GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.364.477/01
zaaknummer rechtbank: C/15/366318 / FA RK 25-2952
beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.H.M. de Boer te Hoorn,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar ,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over het gezag van de moeder over [minderjarige] (13 jaar) en over de omgang tussen hen. De rechtbank heeft het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de vader met het eenhoofdig gezag belast. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen afgewezen. De moeder is het daarmee niet eens. Zij wil haar gezag over [minderjarige] behouden en vindt dat alsnog een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] moet worden vastgesteld. De vader is het eens met de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 2 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
De vader heeft op 24 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 29 juni 2026 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 9 juli 2026 met bijlagen;
- een bericht van de advocaat van de vader van 14 juli 2026.
De voorzitter heeft op 14 juli 2026, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige] gesproken. Ter zitting van 15 juli 2026 heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven. De ouders hebben de gelegenheid gekregen om daarop te reageren.
De zitting heeft op 15 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.
Zoals zij al in haar bericht van 14 juli 2026 had meegedeeld, heeft de advocaat van de vader de zitting voortijdig verlaten wegens een verplichting elders.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2013 te [plaats B] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. Als gevolg van de bestreden beschikking heeft de vader alleen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vader.
Bij beschikking van 24 april 2023 heeft de kinderrechter van de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers. Deze maatregel is nadien verlengd en is per 24 april 2025 geëindigd.
Na het uiteengaan van de ouders zijn zij een zorgregeling overeengekomen. Die regeling gaat uit van co-ouderschap, waarbij [minderjarige] afwisselend drie dagen bij de vader en drie dagen bij de moeder verblijft. Vervolgens is de zorgregeling onder regie van de GI gewijzigd in een regeling waarbij de moeder en [minderjarige] eens per week gedurende twee uur begeleide omgang hebben.
Bij beschikking van 17 mei 2024 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald en, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader tot het vaststellen van een begeleide zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder of een zorgregeling die de jeugdbeschermer passend acht afgewezen.
Bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 6 november 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de vader de moeder op de laatste dag van iedere twee maanden (28 februari, 30 april, 30 juni, 31 augustus, 31 oktober en 31 december) schriftelijk informeert over de ontwikkelingen, gezondheid en schoolresultaten van [minderjarige] , door middel van een verslag voorzien van kopieën van schoolrapporten en het verstrekken van recente kleurenfoto's.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang:
- op het verzoek van de vader, uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de vader alleen het gezag over [minderjarige] heeft;
- het verzoek van de moeder om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen afgewezen.
In haar beroepschrift verzoekt de moeder, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, naar het hof begrijpt, het inleidend verzoek van de vader met betrekking tot het gezag over [minderjarige] alsnog af te wijzen en een zorg-/omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen, waarbij de omgang zal plaatsvinden in aanwezigheid van een professionele omgangsbegeleider of een neutrale derde, dan wel een zorg-/omgangsregeling te bepalen die het hof in goede justitie juist acht.
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
De standpunten
De moeder is van mening dat de rechtbank ten onrechte haar gezag heeft beëindigd. Er was en is nog altijd geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Daarbij zijn er geen gronden voor een gezagsbeëindiging. De moeizame communicatie tussen de ouders is, blijkens de rechtspraak, onvoldoende grond voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. Overigens is de verstoorde verstandhouding tussen de ouders aan de vader te wijten. Hij verschaft de moeder ook geen informatie over [minderjarige] , waartoe hij wel verplicht is. De moeder wordt door vaders handelen en het eenhoofdig gezag buitenspel gezet. Daardoor gaat het niet goed met [minderjarige] ; zij heeft veel ongeoorloofd schoolverzuim en is blijven zitten. De moeder betwist dat zij het nemen van belangrijke beslissingen over [minderjarige] heeft belemmerd. Ook is de zorg van de GI over moeders psychiatrische problematiek onterecht. Die problematiek is niet aan de orde. Sinds 2021 is de moeder stabiel, zoals ook is gerapporteerd door de GGZ.
Ten aanzien van de omgang heeft de moeder ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij bij nader inzien niet achter begeleide omgang staat, maar wil dat het contact tussen haar en [minderjarige] onbegeleid plaatsvindt. Zij neemt in die zin afstand van haar verzoek in haar beroepschrift om begeleide omgang, overigens zonder dat formeel in te trekken. Eerder is begeleiding betrokken geweest bij de omgang, maar dat verliep niet goed. De begeleiding handelde destijds niet goed, waardoor de moeder nu geen vertrouwen meer heeft in hulpverleners. Bemoeienis van hulpverlening belemmert dat de band tussen de moeder en [minderjarige] verbetert. Aanwezigheid van de vader bij de omgang heeft de moeder ook lange tijd een kans gegeven, maar ook dat liep niet goed. De moeder wil een betrokken ouder zijn en een rol in [minderjarige] leven hebben, zowel door middel van het gezag als via omgang.
Volgens de vader heeft de rechtbank op juiste gronden moeders gezag beëindigd. De omstandigheden zijn wel degelijk gewijzigd. De afgelopen tijd is het contact tussen de moeder en [minderjarige] nihil geworden en heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat zij geen omgang wil. Daarnaast is gezamenlijk gezag niet in [minderjarige] belang. Tussen de ouders waren veel problemen rondom gezagsbeslissingen. De moeder gaf pas laat toestemming voor bepaalde zaken, te weten de paardencoach en school. Daarnaast heeft zij een afwijkende visie rondom [minderjarige] opvoeding en wil zij niet afwijken van haar mening. Dat heeft een negatief effect op [minderjarige] . Moeders handelen leidt tot strijd tussen de ouders, waardoor [minderjarige] klem of verloren raakt. Het is voor [minderjarige] van belang dat zij rust krijgt. Verder is [minderjarige] schoolverzuim geen gevolg van vaders eenhoofdig gezag. [minderjarige] heeft de afgelopen tijd veel meegemaakt; zij werd gepest op school en ook is de pubertijd geen makkelijke fase. Dat heeft effect gehad op haar gedrag op school. De vader zal zich inzetten om hulp te zoeken voor de bestaande zorgen. Wat betreft de informatieregeling voert de vader aan dat hij de moeder geen informatie meer stuurt omdat zij daar vervelend op reageert.
Verder stelt de vader dat omgang tussen de moeder en [minderjarige] enkel kan plaatsvinden in zijn aanwezigheid of onder begeleiding van een derde. De vader vindt het belangrijk dat er contact is tussen de moeder en [minderjarige] en is bereid om overal aan mee te werken. Op dit moment kan de omgang echter niet onbegeleid plaatsvinden. Dat is niet in [minderjarige] belang. De moeder maakt nare verwijten en uit beschuldigingen richting [minderjarige] en zij heeft daar last van. De vader begrijpt dat de moeder door het verleden geen vertrouwen meer heeft in de instanties, maar de omgang kan ook plaatsvinden met iemand erbij uit moeders netwerk die zij wel vertrouwt. Zolang de moeder niet openstaat voor begeleiding kan er geen omgang plaatsvinden.
Het advies van de raad
De raad adviseert het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van het gezag. Gezamenlijk gezag is niet in [minderjarige] belang. De beslissingen over de paardencoach en school hebben door de handelwijze van de moeder vertraging opgelopen. Daarnaast heeft [minderjarige] er last van dat de moeder een andere visie heeft dan zij. Bij gezamenlijk gezag staat [minderjarige] tussen de ouders in. Op haar leeftijd krijgt zij dat duidelijk mee. De huidige situatie, waarin de vader eenhoofdig gezag heeft, biedt [minderjarige] meer rust. Tijdens de ondertoezichtstelling is de vader gegroeid en hij kan nu goede beslissingen over [minderjarige] nemen. Wat betreft [minderjarige] school heeft de raad wel enige zorgen. [minderjarige] werd gepest op school en is daardoor minder naar school gegaan. De hulp van de paardencoach is nu gestopt, maar het is wel belangrijk dat [minderjarige] hulp krijgt zodat zij kan omgaan met de problemen op school en de complexe relatie van de ouders een plek kan geven. Het is de taak van de vader om daarvoor op korte termijn hulpverlening aan te vragen.
Ook wat betreft de omgang adviseert de raad om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad acht omgang met de moeder in [minderjarige] belang, maar enkel zolang die begeleid plaatsvindt. [minderjarige] wil wel omgang met de moeder, maar op voorwaarde dat de vader erbij is. De raad pleit voor begeleiding door een neutrale derde. De moeder staat echter voor geen enkele vorm van begeleiding open, ook niet van de vader. Hiermee stelt de moeder [minderjarige] belang niet voorop. De moeder en [minderjarige] raken zo steeds verder verwijderd van elkaar.
Het gezag
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechter bepaalt dan aan wie van de ouders voortaan het gezag toekomt.
De beoordeling door het hof
Uit de stukken in het dossier en uit wat op de zitting is besproken blijkt het volgende. Na het uiteengaan van de ouders zijn zij een co-ouderschap overeengekomen. Sinds de beëindiging van de relatie van de ouders zijn er problemen in hun communicatie. In april 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld, omdat er zorgen waren over haar opvoedsituatie. [minderjarige] woont sinds december 2023 bij de vader en in mei 2024 heeft de rechtbank haar hoofdverblijfplaats bij hem vastgesteld. Vervolgens is de omgang onder regie van de GI gewijzigd; gedurende de periode van april 2024 tot en met juni 2024 heeft [minderjarige] eens per week twee uur omgang met de moeder gehad, onder begeleiding van Drijfveer. De hulpverlening rapporteerde dat de moeder niet voldoende kon aansluiten bij de emoties van [minderjarige] . In juli 2024 is de omgangsregeling stopgezet, nadat de moeder geen begeleiding meer wilde en de psycho-educatie vanuit Drijfveer niet van de grond was gekomen. Sindsdien is er af en toe omgang geweest, waarbij de vader met [minderjarige] naar de moeder ging. De moeder en [minderjarige] hebben elkaar voor het laatst in december 2025 gezien. Voor de vader werd tijdens de ondertoezichtstelling hulp ingezet van Jij & Co. Gedurende de maatregel heeft de GI voor [minderjarige] hulp van een paardencoach ingezet, ten behoeve van haar sociaal-emotionele ontwikkeling. De ondertoezichtstelling is per 24 april 2025 geëindigd, omdat de vader in staat werd geacht voldoende tegemoet te komen aan wat [minderjarige] nodig heeft. De hulp van de paardencoach liep ook door na de ondertoezichtstelling, maar is onlangs gestopt. De moeder krijgt hulp vanuit de GGZ.
Het hof is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:253n BW. Gebleken is dat, waar de moeder en [minderjarige] eerst wel contact hadden, zij dat sinds eind 2025 niet meer hebben. Daarnaast zijn er de afgelopen tijd problemen ontstaan rondom het gezag, mede door de verstoorde verstandhouding tussen de ouders.
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarig kind uitoefenen. Zoals de moeder op zichzelf terecht aanvoert, is het een vaste lijn in de rechtspraak dat het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer meebrengt dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
Het hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het gezag en wat daartoe in de bestreden beschikking is overwogen. Er is geen basis voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag door de ouders; zij kunnen onvoldoende constructief communiceren en samenwerken met elkaar. De ondertoezichtstelling heeft niet geleid tot duurzaam herstel van hun communicatie. Daarnaast verschillen de ouders fundamenteel van mening over de (wijze van) opvoeding van [minderjarige] . Het hof ziet op dit moment geen perspectief op verbetering van de verhouding tussen de ouders. Verder is gebleken dat [minderjarige] veel last had van de situatie waarin beide ouders het gezag hadden. Zij heeft de afgelopen jaren veel meegemaakt en het is voor haar belangrijk dat zij rust kan ervaren om het verleden te verwerken. Gezamenlijk gezag zou dat kunnen belemmeren.
Het hof overweegt verder als volgt. De vader draagt al enige tijd zelfstandig de zorg voor [minderjarige] . De moeder heeft [minderjarige] sinds december 2025 niet meer gezien. Ook nu zal het hof geen omgang vaststellen, zoals bij 5.13 en 5.14 nader wordt toegelicht. De moeder heeft daardoor beperkt zicht op [minderjarige] leven, waardoor het voor haar moeilijk is om aan te sluiten bij haar ontwikkeling en gezagsbeslissingen in haar belang te nemen. Daar komt bij dat het hof ziet dat de moeder onvoldoende in staat is om in [minderjarige] belang te handelen. Zo heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij enkel omgang zonder begeleiding wil, omdat zij geen goede ervaringen heeft met de eerdere omgangsbegeleiding, ook als dat betekent dat zij [minderjarige] niet zal zien. Hiermee stelt de moeder haar opvatting boven het belang van [minderjarige] , omdat begeleiding wel noodzakelijk is en als gevolg van deze opvatting geen omgang tot stand zal komen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat bij handhaving van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Het hof verwacht niet dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Beëindiging van het gezamenlijk gezag en belasting van de vader met het eenhoofdig gezag acht het hof daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag bekrachtigen.
Ten overvloede overweegt het hof dat gebleken is dat [minderjarige] last heeft van wat zij heeft meegemaakt. Het is daarom van belang dat de vader hulp voor haar aanvraagt, zoals ter zitting door de raad aan de orde is gesteld. Het hof gaat ervan uit dat de vader dit op korte termijn zal doen, nu hij dat heeft toegezegd.
De omgang
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:377a, tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De beoordeling door het hof
Het hof stelt voorop dat het in beginsel in het belang van een kind is om contact met beide ouders te hebben en een band met hen beiden te kunnen onderhouden. Het kan echter nodig zijn dat daarbij begeleiding aanwezig is, zoals naar het oordeel van het hof hier het geval is. Tijdens de ondertoezichtstelling werd begeleiding van de omgang noodzakelijk geacht, omdat er zorgen waren over moeders psychische problematiek en het belastende effect daarvan op [minderjarige] . De GI heeft gerapporteerd dat zich verschillende incidenten hebben voorgedaan, waarbij de moeder [minderjarige] tegen de afspraken in op plekken in haar dagelijkse omgeving heeft opgewacht, zoals op school en bij de paardencoach, en derden daarbij heeft lastiggevallen. Daarnaast waren er zorgen over de afwijzende uitspraken die de moeder richting [minderjarige] deed. Gedurende de ondertoezichtstelling is geprobeerd om stabiel en duurzaam contact tussen de moeder en [minderjarige] tot stand brengen, maar dat is niet gelukt. De moeder stond niet langer open voor omgangsbegeleiding en de hulpverlening slaagde niet. Naar het oordeel van het hof is omgangsbegeleiding nog altijd noodzakelijk, omdat niet is gebleken dat deze situatie is verbeterd. De moeder staat nog steeds niet open voor omgangsbegeleiding. Het hof ziet dat het gedrag van de moeder een negatieve impact op [minderjarige] heeft gehad. Daarnaast heeft zij de afgelopen jaren veel meegemaakt binnen het gezin en op school. Het is daardoor in [minderjarige] belang nodig dat zij rust ervaart in de verhouding met de moeder en het is noodzakelijk dat er goed bij haar wordt aangesloten. Daarvoor is een vorm van begeleiding nodig. Dat kan zijn door de vader, door een professionele omgangsbegeleider of door een neutrale derde.
Nu de moeder niet openstaat voor enige vorm van omgangsbegeleiding, kan geen omgangsregeling worden vastgesteld. Hoewel het hof het van belang acht dat de moeder een rol speelt in [minderjarige] leven, komt onbegeleide omgang onder de huidige omstandigheden in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Het hof benadrukt dat de moeder zelf de sleutel in handen heeft om haar band met [minderjarige] te herstellen, door alsnog omgangsbegeleiding te accepteren. Met de rechtbank overweegt het hof dat, indien de moeder daartoe alsnog bereid is, begeleide omgang tot stand kan worden gebracht. Gelet op al het voorgaande zal het hof het verzoek van de moeder afwijzen en de bestreden beschikking ook ten aanzien van de omgang bekrachtigen.
Het hof merkt nog op dat het eenhoofdig gezag van de vader niet wegneemt dat hij gehouden is de moeder te informeren over gewichtige aangelegenheden betreffende [minderjarige] . Ter zitting is gebleken dat de vader de afgelopen tijd geen uitvoering heeft gegeven aan de informatieregeling, omdat de moeder volgens hem negatief zou reageren als hij informatie verstuurt. Het hof benadrukt dat het belangrijk is dat de vader voldoet aan de informatieregeling. Dat is voor de moeder nu de enige manier om informatie te krijgen over [minderjarige] , die nodig is om in de toekomst bij haar te kunnen aansluiten. Het hof benadrukt voorts dat de moeder zich moet onthouden van negatieve reacties op de verkregen informatie.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.N. van de Beek en mr. A.V.T. de Bie, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.