GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/101
7 mei 2026
uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , gevestigd te [C] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 24 december 2024 in de zaak met kenmerk AMS 24/3036 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 maart 2022 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] 5 (een niet-woning) te [C] , voor het kalenderjaar 2022 naar waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 4.970.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het tegen de beschikking gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 8 januari 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft diverse aanvullende stukken ingediend waaronder een e-mail van 9 maart 2026, ontvangen per post op 11 maart 2026, (ter onderbouwing van het zijn van ‘een bijzonder geval’ in de zin van artikel 30a Wet WOZ) en een e-mail van 12 maart 2026, ontvangen per post op 16 maart 2026, met onder meer acht met behulp van AI gegenereerde grieven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Het Hof heeft het onderzoek geschorst om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen binnen twee weken het door hem ter zitting aangeboden bewijs te leveren en om belanghebbende in de gelegenheid te stellen hierop te reageren.
Op 22 april 2026 heeft de heffingsambtenaar een betalingsbewijs overgelegd, waarop belanghebbende op 23 april 2026 heeft gereageerd.
Bij brief van 28 april 2026 heeft het Hof aan partijen bericht dat het zich voldoende voorgelicht acht. Ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het Hof, met instemming van partijen, een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende is gebruiker van de niet-woning.
De gemachtigde van belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1. vermelde beschikking. Het bezwaar is gedagtekend 6 mei 2022.
Op 10 mei 2022 heeft belanghebbende de aanslag betaald.
De bezwaartermijn is geëindigd op donderdag 12 mei 2022. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar op 24 april 2023 ontvangen.
3. Geschil in hoger beroep
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als “ [X] ”):
“Betaling van griffierecht
1. [X] heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan voor de betaling van het griffierecht. Dat beroep wordt afgewezen omdat het niet is onderbouwd, ook niet nadat [X] daartoe de gelegenheid is gegeven.
Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift
2. In geschil is of de heffingsambtenaar het bezwaar van [X] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
3. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop de gecombineerde beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit geval 31 maart 2022.
4. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending van de beschikking later dan 31 maart 2022 heeft plaatsgevonden.
5. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 12 mei 2022. Het bezwaarschrift is gedateerd op 6 mei 2022 en door de heffingsambtenaar op 24 april 2023 ontvangen. [X] heeft gesteld dat de heffingsambtenaar niet kan bewijzen dat haar bezwaarschrift pas op 24 april 2023 [Hof: is ontvangen]. Deze eerst ter zitting aangevoerde grond wordt verworpen omdat deze uitgaat van een onjuiste veronderstelling. Het is niet aan de ontvanger om de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift te bewijzen, het is aan de verzender van het bezwaarschrift om aan te tonen dat de verzending ervan binnen de bezwaartermijn heeft plaatsgevonden. Dat heeft [X] niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat [X] na afloop van de wettelijke termijn bezwaar heeft gemaakt.
6. Op grond van artikel 6:11 van de Awb moet niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake wanneer de belastingplichtige binnen de bezwaartermijn geen bezwaar kon maken door omstandigheden die hem niet toe te rekenen zijn (overmacht) of door omstandigheden die de heffingsambtenaar zijn toe te rekenen.
7. De rechtbank heeft op de zitting alsnog aan de gemachtigde van [X] gevraagd naar de reden dat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend. De gemachtigde van [X] voert aan dat hij de bezwaarschriften op de post heeft gedaan dezelfde dag dat hij de beschikking van zijn cliënt heeft gekregen.
8. De rechtbank is van oordeel dat de door [X] gegeven reden geen geldige verontschuldiging voor de termijnoverschrijding is.
9. De conclusie is dat het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren ongegrond is. Aan een beoordeling van alle inhoudelijke beroepsgronden die [X] heeft aangevoerd, komt de rechtbank zodoende niet toe.
Immateriële schadevergoeding
10. [X] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
11. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 26 juni 2023 [Hof: 24 april 2023]. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar niet overschreden. Daarom heeft [X] geen recht op een vergoeding.
Proceskosten en griffierecht
12. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Bij die uitkomst van de zaak is er geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten of van het griffierecht.”
5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (r.o. 2 tot en met 12) tot de zijne. Aan de eventuele onzorgvuldigheid van de heffingsambtenaar van het niet navraag doen naar een mogelijke verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verbindt het Hof geen gevolgen mede in het licht van de omstandigheid dat de aanslag binnen de bezwaartermijn is betaald (zie 2.3) en omdat het bezwaarschrift is gedagtekend op een binnen de bezwaartermijn gelegen datum, zodat het niet anders kan dan dat belanghebbende de beschikking had ontvangen en daarvan binnen vorenbedoelde termijn kennis had genomen (vgl. Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595).
Aan het verzoek van belanghebbende om het betalingsbewijs (zie 1.6.) tardief te verklaren, omdat het stuk niet na twee weken maar pas na vier weken door de heffingsambtenaar is overgelegd, komt het Hof niet tegemoet. Het Hof acht het betalingsbewijs, ongeacht of het betrekking heeft op een automatische danwel handmatige betaling, van belang voor de beslechting van het geschil en laat het dan toe als bewijsstuk.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
6. 6. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. M.J. Leijdekker, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 7 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: