ECLI:NL:GHAMS:2026:2397

ECLI:NL:GHAMS:2026:2397

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 200.362.182/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

geslaagd beroep op art. 1:160 BW, bekrachtiging beschikking rechtbank

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.362.182/01

zaaknummer rechtbank: C/15/362138/ FA RK 25-838

beschikking van de meervoudige kamer van in de zaak van 25 augustus 2026

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. de Haan te Alkmaar ,

en

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R.S. Rabarison te Amsterdam.

1. De zaak in het kort

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw per 1 januari 2025 is geëindigd, na te hebben geconcludeerd dat de vrouw sindsdien samenleeft met een ander als waren zij gehuwd.

De vrouw is het daar niet mee eens en wil dat de man de eerder vastgestelde partneralimentatie blijft voldoen. De man is het op dit punt eens met de beschikking van de rechtbank.

De rechtbank heeft daarnaast de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De man wil dat de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en legt hierna uit waarom.

2. De procedure in hoger beroep

De vrouw is op 2 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank).

De man heeft op 19 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vrouw van 9 juni 2026 met productie 7 tot en met 9.

De zitting heeft op 24 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig partijen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3. De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

Partijen zijn van [datum] 2000 tot 21 november 2011 met elkaar gehuwd geweest. Op [datum] 2013 zijn zij te [plaats A] opnieuw met elkaar gehuwd. De rechtbank heeft op 23 september 2020 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op 10 februari 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

Partijen hebben samen drie meerderjarige kinderen: [kind 1] , geboren op [datum] 2001, [kind 2] , geboren op [datum] 2006 en [kind 3] (hierna: [kind 3] ), geboren op [datum] 2008.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 23 september 2020 van de rechtbank is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man € 1.126,-- per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, met ingang van de dag waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking voor recht verklaard dat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw per 1 januari 2025 is geëindigd.

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de man te veroordelen tot betaling van de door hem verschuldigde (geïndexeerde) partnerbijdrage van € 1.341,86 per maand in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 en € 1.403,59 per maand vanaf 1 januari 2026, kosten rechtens.

De man concludeert tot verwerping van de grieven van de vrouw. Hij verzoekt daarnaast de bestreden beschikking te bekrachtigen, behoudens voor zover daarin zijn verzoek tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten is afgewezen, en opnieuw rechtdoende, in incidenteel hoger beroep, de vrouw te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

5. De motivering van de beslissing

Principaal hoger beroep

Wettelijk kader

Artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat, dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van samenleven met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, dient volgens vaste rechtspraak tussen de alimentatiegerechtigde en de nieuwe partner sprake te zijn van een affectieve relatie van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarbij is het uitgangspunt dat artikel 1:160 BW restrictief moet worden toegepast, vanwege de ingrijpende gevolgen die voor de alimentatiegerechtigde aan de toepassing ervan zijn verbonden.

De standpunten

De vrouw voert aan dat geen sprake is van samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW. Zij woont feitelijk wel samen met haar partner maar dit is uit nood geboren en tijdelijk van aard. De vrouw moest in december 2024 noodgedwongen haar eigen huurwoning in [plaats B ] verlaten omdat de huur verder zou worden verhoogd, waardoor de vrouw financieel gezien niet langer in staat was de huur te kunnen voldoen. Ook was er in haar woning geen ruimte om [kind 3] op te kunnen vangen. [kind 3] is psychisch kwetsbaar en kon volgens de vrouw niet langer bij de man verblijven, omdat hij [kind 3] niet de juiste zorg kan bieden. Tot slot bood de woning te weinig daglicht. De vrouw verblijft sindsdien bij haar partner in [plaats C] , in afwachting van een eigen (sociale) huurwoning in de omgeving van [plaats D] . De samenwoning is volgens de vrouw tijdelijk van aard; de vrouw en haar partner hebben niet de intentie om samen te wonen omdat de vrouw haar eigen ruimte nodig heeft, mede gezien haar geestelijke gesteldheid. Daarnaast is volgens de vrouw geen sprake van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. De vrouw en haar partner doen wel eens samen boodschappen, draaien wel eens samen hun was en delen het huishouden, maar dat is uit nood geboren, daarmee is niet voldaan aan de vereisten van artikel 1:160 BW, aldus de vrouw.

Volgens de man is geen sprake van een noodgedwongen of tijdelijke woonsituatie, maar heeft de vrouw weloverwogen besloten te gaan samenwonen. De vrouw heeft de man vooraf, te weten in september 2024, meegedeeld dat zij zou gaan samenwonen met haar partner. Haar partner had zijn woning verkocht en de levering daarvan zou op 20 december 2024 plaatsvinden. Hij had een huurwoning in [plaats C] aanvaard. Daarbij is tussen partijen besproken dat [kind 3] ook bij de vrouw en haar partner zou gaan wonen. In januari 2025 liet de vrouw ineens aan de man weten dat zij bij haar moeder zou gaan inwonen; naar de man vermoedt omdat de vrouw er toen achter kwam dat de partneralimentatie door de samenwoning definitief eindigde. De vrouw is echter nooit bij haar moeder gaan wonen, maar woont sinds december 2024 bij haar partner. De man wijst er op dat het gezamenlijk draaien van de was, het gezamenlijk gebruik van de woonruimte, het doen van boodschappen en het verzorgen van maaltijden erop duidt dat het dagelijks leven als één huishouden wordt georganiseerd. De vrouw draagt ook niet bij aan de huur omdat haar partner dat niet wil. Er is volgens de man voldaan aan de vereiste wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding volgens artikel 1:160 BW.

De beoordeling door het hof

Affectieve relatie van duurzame aard

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw en haar partner een affectieve relatie hebben en dat deze relatie duurzaam van aard is. De vrouw heeft naar eigen zeggen al gedurende zes jaar een relatie met haar partner. Zij heeft ter zitting verder nog toegelicht dat zij voor de opzegging van haar huurwoning gemiddeld 4 dagen per week bij haar partner verbleef. De relatie duurt ook nog steeds voort.

Samenwonen

Vast is komen te staan dat de vrouw in december 2024 feitelijk is ingetrokken bij haar partner en daar nog steeds woont. Er was op 1 januari 2025 (en daarna) dan ook sprake van een feitelijke samenwoning.

De vrouw heeft aangevoerd dat de samenwoning uit noodzaak is ontstaan en tijdelijk van aard is, zodat niet gesproken kan worden van een duurzame samenleving in de zin van artikel 1:160 BW. Het hof volgt de vrouw hierin niet.

Hiertoe overweegt het hof allereerst dat de vrouw bewust haar huurwoning heeft opgezegd zonder dat zij uitzicht had op nieuwe eigen woonruimte en dat de noodzaak voor deze opzegging onvoldoende is gebleken. Dat de huur zou worden verhoogd en de vrouw, zoals zij stelt, financieel niet in staat was deze nog langer te voldoen, is niet komen vaststaan. De vrouw heeft nagelaten bewijsstukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat de huur zou worden verhoogd en dat zij in financiële nood verkeerde. De vrouw ontving op dat moment naast haar WIA-uitkering (hoogte blijkens uitkeringsspecificatie april 2025: € 2.572,- bruto per maand) en een aanvullende uitkering (WIA excedentverzekering) van € 206,- netto per maand (niveau 2025, beroepschrift randnr. 1.5) nog steeds partneralimentatie waarmee zij de huur ter hoogte van € 900,-- per maand (exclusief gas, water en licht) kon voldoen. Daarnaast kon zij, al dan niet deels, interen op de door haar ontvangen overbedelingsvergoeding na echtscheiding van € 130.000,--, zoals de man onbetwist heeft aangevoerd. Evenmin is gebleken dat, zoals de vrouw stelt, de verhuurder de intentie had om de woning te verkopen en bij de vrouw aandrong op een huuropzegging; nog daargelaten dat een overdracht van de woning aan een derde het huurrecht van de vrouw niet aantast (art. 7:226 BW). Het hof kan zich voorstellen dat de vrouw nieuwe woonruimte wilde betrekken om [kind 3] op te kunnen vangen en een grotere woning wilde hebben met meer daglicht, maar overweegt dat zij de zoektocht naar een nieuwe woning vanuit haar oude woning had kunnen ondernemen, zodat zij gedurende die zoektocht over eigen woonruimte zou blijven beschikken. De noodzaak voor de huuropzegging en daaropvolgend het intrekken bij haar partner is dan ook niet gebleken.

Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de samenleving tijdelijk is van aard, overweegt het hof dat een zeer vluchtige relatie, waarbij de betrokkenen ook samenwonen, niet onder het begrip duurzaam samenleven valt. Hiervan is echter geen sprake. Bij de beoordeling gaat het om de intentie van de betrokkenen, te weten of deze al dan niet gericht is op duurzaam samenleven. In dit kader is van belang dat de vrouw heeft erkend dat het de bedoeling was dat ook [kind 3] zou intrekken bij haar partner. Volgens de vrouw was dit bedoeld als tijdelijke oplossing. Het hof volgt de vrouw hierin niet. Een dergelijke inrichting van de gezamenlijke woonruimte, waarbij ruimte wordt gemaakt voor het kind van de vrouw, is een sterke aanwijzing voor een gezamenlijk toekomstperspectief en verdraagt zich daarom niet zonder meer met de stelling van de vrouw dat het om een tijdelijke noodoplossing gaat. Daarbij komt dat niet gebleken is dat de vrouw medio/eind 2024 al doende was met het zoeken naar nieuwe eigen woonruimte, zoals zij naar voren heeft gebracht. Uit de door de vrouw overgelegde uitdraai van svnk.nl (productie 8) valt immers niet af te leiden wanneer de vrouw daadwerkelijk voor het eerst deze website heeft bezocht om actief op zoek te gaan naar woonruimte. De woningen die op dit overzicht staan zijn verhuurd in de periode november 2025 tot en met maart 2026. Uit dat overzicht blijkt wel dat sociale huurwoningen in de regio [regio] slechts worden verhuurd aan personen die langdurig ingeschreven staan. Dat levert echter eerder een aanwijzing op dat de vrouw haar huurwoning heeft opgezegd om daadwerkelijk met haar partner te gaan samenleven. Tot slot is inmiddels ook gebleken dat de samenleving al ruim 1,5 jaar voortduurt, een aanwijzing temeer dat niet kan worden gesproken van een intentie tot slechts een tijdelijke samenleving.

Alles bijeengenomen is het hof van oordeel dat de vrouw en haar partner vanaf 1 januari 2025 duurzaam met elkaar samenleven in de zin van artikel 1:160 BW.

Wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding

Als gezegd wordt in het onderhavige geval ervan uitgegaan dat de vrouw en haar partner vanaf 1 januari 2025 samenwoonden en dat zij een affectieve relatie van duurzame aard hadden. Voor het aannemen van een samenlevingsverband als bedoeld in art 1:160 BW moet verder worden beoordeeld of ook sprake was van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.

De vrouw heeft verklaard dat zij feitelijk bij haar partner woont, daar structureel verblijft, de slaapkamer met hem deelt, niet bijdraagt aan de woonlasten omdat haar partner dat niet wil, zij met enige regelmaat samen boodschappen doen, veelal, uit efficiency, samen hun was draaien en het huishouden delen. Volgens de vrouw is deze gang van zaken echter uit noodzaak geboren en draaien studenten in studentenhuizen ook wel eens samen hun was en eten zij wel eens samen, zodat in het onderhavige geval niet kan worden gesproken van een onderlinge verzorging als waren zij gehuwd. De vrouw en haar partner hebben geen gezamenlijke bankrekening en houden hun financiën bovendien strikt gescheiden, aldus de vrouw.

Het hof stelt voorop dat voor wederzijdse verzorging niet is vereist dat beide partners in gelijke mate of in financiële zin aan de kosten van de huishouding bijdragen; voldoende is dat zij feitelijk elk bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Daarvan is hier sprake. De partner van de vrouw voldoet de volledige woonlasten, terwijl de vrouw sinds december 2024 feitelijk in die woning haar hoofdverblijf heeft. Zij geniet daarmee kosteloos woongenot, hetgeen een substantiële en structurele financiële ondersteuning oplevert. Dat de boodschappen daarnaast met enige regelmaat gezamenlijk worden gedaan bevestigt dat partijen niet ieder afzonderlijk in hun eigen levensonderhoud voorzien, maar de kosten van het dagelijks bestaan feitelijk delen. In dit verband is ook nog van belang hetgeen de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft verklaard: ‘boodschappen is wisselend wie er gaat en wie betaalt’. Niet gebleken is dat de door de een voor de ander betaalde kosten nadien werden of worden verrekend.

Dat alles is bij studenten (doorgaans) niet het geval. Het samenstel van gedragingen zoals hiervoor geschetst, waaronder het kosteloze woongenot dat de vrouw geniet, het gezamenlijk wassen, boodschappen doen, eten en in één bed slapen, maakt dat gesproken kan worden van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. Dat partijen geen gezamenlijke bankrekening hebben doet aan het voorgaande niet af.

Het hof heeft bij dit oordeel meegewogen dat de vrouw heeft erkend dat zij in de woning van haar partner haar kast met persoonlijke spullen en kleding heeft, zoals ook blijkt uit de verklaringen van de drie kinderen van partijen. [kind 3] en [kind 2] hebben daarnaast verklaard dat de vrouw ook haar spullen uit haar voormalige huurwoning, waaronder haar koelkast, heeft overgebracht naar de woning van haar partner. [kind 3] verklaart tot slot dat er in de woning van de partner van de vrouw een slaapkamer specifiek is ingericht (met door de vrouw uitgekozen meubilair en spullen van Ikea) met als doel dat [kind 3] zou intrekken bij de vrouw en haar partner, maar dat [kind 3] uiteindelijk hiervan afzag. Uit deze omstandigheid volgt, zoals reeds in rechtsoverweging 5.6 is overwogen, dat de vrouw en haar partner de gezamenlijke woonsituatie niet slechts als een noodoplossing voor de vrouw hebben opgevat, maar deze hebben ingericht met het oog op de duurzame huisvesting van de vrouw, inclusief haar dochter. Ook dit vormt een aanwijzing voor wederzijdse verzorging en gezamenlijke huishouding.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de stellingen van de man en de verklaringen van de kinderen op dit punt. Zij heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat zij al haar spullen heeft opgeslagen op zolder bij haar moeder. De vrouw heeft deze stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dit, mede in het licht van de gemotiveerde en concrete verklaringen van de kinderen, wel op haar weg had gelegen. Ook het betoog van de vrouw dat de man de kinderen onder druk zou hebben gezet om hun verklaringen te ondertekenen en dat de kinderen deze verklaringen zouden willen intrekken, treft geen doel. De vrouw heeft ook dit betoog niet met enig stuk of concrete aanwijzing onderbouwd. Van de zijde van de kinderen zelf is niet gebleken dat zij hun verklaringen willen wijzigen of intrekken, terwijl deze verklaringen onderling consistent zijn en op onderdelen aansluiten bij hetgeen de vrouw zelf heeft erkend. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de inhoud van deze verklaringen.

Dit alles brengt mee dat het hof van oordeel is dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van zowel wederzijdse verzorging als een gemeenschappelijke huishouding, zoals vereist voor het aannemen van een samenlevingsverband als bedoeld in art 1:160 BW.

De vrouw heeft de door de man gestelde en met verklaringen onderbouwde feiten onvoldoende betwist. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen grond de vrouw nog toe te laten tot het leveren van verder tegenbewijs. Haar bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd, evenals dat van de man omdat ook aan zijn zijde geen nadere bewijslevering behoeft plaats te vinden.

Het hof is van oordeel dat vanaf 1 januari 2025 aan alle vereisten van artikel 1:160 BW was voldaan, zodat de rechtbank terecht voor recht heeft verklaard dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw op die datum definitief is geëindigd. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.

Eerder voorstel tot afkoop

De vrouw heeft nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de schikkingsonderhandelingen van partijen, waarbij de vrouw een voorstel heeft gedaan tot afkoop van de partneralimentatie, heeft laten meewegen bij haar oordeel.

Gezien het voorgaande, waarbij het hof reeds op andere gronden tot het oordeel komt dat voldaan is aan alle eisen van artikel 1:160 BW, behoeft dit verder geen bespreking.

Incidenteel hoger beroep

Proceskosten

De man heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de vrouw alsnog in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg te veroordelen. De man meent dat zij in strijd met de op haar rustende waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft gehandeld en dat zij nodeloos procedeert. Het hof overweegt dat partijen ex-echtgenoten zijn. In het door de man aangevoerde ziet het hof onvoldoende aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de kosten van de procedure worden gecompenseerd. De bestreden beschikking zal ook op dit punt worden bekrachtigd.

Principaal en incidenteel hoger beroep

Ook voor wat betreft de procedure in hoger beroep ziet het hof onvoldoende aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De kosten zullen worden gecompenseerd.

6. De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 25 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.W.K. Bosman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand