ECLI:NL:GHAMS:2026:2395

ECLI:NL:GHAMS:2026:2395

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 200.363.091/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

bekrachtiging van de beslissing van de kantonrechter om het verzoek tot opheffing van het bewind af te wijzen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.363.091/01

zaaknummer rechtbank: 11497071 BM VERZ 25-353 SZ

beschikking van de meervoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak van

[rechthebbende] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de rechthebbende,

advocaat: mr. A.L.M. Vreeswijk te Amsterdam,

en

[bewindvoerder 1] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de bewindvoerder/ [bewindvoerder 1] ,

advocaat: mr. D.G. Peters te Amsterdam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- [naam 1] (hierna: [naam 1] );

- [bewindvoerder 2] (hierna: mede-bewindvoerder [bewindvoerder 2] ).

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of het bewind van de rechthebbende moet eindigen. De kantonrechter heeft het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen. De rechthebbende is het daar niet mee eens.

2. De procedure in hoger beroep

De rechthebbende is op 24 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (hierna: de kantonrechter).

De bewindvoerder heeft op 18 februari 2026 een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft op 9 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de rechthebbende;

- de bewindvoerder, bijgestaan door haar advocaat en mr. I.M. Hijmans van den Bergh;

- mede-bewindvoerder [bewindvoerder 2] .

De advocaat van de rechthebbende is, op het uitdrukkelijke verzoek van de rechthebbende zelf, niet verschenen. [naam 1] is niet in persoon verschenen.

Mr. I.M. Hijmans van den Bergh heeft pleitaantekeningen overgelegd.

3. De feiten

De rechthebbende is geboren [in] 1943 te [plaats A] . De rechthebbende is de vader van [naam 1] , [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] .

De kantonrechter heeft bij beschikking van 25 juli 2016 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] tot bewindvoerders.

4. De omvang van het hoger beroep

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.

De rechthebbende verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het bewind op te heffen. Subsidiair verzoekt de rechthebbende te beslissen dat de maandelijkse AOW-uitkeringen en de pensioenen niet meer onder het bewind vallen.

De bewindvoerder verzoekt het hoger beroep af te wijzen en het bewind ongewijzigd in stand te laten. Voor zover dit niet mogelijk is voor onbepaalde tijd, dan voor een periode van tien jaar of zo lang als maar mogelijk is. In het geval dit niet mogelijk is, verzoekt de bewindvoerder de grondslag van het bewind te wijzigen naar de grondslag van de geestelijke toestand als gevolg waarvan de rechthebbende niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.

5. De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:449, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.

Standpunten

De rechthebbende stelt zich op het standpunt dat al vanaf 2017 geen sprake meer is van problematische schulden. De rechthebbende regelde in het verleden alles zelf, controleerde de huren van de panden die hij verhuurde, organiseerde het onderhoud of deed dat zelf. De door de bewindvoerder genoemde vriend, [naam 2] , is vanaf 2006 onafgebroken in beeld. De bewindvoerders maken zich helemaal geen zorgen. De rechthebbende zorgt vanaf hun geboorte meer dan goed voor ze. Daar komt bij dat het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel is geschonden. Het bewind is een brug te ver. De rechter dient te voorkomen dat op te eenvoudige en oneigenlijke gronden een bewind wordt opgelegd of gecontinueerd. De rechthebbende is van mening dat het er alle schijn van heeft dat, met het in stand gelaten bewind, hij wordt beschouwd als een wandelende spaarpot. De rechthebbende heeft een netto jaarinkomen van ruim € 114.000,- en krijgt € 750,- per maand als leefgeld overgemaakt. Hij is in staat in korte tijd spaargeld op te bouwen en geld uit te lenen. Daaruit blijkt duidelijk dat hij geen verkwister is. Het bewind is dus niet nodig en op onjuiste gronden opgelegd. Er is sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en dit bevordert de zelfredzaamheid van de rechthebbende niet. Daarnaast is geen rekening gehouden met artikel 1:431 lid 1 sub b BW waarin staat dat bewind bij verkwisting alleen voor een bepaalde tijdsduur ingesteld kan worden. De kantonrechter had hier rekening mee moeten houden in de bestreden beschikking.

Ter zitting in hoger beroep heeft de rechthebbende aanvullend verklaard dat hij zijn woning in [plaats C] heeft verkocht om de destijds door de aankoop van het appartement in Syrië ontstane schulden te kunnen betalen. Het is juist dat ongeveer € 1.600.000,- betaald moest worden en dat is ook gebeurd. Met de verkoop van de woning in [plaats C] waren alle schulden betaald. Er zijn nooit documenten overgelegd door [naam 2] ten aanzien van de schuld en de boetes in Syrië. De schuld werd contant afgelost via een geldwisselaar. Op dit moment heeft hij nog een klein bedrag beloofd te betalen aan [naam 2] , aldus de rechthebbende.

[bewindvoerder 1] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het verzoek tot opheffing van het bewind terecht heeft afgewezen. Voordat de rechthebbende in 2016 onder bewind werd gesteld heeft hij zijn vermogen en alles wat hij maar kon lenen aan zijn zogenaamde vriend [naam 2] afgedragen. Dat heeft hij gedaan omdat hij geloofde dat hij een schuld had aan [naam 2] . [naam 2] heeft de rechthebbende in zijn macht. De rechthebbende gelooft nog steeds in het bestaan van de door [naam 2] gestelde, door de jaren nieuwe en veranderende, schulden. Hij houdt zijn aflossingen ook bij. Het is maar de vraag of in het overzicht alle bedragen zijn bijgehouden. Voordat het bewind werd ingesteld hebben de kinderen vaak gedacht dat het bijna klaar was met de aflossingen aan [naam 2] . Dat bleek naïef. Er dook en duikt steeds weer een nieuwe schuld op, zolang en in zoverre als de rechthebbende aan geld kan komen. De rechthebbende moet dus beschermd worden tegen dit misbruik door [naam 2] . Een tijdelijk bewind is niet geschikt. Deze kwestie speelt al sinds 2009 en er is in ieder geval € 1.600.000,- verdwenen. Het ging een tijd goed, maar de rechthebbende begon na tien jaar toch weer zijn vrijheid, die hij binnen het bewind had, te gebruiken om duizenden euro’s aan [naam 2] af te dragen ter aflossing van een gefantaseerde schuld. Daar is toen een einde aan gemaakt. De rechthebbende heeft nu enkel nog toegang tot een leefgeldrekening waarop € 750,- per maand wordt gestort. Als er bijzondere uitgaven moeten worden gedaan, zoals onderhoud aan de woningen die in eigendom zijn bij de rechthebbende, zorgen de bewindvoerders dat die uitgaven kunnen worden gedaan.

Ter zitting heeft [bewindvoerder 1] aanvullend verklaard dat sprake is van een uitzonderlijke emotionele afhankelijkheid van de rechthebbende ten opzichte van [naam 2] waardoor de rechthebbende niet in staat is rationele financiële keuzes te maken ten aanzien van [naam 2] . Het bewind beknot de rechthebbende overigens nauwelijks in zijn dagelijks leven. Het enige wat het bewind verhindert, is het ongecontroleerd opnemen van grote bedragen voor iemand die de rechthebbende al twintig jaar om de tuin leidt. Het bewind is daarmee proportioneel, het grijpt enkel in waar dat noodzakelijk is en biedt de bescherming waarvoor het is ingesteld. Het subsidiaire verzoek van de rechthebbende moet eveneens worden afgewezen. Zelfs vanuit het leefgeld maakt de rechthebbende nog geld aan [naam 2] over.

Mede-bewindvoerder [bewindvoerder 2] heeft zich ter zitting in hoger beroep aangesloten bij het standpunt van [bewindvoerder 1] .

De beoordeling door het hof

Het hof overweegt als volgt. Het bewind is in 2016 ingesteld omdat de rechthebbende grote geldbedragen overmaakte aan zijn vriend [naam 2] . De rechthebbende heeft hierover verklaard dat hij, vlak voor het uitbreken van de oorlog in Syrië, een appartement wilde kopen in een kustplaats aldaar, in [plaats D] . Een buitenlander kon in Syrië geen onroerend goed kopen, dus was het de bedoeling dat [naam 2] het appartement zou kopen, de rechthebbende van hem zou huren en hij daarna het appartement van [naam 2] zou kopen. Met het uitbreken van de oorlog is dit misgegaan en is, volgens de rechthebbende, [naam 2] in de problemen gekomen. Uiteindelijk is een bedrag van € 1.600.000,- naar Syrië gegaan via geldhandelaren in Nederland omdat [naam 2] bij de rechthebbende aangaf schulden en boetes te moeten betalen aan het Syrische regime. De rechthebbende heeft hier nooit enig bewijs van gezien en ook in deze procedure bij het hof zijn hier geen stukken van overgelegd. De rechthebbende heeft daar zelf ter zitting in hoger beroep over verklaard dat hij van mening was dat hij een morele schuld had aan [naam 2] . Nadat de woning van de rechthebbende in [plaats C] was verkocht, waren alle schulden afgelost. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de rechthebbende nog altijd geld betaalt aan [naam 2] en is sprake van een nieuwe schuld van circa € 40.000,-, zo geeft de rechthebbende aan.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de kantonrechter ten tijde van de bestreden beschikking op goede gronden het verzoek tot opheffing van het bewind heeft afgewezen. Bij de bewindvoerders leeft de vrees dat wanneer het bewind zou worden opgeheven, de rechthebbende weer meer en meer gaat betalen aan [naam 2] omdat hij meent daartoe een (morele) verplichting te hebben. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat deze vrees gegrond is. De rechthebbende heeft meerdere keren verklaard dat de schuld aan [naam 2] echt is afgelost, maar dat hij toch nog een ‘klein bedrag’ aan [naam 2] beloofd heeft en daarom ook van zijn leefgeld al betalingen aan [naam 2] doet. De rechthebbende is kennelijk bereid (grote) bedragen aan [naam 2] te voldoen, zonder dat op wat voor manier dan ook duidelijk is geworden dat er voor deze betalingen een grond is. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat de belangen van de rechthebbende niet met een minder verstrekkende maatregel dan bewind kunnen worden beschermd en het dus nog altijd noodzakelijk is dat het bewind voortduurt.

Met betrekking tot het standpunt van de rechthebbende dat een bewind wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden inmiddels enkel nog voor bepaalde tijd kan worden ingesteld en het bewind over zijn goederen daarom moet eindigen, overweegt het hof als volgt. Sinds de inwerkingtreding van de Wet adviesrecht gemeenten bij schuldenbewind op 1 januari 2021 (Wet van 30 september 2020, Stb. 2020/398) is de instelling van een schuldenbewind alleen voor bepaalde tijd mogelijk. Bij de inwerkingtreding van die wet is niet voorzien in overgangsrecht. Dit maakt dat het bewind over de (toekomstige) goederen van de rechthebbende, dat destijds is ingesteld voor onbepaalde tijd, voortduurt tot het wordt opgeheven door de kantonrechter, zoals is bepaald in artikel 1:449 BW.

Het hof zal het subsidiaire verzoek van de rechthebbende om te bepalen dat zijn AOW-uitkering en pensioenen niet onder het bewind vallen, ook afwijzen. Gebleken is namelijk dat de rechthebbende ook van zijn maandelijkse leefgeld nog bedragen aan [naam 2] geeft. Als de AOW-uitkering en de pensioenen niet onder het bewind zouden vallen, bestaat de vrees dat de rechthebbende alles wat hij kan missen aan [naam 2] zal geven. De rechthebbende is bovendien in staat rond te komen van zijn leefgeld en het hof ziet ook daarom geen aanleiding om het subsidiaire verzoek van de rechthebbende toe te wijzen.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.G. Risseeuw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand