbank heeft hiervoor overwogen tot en met die de overval hebben uitgevoerd. vervangt door de navolgende overweging:

Zoals blijkt uit de hierboven omschreven rol van de verdachte heeft de verdachte niet enkel wetenschap gehad van de overval maar ook een centrale rol gespeeld bij de planning en organisatie voorafgaand, tijdens en na de overval en bij het bijeenbrengen van alle betrokkenen. Naar het oordeel van het hof is de bijdrage van de verdachte aan de overval daarmee van een zodanig gewicht dat sprake is van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Hetgeen de raadsman in hoger beroep op dit punt naar voren heeft gebracht brengt het hof niet tot een ander oordeel.

- op pagina 12, vierde alinea de woorden een paar maanden later vervangt door een paar weken later.

- dezelfde straf oplegt als de rechtbank maar overeenkomstig het advies van de Raad ter terechtzitting in hoger beroep de navolgende door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden schrapt:

-moet meewerken aan het behouden van een positieve dagbesteding en naar school moet gaan volgens het lesrooster,

-moet meewerken aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling,

-moet meewerken aan het traject van een IFA-coach, indien en zolang de jeugdreclassering dat nodig acht.

- de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zal vervangen en uitwerken indien beroep in cassatie wordt ingesteld.

- Het in zaak B bewezenverklaarde verbeterd kwalificeert als hieronder vermeld.

Kwalificatie ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde

Het hof leest de door de rechtbank gegeven kwalificatie ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde als volgt:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en de schuldige zich

de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en het feit

wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.229,94 en bestaat voor € 13.729,94 uit materiele schade (diverse deelposten) en voor € 9.500,00 uit immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 21.729,94, bestaande uit € 13.729,94 aan materiele schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd op de vordering van de benadeelde partij te beslissen zoals door de rechtbank is beslist.

De raadsman heeft ter terechtzitting primair verzocht om afwijzing van de vordering voor zover deze ziet op materiele schade, dan wel de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk te verklaren, en subsidiair om deze te matigen. Voor zover de vordering ziet op de herstelwerkzaamheden in de woning en de Gucci tas met inhoud is deze onvoldoende onderbouwd. De aanschaf van een beveiligingscamera staat onvoldoende in rechtstreeks verband met het strafbare feit. Voor zover de vordering ziet op immateriële schade verzoekt de raadsman het hof deze te matigen. Tot slot verzoekt de raadsman de verdachte niet voor het geheel hoofdelijk aansprakelijk te stellen, subsidiair de betalingsverplichting te maximeren tot niet meer dan de helft van het toegewezen bedrag, gelet op de beperkte rol van de verdachte.

De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting verzocht op de vordering te beslissen zoals door de rechtbank is gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de materiele schade

De gevorderde materiële schade valt uiteen in de volgende deelposten:

Dagwaarde televisie ad € 1.758,20

Deze post is in hoger beroep niet betwist. Het gevorderde bedrag is toewijsbaar conform de beslissing van de rechtbank.

Diefstal Gucci tas met inhoud € 1.250,00

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze voor toewijzing in aanmerking komt. De benadeelde heeft van begin af aan verklaard dat bij de overval een Gucci tas met daarin onder andere een geldbedrag van € 250,00 tot € 300,00 uit de woning is ontvreemd en heeft een prijsopgave van een dergelijke Gucci tas overgelegd. Uit de bewezenverklaring volgt dat een Gucci tas is weggenomen. Het hof ziet geen reden aan de verklaring van de benadeelde partij te twijfelen en gaat er vanuit dat deze tas met inhoud door de overvallers is weggenomen. Evenals de rechtbank, schat het hof de waarde van deze tas op € 950,00 en acht het hof aannemelijk dat het weggenomen geldbedrag € 300,00 bedraagt.

Aanschaf beveiligingscamera € 751,00

Anders dan bepleit door verdediging, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade voor de aanschaf van een beveiligingscamera op 3 juli 2023, een paar weken na de overval, als rechtstreekse schade door het strafbaar feit voor vergoeding in aanmerking komt. Dat deze aanschaf er op gericht is soortgelijke feiten in de toekomst te voorkomen, laat dat in dit geval onverlet. De gemaakte kosten staan in conditio sine qua non-verband met het strafbaar feit en zijn in de gegeven omstandigheden ook redelijkerwijs toe te rekenen aan de verdachte.

Herstelwerkzaamheden woning € 9.970,74

Deze post is zowel bij de rechtbank als bij het hof gemotiveerd betwist door de verdediging onder verwijzing naar de door de benadeelde partij overgelegde factuur ter toelichting op deze post. Daarop staat geen factuurdatum, maar wel een factuurnummer; te weten 2022-2029. Dat doet vermoeden dat de werkzaamheden zijn verricht in 2022 terwijl het strafbare feit dateert van 16 juni 2023. De benadeelde partij heeft in reactie daarop de gevorderde hoogte van deze post niet nader toegelicht. Het hof kan gezien dit partijdebat dan ook niet uitgaan van het gevorderde bedrag. Het hof acht gegeven de handelwijze van verdachten tijdens de inbraak wel aannemelijk dat er dientengevolge mogelijk schade is geleden aan de woning, maar mist voldoende feitelijke aanknopingspunten voor enige redelijke schatting daarvan. Daarvoor is nader onderzoek nodig, dat een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal het hof bepalen dat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de immateriële schade

Het hof begrijpt uit voornoemd verzoek van de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting dat de in hoger beroep wederom gevorderde immateriële schade wordt verlaagd van € 9.500,00 naar € 8.000,00 overeenkomstig dat toegewezen bedrag door de rechtbank. Het hof zal bij de beoordeling van de aldus gewijzigde vordering uitgaan.

Toetsingskader immateriële schade

Aanspraak

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel indien sprake is van een aantasting in de persoon op ‘andere wijze’. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Begroting

De begroting van immateriële schade gebeurt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Het hof benadert deze begroting concreet via de methode van de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl).

Ten aanzien van de aanspraak

Lichamelijk letsel

Het hof stelt vast dat de benadeelde als gevolg van het handelen van verdachten lichamelijk letsel heeft opgelopen. In de letselrapportage van 20 juni 2023 wordt vermeld dat de benadeelde pijn heeft ervaren en zichtbare letsels in zijn aangezicht, linkeronderarm en linkeroksel heeft, te weten een lichte zwelling, verkleuringen en huidverwondingen heeft bekomen. Ter terechtzitting bij het hof heeft de benadeelde een klein litteken onder zijn linker oog getoond, dat volgens hem ten gevolge van genoemd letsel is ontstaan en vooralsnog niet is genezen, wat de verdediging niet heeft betwist en wat het hof aannemelijk acht.

Aantasting van de persoon op andere wijze

De aard en de ernst van de normschending, te weten een zeer gewelddadige woningoverval in de nachtelijke uren, terwijl de benadeelde partij en zijn vriendin in bed lagen, door meerdere gemaskerde mannen, gewapend met vuurwapens, een koevoet en een mes, waarbij zowel de benadeelde, als zijn zwangere partner met de dood zijn bedreigd en grof geweld tegen hen is gebruikt, volgen uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd.

De gevolgen hiervan voor de benadeelde partij zijn beschreven in de letselrapportage: de benadeelde lijdt aan spanningsklachten, zoals hoofdpijn en schrikkerigheid. In het schade-onderbouwingsformulier is beschreven dat bij de benadeelde sprake is van ernstig geestelijk letsel. In hoger beroep is hiernaar verwezen en de inhoud is niet weersproken. Daarin staat onder meer dat de benadeelde partij tijdens de overval probeerde terug te vechten maar de overvallers waren met meer en waren bewapend met vuurwapens, een koevoet en een mes. Tijdens de overval heeft de benadeelde partij doodsangsten uitgestaan, voor zich zelf en voor zijn zwangere partner. Sinds het strafbare feit is hij prikkelbaarder, vertoont hij meer agressief gedrag, voelt hij veel woede en heeft hij slaapproblemen.

Naar het oordeel van het hof is deze aard en ernst van de normschending in samenhang bezien met de specifieke gevolgen daarvan voor de benadeelde van een zodanig gewicht, dat dat dit verder reikt dan een enkele schending van een fundamenteel recht. Het hof concludeert dan ook de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

Conclusie

Het hof concludeert dat sprake is van een aanspraak op immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:106 lid b BW, op grond van lichamelijk letsel en bovendien op grond van aantasting in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel.

Ten aanzien van de begroting

Gegeven een aanspraak op immateriële schadevergoeding, komt het hof toe aan de begroting daarvan.

Ten aanzien van het lichamelijk letsel gaat het hof uit van de Rotterdamse Schaal, deel A: lichamelijk letsel), hoofdstuk 13: licht letsel onder c: herstel van ongeveer twee maanden, met een bandbreedte tot € 1.100,00.

Wat betreft de persoonsaantasting op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, sluit het hof aan bij de Rotterdamse Schaal, deel C: smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel), hoofdstuk 19.1: bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal, categorie (a): meest ernstig, met een bandbreedte van € 3.000 tot € 8.000,00. Daarbij neemt het hof in ogenschouw de hiervoor weergegeven relevante omstandigheden, te weten de handelwijze van de verdachte, de intensiteit van de bedreigende situatie, de kwetsbare situatie van de benadeelde, en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde.

Alles afwegende, acht het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 8000,00 in de gegeven situatie billijk.

Conclusie

Concluderend is uit het onderzoek ter terechtzitting het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiele en immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente zoals in de beslissing staat vermeld. Ten aanzien van het méér gevorderde zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard.

Het hof zal dit bedrag hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hetgeen de raadsman ter terechtzitting naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding de vordering te matigen, dan wel de verdachte niet hoofdelijk voor het geheel maar naar rato van zijn eigen bijdrage aansprakelijk te stellen, dan wel de betalingsverplichting te maximeren.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.000,00 en bestaat geheel uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.000,00. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting geadviseerd op de vordering van de benadeelde partij te beslissen zoals door de rechtbank is beslist.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering te matigen. Tot slot heeft de raadsman verzocht de verdachte niet voor het geheel hoofdelijk aansprakelijk te stellen, subsidiair de betalingsverplichting te maximeren tot niet meer dan de helft van het toegewezen bedrag. gelet op de beperkte rol van de verdachte.

