Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep
Op 30 april 2025 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis van de rechtbank. Blijkens een e-mail van de raadsvrouw van de verdachte van 19 december 2025 wenst de verdachte het hoger beroep niet te handhaven. Intrekking van het hoger beroep was toen echter niet meer mogelijk, nu het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep reeds op 26 augustus 2025 was begonnen. De raadsvrouw heeft het hof verzocht gebruik te maken van de in art. 416, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering geboden mogelijkheid om het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan grieven.
Gelet op het voorgaande moet de verdachte geacht worden de eerder tegen het vonnis opgegeven bezwaren in te trekken. Daarom zal het appel van de verdachte, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van de zaak, gelet op het bepaalde in voornoemd artikellid, niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
Het hof verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. R. van der Heijden en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 januari 2026. mr. D.A.C. Koster en mr. P.K. van Riemsdijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.