ECLI:NL:GHAMS:2026:2341

ECLI:NL:GHAMS:2026:2341

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 24-07-2026
Datum publicatie 21-08-2026
Zaaknummer 23-002606-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Seksueel misbruik van destijds 13-jarige dochter, waardoor zij zwanger is geraakt en een zware bevalling met keizersnee heeft moeten ondergaan. In hoger beroep heeft op verzoek van de verdediging nader onderzoek plaatsgevonden naar de door de verdachte naar voren gebrachte mogelijkheid dat een van zijn broers de biologische vader van het kind is. Op basis van verwantschapsonderzoek zijn beide broers uitgesloten van het biologisch vaderschap. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het organiseren van een expertmeeting af. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar passend en geboden. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zal het hof de op te leggen gevangenisstraf met 6 maanden verminderen.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen benadeelde partij -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof:

- de bewijsoverweging van de rechtbank grotendeels overneemt en aanvult zoals hieronder opgenomen;

- een beslissing neemt over het bij pleidooi in hoger beroep gedane voorwaardelijke verzoek van de verdediging en

- de bewijsmiddelen van de rechtbank aanvult met het hieronder weergegeven bewijsmiddel.

Bewijsoverweging

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte tenminste eenmaal seksueel is binnengedrongen in het lichaam van zijn destijds 13-jarige dochter [benadeelde partij 1] en een kind bij haar heeft verwekt.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bij pleidooi vrijspraak bepleit omdat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. [benadeelde partij 1] heeft zelf geen herinnering aan enig seksueel contact waardoor zij zwanger is geraakt. De verdachte heeft ontkend dat hij seks met zijn dochter heeft gehad. Wanneer de bevruchting heeft plaatsgevonden kan niet met zekerheid worden vastgesteld omdat dit niet door een arts is gedaan en het medisch dossier ontbreekt. Daarnaast was [benadeelde partij 1] , wanneer zij bij haar vader was, ook altijd samen met haar broertjes en waren de kinderen niet de gehele tenlastegelegde periode bij de verdachte. Evenmin kan worden vastgesteld welke ontuchtige handelingen gepleegd zouden zijn en er valt allerminst met zekerheid te zeggen dat in deze zaak sprake is geweest van penetratie. Dat een baby is geboren maakt dit niet anders. Uit de DNA-rapportages kan niet met voldoende zekerheid de conclusie worden getrokken dat de verdachte de vader is van [persoon 1] . Immers de likelihood ratio is gebaseerd op twee specifieke hypotheses en doet alleen daarover een uitspraak. De raadsvrouw heeft voorts, als het hof niet meegaat in het vrijspraakverweer en tot een bewezenverklaring komt, het verzoek gedaan om de zaak opnieuw naar het kabinet van de raadsheer-commissaris te verwijzen en een expertmeeting te organiseren die ziet op het stellen van de juiste vragen en het uitzetten van de juiste onderzoeken op het gebied van klinische genetica.

Oordeel van het hof

Het hof verenigt zich grotendeels met de bewijsoverweging van de rechtbank, zoals opgenomen op pagina’s 2 tot en met 4 van het vonnis, en neemt deze over, zoals in het navolgende cursief weergegeven. Op onderdelen past het hof die overwegingen aan. Conform haar verzoek gebruikt het hof daarbij de naam [benadeelde partij 1] in plaats van [naam] , waarmee dezelfde persoon wordt aangeduid.

De rechtbank (ergo: hier en voorts dus evenzeer ‘het hof’) gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 4 januari 2022 kregen verbalisanten van de zedenrecherche een melding van een kinderarts in het Amsterdams Medisch Centrum (AMC) over een meisje van 13 jaar oud dat zich daar had gemeld met haar moeder. Dit meisje bleek [benadeelde partij 1] te zijn. De moeder van [benadeelde partij 1] had eerder die dag een zwangerschapstest gekocht voor [benadeelde partij 1] omdat [benadeelde partij 1] al een aantal maanden misselijk en moe was en niet meer ongesteld werd. Ook klaagde [benadeelde partij 1] over een harde buik. Uit de zwangerschapstest bleek dat [benadeelde partij 1] zwanger was. In het AMC is een echo gemaakt, waaruit bleek dat [benadeelde partij 1] op dat moment 25 weken zwanger was. De moeder van [benadeelde partij 1] verklaart dat [benadeelde partij 1] ontkent seks gehad te hebben en niet te begrijpen hoe zij zwanger is geraakt. Nadat haar moeder meerdere keren vroeg wie de vader kan zijn verklaarde [benadeelde partij 1] dat zij tijdens een bezoek aan haar vader met hem op bed heeft gelegen en dat haar broertjes hierbij aanwezig waren. De volgende ochtend werd zij alleen wakker, wat zij vreemd vond. Verder heeft zij verklaard dat ze niks heeft gevoeld die nacht/avond.

DNA-verwantschapsonderzoek

Op 13 april 2022 is [benadeelde partij 1] bevallen van haar zoontje [persoon 1] . Op 19 april 2022 is DNA afgenomen van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] . Om te onderzoeken of [benadeelde partij 1] en haar zoon dezelfde vader zouden kunnen hebben, is een DNA-verwantschapsonderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten is geconcludeerd dat [benadeelde partij 1] en [persoon 1] dezelfde biologische vader kunnen hebben. De kans op de verkregen autosomale DNA-profielen is ongeveer 1200 keer groter wanneer [benadeelde partij 1] en [persoon 1] dezelfde biologische vader hebben, dan wanneer zij verschillende, niet-verwante biologische vaders hebben.

Naar aanleiding van de uitkomst van het DNA-verwantschapsonderzoek is vervolgens DNA afgenomen bij verdachte. Ter beantwoording van de vraag of verdachte de biologische vader kan zijn van [persoon 1] is opnieuw een DNA-verwantschapsonderzoek uitgevoerd. Het autosomale DNA-profiel van verdachte is vergeleken met de autosomale DNA-profielen van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] en het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte is vergeleken met het Y-chromosomale DNA-profiel van [persoon 1] . Bij dit onderzoek is de aanname gedaan dat [benadeelde partij 1] de biologische moeder is van [persoon 1] en dat verdachte de biologische vader is van [benadeelde partij 1] . Op basis van de resultaten van het DNA-verwantschapsonderzoek is geconcludeerd dat verdachte de biologische vader kan zijn van [persoon 1] . De kans op de autosomale DNA-profielen is meer dan een miljard keer groter wanneer verdachte de biologische vader is van [persoon 1] , dan wanneer een andere man die niet verwant is aan verdachte de biologische vader is van [persoon 1] . Deze conclusie wordt bovendien ondersteund door de uitkomst van het vergelijkend Y-chromosomale DNA-onderzoek. Het resultaat van dit directe DNA-verwantschapsonderzoek. waarbij DNA van verdachte zelf is betrokken, ondersteunt en versterkt daarmee het eerder besproken indirecte DNA-verwantschapsonderzoek.

Periode van de bevruchting

Het dossier bevat processen-verbaal waarin wordt verwezen naar medische gegevens. Hieruit volgt dat [benadeelde partij 1] vermoedelijk is bevrucht in de week van 19 juli 2021. De moeder van [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat [benadeelde partij 1] in deze periode bij verdachte verbleef. Dit blijkt ook uit WhatsAppberichten in het dossier. Uit deze berichten valt af te leiden dat [benadeelde partij 1] tot en met zondag 25 juli 2021 bij verdachte verbleef.

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ontkend dat hij zich aan het tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt.

Overwegingen en conclusies ten aanzien van het bewijs

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat nergens uit het dossier blijkt dat de datum van bevruchting door een arts is vastgesteld en het medisch dossier waarin de mogelijke datum van bevruchting zou moeten staan, ontbreekt. Hoewel het medisch dossier inderdaad ontbreekt in het dossier, volgt uit het dossier wel dat op 4 januari 2022 door de kinderarts in het AMC geconstateerd dat [benadeelde partij 1] toen 25 weken zwanger was. Deze arts heeft hierop de politie gebeld en zijn constateringen zijn opgenomen in een proces-verbaal. Daarnaast heeft een verbalisant het medisch dossier van [benadeelde partij 1] ingezien, en zijn bevindingen neergelegd in een ambtsedig opgemaakt het proces-verbaal. Uit dit proces-verbaal volgt dat is gebleken dat de laatste menstruatie van [benadeelde partij 1] waarschijnlijk op 5 of 6 juli 2021 is geweest en de eisprong

waarschijnlijk 14 dagen daarna en dus in de week van 19 juli 2021 heeft plaatsgevonden.

Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande en alles in samenhang bezien, geen aanleiding om te betwijfelen dat [benadeelde partij 1] in de periode van 19 - 25 juli 2021 zwanger is geworden.

In hoger beroep heeft op verzoek van de verdediging nader onderzoek plaatsgevonden naar de door de verdachte naar voren gebrachte mogelijkheid dat een van zijn broers de biologische vader is van [persoon 1] . De broers van de verdachte die hiervoor in aanmerking zouden kunnen komen zijn in hoger beroep teruggebracht naar twee personen. Van deze twee broers is vervolgens een DNA-profiel verkregen. Ter beantwoording van de vraag of een van deze twee broers de biologische vader kan zijn van [persoon 1] is er een DNA-verwantschapsonderzoek uitgevoerd. Hierbij is het autosomale DNA-profiel van beide broers vergeleken met het autosomale DNA-profiel van [persoon 1] . Bij dit onderzoek is de aanname gedaan dat [benadeelde partij 1] de biologische moeder is van [persoon 1] . Op basis van de resultaten van dit DNA-verwantschapsonderzoek zijn beide broers uitgesloten van het biologisch vaderschap.

Conclusie ten aanzien van het bewijs

De rechtbank concludeert op basis van het DNA-verwantschapsonderzoek en de overige informatie in het dossier dat verdachte de biologische vader is van [persoon 1] . Daarmee staat het voor de rechtbank vast dat verdachte het lichaam van zijn destijds 13 jarige dochter [benadeelde partij 1] in ieder geval een keer seksueel is binnengedrongen. Ook staat gelet op de duur van de zwangerschap vast dat dit is gebeurd in de periode waarin [benadeelde partij 1] bij haar vader verbleef van 19 juli 2021 tot en met 25 juli 2021.

Het hof komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Voorwaardelijk verzoek

Het hof begrijpt het bij pleidooi gedane voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw aldus, dat zij haar ook ter zitting in hoger beroep gedane – en door het hof toen afgewezen – verzoek herhaalt om, in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, via de raadsheer-commissaris een expertmeeting te organiseren met een klinisch geneticus om te zien welke vragen kunnen worden gesteld en hoe die vragen onderzocht kunnen worden met het oog op een Usher-drageronderzoek bij de verdachte. Dat onderzoek zou de verdachte mogelijk definitief als dader kunnen uitsluiten, aldus de raadsvrouw.

Omdat aan de gestelde voorwaarde is voldaan, zal het hof het verzoek van de raadsvrouw beoordelen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorwaardelijk verzoek kan worden afgewezen, omdat het neerkomt op een herhaling van zetten en de noodzaak van het onderzoek niet is gebleken. De resultaten van het DNA-verwantschapsonderzoek zijn sterk. Daaruit volgt dat de kans op de autosomale DNA-profielen meer dan een miljard keer groter is wanneer de verdachte de biologische vader is van [persoon 1] , dan wanneer een andere man die niet verwant is aan de verdachte de biologische vader is van [persoon 1] . Dat wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De verdachte geeft enkel als ‘alternatief scenario’ dat hij onschuldig is. Ook na het uitvoeren van het door de raadsvrouw gevraagde nadere DNA-onderzoek blijven voornoemde resultaten overeind staan. Bovendien kan, zelfs als uit een Usher-drageronderzoek bij de verdachte zou blijken dat hij géén drager is, daaraan nog niet de conclusie worden verbonden dat hij niet de biologische vader is van [persoon 1] . Immers, niet kan worden uitgesloten dat het syndroom van Usher bij [persoon 1] is ontstaan door een spontane mutatie.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof constateert dat de raadsvrouw het verzoek met deze strekking in hoger beroep al twee keer eerder heeft gedaan met min of meer dezelfde motivering. Het hof heeft de verzoeken eerder afgewezen. Gelet op de onderbouwing van het verzoek en de reeds beschikbare DNA-rapporten in het dossier, in het licht van de overige onderzoeksresultaten, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de noodzaak van het verzochte onderzoek niet is gebleken. Het hof wijst het verzoek af.

Bewijsmiddelen

Het hof neemt de bewijsmiddelen van de rechtbank over en vult deze aan met het navolgende bewijsmiddel.

8. Het geschrift, te weten: een NFI-rapport van DNA-verwantschapsonderzoek van 20 december 2024 opgemaakt door R.J. Bink (ongenummerd).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

DNA-verwantschapsonderzoek

Kan [persoon 2] de biologische vader zijn van [persoon 1]?

Ter beantwoording van deze vraag is een DNA-verwantschapsonderzoek uitgevoerd. Hierbij is het autosomale DNA-profiel van [persoon 2] vergeleken met het autosomale DNA-profiel van [persoon 1] en [benadeelde partij 1] .

Uit het DNA-verwantschapsonderzoek blijkt dat [persoon 2] op zes van de 23 onderzochte autosomale DNA loci geen gemeenschappelijk DNA-kenmerk deelt met [persoon 1] . Hierbij is aangenomen dat [benadeelde partij 1] de moeder is van [persoon 1] .

Conclusie DNA-verwantschapsonderzoek t.a.v. [persoon 2]

Op basis van de resultaten van het autosomale DNA-verwantschapsonderzoek wordt geconcludeerd dat [persoon 2] niet de biologische vader kan zijn van [persoon 1] .

Kan [persoon 3] de biologische vader zijn van [persoon 1] ?

Ter beantwoording van deze vraag is een DNA-verwantschapsonderzoek uitgevoerd. Hierbij

is het autosomale DNA-profiel van [persoon 3] vergeleken met het autosomale DNA-profiel van [persoon 1] en [benadeelde partij 1] .

Uit het DNA-verwantschapsonderzoek blijkt dat [persoon 3] op vier van de 23 onderzochte autosomale DNA loci geen gemeenschappelijk DNA-kenmerk deelt met [persoon 1] . Hierbij is aangenomen dat [benadeelde partij 1] de moeder is van [persoon 1] is.

Conclusie DNA-verwantschapsonderzoek t.a.v. [persoon 2] (het hof begrijpt: [persoon 3]

Op basis van de resultaten van het autosomale DNA-verwantschapsonderzoek wordt geconcludeerd dat [persoon 3] niet de biologische vader kan zijn van [persoon 1] .

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde – met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep – zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6,5 jaar en met oplegging van een contactverbod met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en een locatieverbod rond de woning van [benadeelde partij 1] op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De raadsvrouw van de verdachte heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van zijn destijds 13-jarige dochter [benadeelde partij 1] , waardoor zij zwanger is geraakt, een zware bevalling met een keizersnee heeft moeten ondergaan en is bevallen van een zoon. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze een zeer ernstige en onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van zijn minderjarige dochter. Als vader had hij zijn dochter geborgenheid en bescherming moeten bieden, maar in plaats daarvan heeft hij haar voor de rest van haar leven getekend. De verdachte heeft met zijn handelen klaarblijkelijk enkel oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeftes. Het vertrouwen dat zijn dochter in hem mocht stellen als vader, heeft hij op zeer ernstige wijze geschaad. Mede door het enkele bestaan van [persoon 1] , maar ook door het litteken dat de keizersnee op haar lichaam heeft achtergelaten, wordt [benadeelde partij 1] nog dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het seksueel misbruik en dat zal ook zo blijven.

Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van minderjarige kinderen vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de mentale ontwikkeling van de slachtoffers. Met name de seksuele ontwikkeling van een kind kan hierdoor langdurig en mogelijk blijvend worden verstoord. Dat de verdachte als vader voor seksueel misbruik van zijn dochter heeft gekozen maakt het nog ernstiger, omdat een kind juist bij haar ouders veiligheid en bescherming mag verwachten.

Dat [benadeelde partij 1] door het misbruik ernstig beschadigd is, blijkt ook uit het feit dat bij haar PTSS is vastgesteld en zij naast langdurige traumatherapie ook een ambulant hulpprogramma volgt voor meisjes die seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben meegemaakt. Uit de op de terechtzitting namens hen voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen en de onderbouwing bij de vorderingen benadeelde partij volgt dat en welke nadelige gevolgen van het seksueel misbruik [benadeelde partij 1] , maar ook haar moeder nog dagelijks ervaren. Ook blijkt daaruit welke impact het handelen van de verdachte op hun leven heeft, dat nadien drastisch is veranderd. [benadeelde partij 1] omschrijft in haar verklaring de schaamte die zij voelde over haar zwangerschap en hoe erg zij het vond dat ze niet meer naar school kon sinds het moment dat zij wist dat zij zwanger was en er ook niet over kon praten met haar vriendinnen en haar eigen broertje. Zij leeft met een groot geheim. Zij heeft door de gevolgen van het seksueel misbruik veel gemist op school en een achterstand opgelopen, waardoor zij van school moest wisselen. Zij heeft niet het ongecompliceerde leven kunnen leiden wat zij als tiener had moeten hebben. De verdachte heeft haar, kort gezegd, met zijn misdadige handelen een onbekommerde jeugd ontnomen. De moeder van [benadeelde partij 1] , die de opvoeding en verzorging van [persoon 1] op zich heeft genomen, beschrijft in haar verklaring dat haar leven sinds het seksueel misbruik in een nachtmerrie is veranderd. Ook de impact op de familie van [benadeelde partij 1] is groot geweest.

Ook [persoon 1] zal op enig moment in zijn leven er van op de hoogte raken wie zijn vader is en ook hij zal moeten leren leven met de gevolgen van het handelen van een persoon die zijn moeder heeft misbruikt in de wetenschap dat die persoon tevens zijn eigen vader is.

De ernst van het feit en de grote impact daarvan op de levens van [benadeelde partij 1] , haar moeder en [persoon 1] maken dat naar het oordeel van het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 7 jaar passend en geboden is. Het hof stelt wel vast dat in hoger beroep de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Weliswaar hangt dat voor een deel samen met verzoeken van de verdediging, maar niet in die mate dat die overschrijding geheel of grotendeels op het conto van de verdediging komt. De verdachte heeft op 3 oktober 2022 hoger beroep ingesteld en het hof wijst nu pas arrest. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf met 6 maanden verminderen.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Het hof overweegt omtrent de gevorderde vrijheidsbeperkende maatregelen (artikel 38v Sr) als volgt.

Het hof acht oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen om de verdachte ervan te weerhouden contact te zoeken met [benadeelde partij 1] en haar moeder. Dit contactverbod strekt tot bescherming van [benadeelde partij 1] en haar moeder en is ingegeven doordat de verdachte [benadeelde partij 1] heeft misbruikt en daaruit een kindje is geboren dat gelet op de jonge leeftijd van [benadeelde partij 1] grotendeels wordt verzorgd en opgevoed door de moeder van [benadeelde partij 1] . Het hof legt het contactverbod op voor de duur van vijf jaren. Anders dan de advocaat-generaal is het hof de noodzaak tot het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een locatieverbod rond de woning van [benadeelde partij 1] onvoldoende gebleken. Het hof zal deze maatregel dan ook niet opleggen. Het hof acht ook geen termen aanwezig te bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 17.000,00. De vordering is bij het vonnis niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat heeft namens de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat het gedeelte van de vordering dat ziet op toekomstige medische kosten ter hoogte van

€ 2.000,00 niet wordt gehandhaafd in hoger beroep, zodat het hof op dat onderdeel geen beslissing meer zal nemen.

De advocaat van de benadeelde partij heeft in hoger beroep de grondslag voor het gevorderde bedrag aan immateriële schade gewijzigd van shockschade naar aantasting in de persoon zoals bedoel in art. 6:106 aanhef onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daartoe heeft zij onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2023:2016) aangevoerd dat de ernst van de normschending met zich brengt dat de gevolgen van het seksueel misbruik voor de moeder van het slachtoffer zo voor de hand liggen, dat ook voor haar een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde € 15.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof oordeelt als volgt.

Alhoewel het zeer invoelbaar is dat het bewezen verklaarde feit voor de benadeelde partij, zijnde de moeder van het slachtoffer, in emotioneel opzicht zeer belastend is en ook haar leven door het handelen van de verdachte ingrijpend is veranderd, onder andere doordat zij de zorg voor [persoon 1] op zich neemt, brengt een onrechtmatige daad gepleegd tegen een kind, niet zonder meer met zich dat ook onrechtmatig is gehandeld tegen de ouder(s) van dat kind. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de benadeelde partij niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef onder b BW. Dat zou wel het geval zijn wanneer het gaat om zogeheten shockschade, waarbij sprake is van een zelfstandig, tegen de ouder gepleegde onrechtmatige daad, maar daarvan is in deze strafzaak geen sprake. Evenmin is sprake van een situatie waarin de benadeelde partij een vergoeding voor affectieschade kan vorderen. Met andere woorden: dat de impact van het misbruik van haar dochter voor de benadeelde partij zeer groot is ziet het hof, maar een afdoende wettelijke grondslag voor toewijzing van schade is er in dit concrete geval niet. Het hof wijst de vordering dan ook af.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] )

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 165.624,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 85.924,90. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat heeft namens de benadeelde partij te kennen gegeven dat het gedeelte van de vordering dat ziet op toekomstige medische kosten ter hoogte van € 10.000,00 niet wordt gehandhaafd in hoger beroep, zodat het hof op dat onderdeel geen beslissing meer zal nemen.