De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting verzocht op de vordering te beslissen zoals door de rechtbank is gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt uit voornoemd verzoek dat de in hoger beroep gehandhaafde vordering aan immateriële schade wordt verlaagd van € 8.000,00 tot het door de rechtbank toegewezen bedrag, zijnde € 7.000. Het hof zal bij de beoordeling van de aldus gewijzigde vordering uitgaan.

Toetsingskader immateriële schade

Het in hiervoor ten aanzien van de benadeelde [benadeelde partij 1] weergegeven ‘toetsingskader’ voor het bestaan van een zodanige aanspraak en - zo ja - de begroting van de daaruit voortvloeiende immateriële schade, geldt ook ten aanzien van deze benadeelde partij.

Ten aanzien van de aanspraak

Lichamelijk letsel

Het hof stelt vast dat de benadeelde als gevolg van het handelen van verdachten lichamelijk letsel heeft opgelopen. In de letselrapportage van 20 juni 2023 wordt vermeld dat de benadeelde pijn heeft ervaren en oppervlakkige letsels op haar rechterpols, linkerknie en linkerbovenarm heeft, te weten verkleuringen, schaafplekken en een zeer lichte zwelling.

Aantasting van de persoon op een andere wijze

De aard en de ernst van de normschending, te weten een zeer gewelddadige woningoverval in de nachtelijke uren, door meerdere gemaskerde mannen, gewapend met vuurwapens, een koevoet en een mes, waarbij zowel de benadeelde, die op dat moment zwanger was en haar partner met de dood zijn bedreigd en grof geweld tegen hen is gebruikt, volgen uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd.

De gevolgen hiervan voor de benadeelde partij blijken uit het schade-onderbouwingsformulier waarin wordt beschreven dat bij de benadeelde sprake is van zeer ernstig geestelijk leed; tijdens het delict heeft zij doodsangsten uitgestaan, nog weken na het strafbare feit durfden zij en haar partner niet terug te keren naar de woning. Ook heeft de benadeelde sinds de overval slaapproblemen en algemene gevoelens van angst, zowel thuis als op straat. De confrontatie met de beschadigingen in de woning herinnert haar aan de overval en maakt haar angstig en onrustig.

Naar het oordeel van het hof is deze aard en ernst van de normschending in samenhang bezien met de specifieke gevolgen daarvan voor de benadeelde van een zodanig gewicht, dat dit verder reikt dan een enkele schending van een fundamenteel recht. Het hof concludeert dan ook de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW.

Conclusie

Het hof concludeert dat sprake is van een aanspraak op immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:106 lid b BW, op grond van lichamelijk letsel en bovendien op grond van aantasting in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel.

Ten aanzien van de begroting

Gegeven een aanspraak op immateriële schadevergoeding, komt het hof toe aan de begroting daarvan.

Ten aanzien van het lichamelijk letsel gaat het hof uit van de Rotterdamse Schaal, deel A: lichamelijk letsel, hoofdstuk 13: licht letsel onder c: herstel van ongeveer twee maanden, met een bandbreedte tot € 1.100,00.

Wat betreft de persoonsaantasting op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, sluit het hof aan bij de Rotterdamse Schaal, deel C: smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel), hoofdstuk 19.1: bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal, categorie (a): meest ernstig, met een bandbreedte van € 3.000 tot € 8.000,00. Daarbij neemt het hof in ogenschouw de handelwijze van de verdachte, de intensiteit van de bedreigende situatie, de kwetsbare positie van de benadeelde en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde.

Alles afwegende, acht het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 7.000,00 in de gegeven situatie billijk.

Conclusie

Concluderend is uit het onderzoek ter terechtzitting het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot dit bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal dit bedrag hoofdelijk toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hetgeen de raadsman ter terechtzitting naar voren heeft gebracht ziet het hof geen aanleiding de vordering te matigen, dan wel de verdachte niet hoofdelijk voor het geheel maar naar rato van zijn eigen bijdrage aansprakelijk te stellen, dan wel de betalingsverplichting te maximeren.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-118821-23 onder 2 (zaak A) tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175704-23 primair (zaak B) bewezenverklaarde tot het bedrag van € 11.759,20 (elfduizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en twintig cent) bestaande uit € 3.759,20 (drieduizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en twintig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175704-23 primair (zaak B) bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.759,20 (elfduizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en twintig cent) bestaande uit € 3.759,20 (drieduizend zevenhonderdnegenenvijftig euro en twintig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 16 juni 2023 over een bedrag van € 3.008,20 ter zake van de Gucci tas met inhoud en de televisie - 3 juli 2023 over een bedrag van € 751,00 ter zake van de aanschaf van beveiligingscamera's

en van de immateriële schade op 16 juni 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175704-23 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-175704-23 primair (zaak B) bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.000,00 (zevenduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 16 juni 2023.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2026.

De oudste en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M. van Tilburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?