Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof reageert op een in hoger beroep gevoerd verweer.
Bespreking van in hoger beroep gevoerd verweer
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen die de aangeefster heeft afgelegd, om diverse redenen onvoldoende consistent en betrouwbaar zijn en onvoldoende steun vinden in ander bewijs. Daarom kunnen deze verklaringen naar het oordeel van de raadsman niet voor het bewijs worden gebruikt.
Met inachtneming van de verklaringen die de aangeefster in hoger beroep ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, komt het hof ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van het hof in lijn met de eerder door de aangeefster – kort na het ten laste gelegde – bij de politie afgelegde verklaringen. Voor zover de verklaringen die bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd, afwijken van de eerdere verklaringen, is dat op ondergeschikte punten. De redenen die de verdediging heeft aangevoerd om de betrouwbaarheid te betwisten doen hier niet aan af. De verklaringen van de aangeefster kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt. Die verklaringen worden bovendien voldoende ondersteund door ander bewijs.
Oplegging van straf en maatregelen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft daarnaast een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) opgelegd, te weten een locatieverbod voor de duur van 3 jaren (met elektronische monitoring) en een contactverbod voor de duur van 5 jaren. Deze maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de 38v-maatregel op te leggen, inhoudende een locatieverbod voor de duur van een jaar en een contactverbod voor de duur van 3 jaren, rekening houdende met de periode gedurende welke de maatregel wegens de dadelijke uitvoerbaarheid reeds heeft gelopen. De advocaat-generaal heeft gevorderd deze maatregel wederom dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De raadsman heeft, mocht het hof tot een strafoplegging komen, aangevoerd dat de straf die de rechtbank heeft opgelegd, te zwaar is. Daarnaast heeft hij verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting, mishandeling en belaging van de aangeefster, met wie hij destijds een partnerrelatie had. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit, alsook op haar persoonlijke levenssfeer. Het hof rekent met name de verkrachting, waarbij de verdachte geweld en vernedering heeft toegepast, de verdachte zwaar aan. Slachtoffers van verkrachting ervaren vaak nog langere tijd psychische klachten. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen rekening te houden met de impact van zijn handelen op de aangeefster. Hij heeft zijn eigen lustgevoelens en zijn kennelijke behoefte om macht over de aangeefster uit te oefenen vooropgesteld. Na de verkrachting en mishandeling heeft de verdachte nog dagenlang veelvuldig contact gezocht met de aangeefster, terwijl hij wist dat zij dit niet wilde. Ook heeft hij bekenden van haar benaderd en onder meer seksueel getint beeldmateriaal van de aangeefster verstuurd. Daarmee heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op haar privacy. Uit de slachtofferverklaring, die namens de aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen, blijkt ook dat de feiten een grote impact hebben gehad op haar leven, dat zij last heeft van gevoelens van angst en onveiligheid en dat zij het moeilijk vindt om mensen te vertrouwen. De verdachte heeft dit alles ter terechtzitting in hoger beroep terzijde geschoven en vooral het slachtoffer beschuldigd. Daarmee heeft de verdachte wederom te kennen gegeven geen enkel inzicht in zijn eigen handelen te hebben en geen enkele verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 december 2025 is de verdachte eerder wegens huiselijk geweld onherroepelijk veroordeeld. Het hof houdt daar in die zin rekening mee dat het hof het meeweegt bij het bepalen van maatregelen om de verdachte er zoveel mogelijk van te weerhouden om in de nabije toekomst nieuwe geweldsfeiten tegen vrouwen te plegen.
Het hof heeft verder acht geslagen op de rapportages in het dossier met betrekking tot de persoon van de verdachte. Uit het pro Justitia-rapport van 3 oktober 2023 volgt dat de verdachte niet tot nauwelijks verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. In het rapport wordt geconcludeerd dat onvoldoende kan worden vastgesteld of de verdachte een beneden gemiddelde intelligentie heeft en of sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.
Uit het reclasseringsadvies van 30 november 2023 blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Bij een bewezenverklaring wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelplicht, een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod (met elektronische monitoring). Daarnaast adviseert de reclassering deze voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het hof heeft ook acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 27 mei 2024 en 9 juli 2025, die in hoger beroep zijn opgemaakt in het kader van de voortduring van de voorlopige hechtenis. Daaruit blijkt kort gezegd dat er weinig aanknopingspunten zijn voor behandeling gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag, omdat de verdachte het tenlastegelegde ontkend. Wel is een behandeling gericht op zeden geïndiceerd, gezien de aard van het delict, indien bewezenverklaard. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal op 13 januari 2026 aan het hof informatie gestuurd van de reclasseringswerker over het verloop van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Uit deze informatie blijkt dat de verdachte goed in contact staat met de reclassering en afsprakentrouw is. Voor zover bekend houdt hij zich aan het contact- en locatieverbod met betrekking tot de aangeefster. Hij werkt naar een schuldenregeling toe. Het is nog steeds lastig om behandeldoelen te formuleren, omdat de verdachte zegt onschuldig te zijn. Hij wil niet praten over het delict. Er heeft een intakegesprek plaatsgevonden bij [organisatie] , maar daar kon geen delictscenario worden opgemaakt, omdat de verdachte ontkennend is en de zaak nog inhoudelijk moet worden behandeld. De verdachte heeft aangegeven dat hij nog steeds niet over het delict wil praten, als hij opnieuw wordt veroordeeld. De reclassering vraagt zich daarom af wat voor meerwaarde een behandeling, en een reclasseringstoezicht in brede zin, zullen hebben.
Straf
Gelet op het voorgaande en in het bijzonder de ernst van de feiten, is het hof van oordeel dat enkel een vrijheidsbenemende straf passend is.
Uit de door het Landelijk Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten volgt dat het uitgangspunt voor een verkrachting met geweld een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden is. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden, omdat sprake is geweest van een vernederende setting, waarbij de verdachte over de aangeefster heen heeft geürineerd en haar zijn anus heeft laten likken. Ook heeft de verdachte na de verkrachting de aangeefster belaagd, door onder meer seksueel getint beeldmateriaal van aangeefster te verspreiden. Hiermee heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op het recht op privacy van aangeefster en haar vertrouwen geschaad. Het hof houdt verder rekening met de eendaadse samenloop van de verkrachting en de mishandeling.
In beginsel acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het hof acht het opleggen van bijzondere voorwaarden niet opportuun, omdat tijdens het schorsingstoezicht is gebleken dat de verdachte niet openstaat voor behandeling en de reclassering zich afvraagt of een behandeling, maar ook reclasseringstoezicht in het algemeen, om die reden meerwaarde zullen hebben. Ter terechtzitting heeft de verdachte zelf ook verklaard niet voor behandeling open te staan.
Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte heeft immers op 22 januari 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof nu arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep van 16 maanden overschreden met ongeveer 8 maanden.
Het hof acht daarom, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
38v-maatregel
Het hof acht het ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk dat het geadviseerde locatie- en contactverbod wordt opgelegd en zal deze opleggen in de vorm van de 38v-maatregel. Het locatieverbod, zonder elektronische monitoring, zal het hof opleggen voor de duur van 3 jaren en het contactverbod voor de duur van 5 jaren, waarbij het hof zal bevelen dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde 38v-maatregel daarop in mindering zal worden gebracht.
Het hof zal anders dan de rechtbank de op te leggen maatregelen niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat naar het oordeel van het hof thans niet aan het wettelijk criterium daarvoor is voldaan, mede gelet op de wijze waarop de schorsingsperiode is verlopen. Het hof zal het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarom opheffen.
Voorlopige hechtenis
Het hof zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. Hoewel het hof van oordeel is dat de ernstige bezwaren die tot het oorspronkelijke bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid met dit veroordelend arrest nog onverkort bestaan, geldt het uitgangspunt dat een verdachte een eventueel cassatieberoep in vrijheid mag afwachten. Het hof ziet ook geen reden voor voortduring van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit maar zich bij een bewezenverklaring ten aanzien van de vordering verder gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is naar het oordeel van het hof sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hoewel het hof niet naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan vaststellen, brengen naar het oordeel van het hof de aard en de ernst van de bewezenverklaarde verkrachting mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft de benadeelde op gewelddadige wijze verkracht, waarbij ook sprake is geweest van een vernederende setting. De verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de benadeelde. Namens de benadeelde partij is ook naar voren gebracht dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte bij haar heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de normschending, de hiervoor beschreven nadelige gevolgen die het bewezenverklaarde feit heeft gehad voor de benadeelde partij en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In deel C, Smartengeld anders dan vanwege (aangetoond) letsel, hoofdstuk 15 ‘Seksuele misdrijven’, wordt voor een verkrachting in de categorie ‘(c) tamelijk ernstig’ een bedrag tussen de
€ 2.500,00 tot € 7.500,00 genoemd. In deze categorie gaat het doorgaans om een eenmalige verkrachting. Situaties waarin de benadeelde en de dader een relatie hebben, vallen vaak in deze categorie. Dit was ook het geval in de onderhavige zaak.
Alles afwegend, stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op € 7.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen en voor het overige zal worden afgewezen. Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 242, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1. STK Telefoontoestel (omschrijving: G6357123, zwart, merk: Iphone).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 3 juni 2023.
Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. C.J. van der Wilt en mr. F.C.W. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 januari 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
[…]