De advocaat van de benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep ten aanzien van de post eigen aandeel in de kosten van het kind verlaagd van € 78.780,00 naar een bedrag van € 69.104,42. Zij heeft de vordering ter zitting in hoger beroep nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot gehele toewijzing van de gevorderde (en aangepaste) bedragen aan materiële en immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren in verband met het gevoerde vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de post eigen aandeel in de kosten van het kind niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel gebruik te maken van schattingsbevoegdheid en het immateriële deel van de vordering te matigen door middel van schatting op gronden van billijkheid.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Omdat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit tot een straf wordt veroordeeld, kan de benadeelde partij in beginsel worden ontvangen in de vordering tot schadevergoeding.

Het hof wijst de posten “Kosten drie dagen ziekenhuis i.v.m. keizersnee bevalling”, “Reiskosten i.v.m. medische zorg tijdens zwangerschap/bevalling/ [persoon 1] ” en ten aanzien van kosten [persoon 1] de posten “Baby uitzet” en “Extra kosten” toe. Deze posten zijn door de verdediging ook niet betwist. Het hof wijst deze bedragen toe minus het aan het slachtoffer reeds toegekende bedrag van € 300,00 uit het noodfonds van het Amsterdam UMC voor de aanschaf van de benodigde babyspullen op korte termijn.

De post “Eigen aandeel kosten t/m 23 jaar” van € 69.104,42 is wel door de verdediging betwist. Het hof is van oordeel dat ook deze post voldoende is onderbouwd. De advocaat van de benadeelde partij heeft diverse berekeningen overgelegd, waarbij is uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 1.500,00 per maand gebaseerd op de “Behoeftetabel 2022” van het NIBUD. Verder is gekozen voor een gemiddelde indexering berekend vanaf het jaar 2022 tot en met 2026 van 4,5% en de berekeningen zijn gemaakt voor de leeftijd van 0 tot en met 21 jaar. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het feit dat is gerekend met zeer redelijke bedragen conform de NIBUD-normen en -tabellen, wijst het hof ook deze post geheel toe tot het verzochte bedrag van € 69.104,42.

Ten aanzien van de post “Immateriële schade” oordeelt het hof als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Uit de onderbouwing bij deze post blijkt dat bij het slachtoffer de diagnose PTSS is gesteld en dat zij hiervoor inmiddels al een aantal jaren onder behandeling is en dat het einde van de traumatherapie nog niet in zicht is. De behandelend kinder- en jeugdpsycholoog geeft aan dat op dit moment nog geen inschatting kan worden gemaakt van de resterende behandelduur. De benadeelde partij is naast traumatherapie ook gestart met een ambulant hulpprogramma voor meisjes die seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben meegemaakt. Op grond van artikel 6:106 aanhef onder b BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Het hof heeft bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. In hoofdstuk 14.2 “Posttraumatische stressstoornis (PTSS)” kunnen onder de categorie “ernstig” bedragen tot € 61.000,00 worden toegekend. Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde misbruik slechts 13 jaar oud was, waardoor het de aanbeveling heeft het toegewezen bedrag aan immateriële schade met 25% te verhogen. Het hof heeft bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade gelet op de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijk integriteit van de benadeelde partij is gemaakt, haar jonge leeftijd en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad en nog steeds heeft op haar dagelijks leven. Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde € 75.000,00.

De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal het hof toewijzen vanaf de pleegdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil.

Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 63, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissingen op de vorderingen benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 2] 2008, en [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedag 3] 1983.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot schadevergoeding af.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 145.649,32 (honderdvijfenveertigduizend zeshonderdnegenenveertig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit € 70.649,32 (zeventigduizend zeshonderdnegenenveertig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 145.649,32 (honderdvijfenveertigduizend zeshonderdnegenenveertig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit € 70.649,32 (zeventigduizend zeshonderdnegenenveertig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 juli 2021.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. A.W.T. Klappe en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juli 2026.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.C. Wegerif

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0387
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand