ECLI:NL:GHAMS:2026:2402

ECLI:NL:GHAMS:2026:2402

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 200.338.823
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Hof wijst vernietigingsvordering af. Vernietigingsgronden zijn niet komen vast te staan

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.362.332/01

zaaknummer Raad van Arbitrage in bouwgeschillen : 72.353

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 augustus 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] , gemeente Hof van Twente

eiseres,

advocaat: mr. B. Steeghs te Amsterdam

tegen

[geïntimeerde] .,

gevestigd te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. W. Hogenkamp, advocaat te Meppel,

[geïntimeerde] B,V, is door fusie rechtsopvolgster onder algemene titel van [bedrijf] , die is opgegaan in [geïntimeerde] .

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] , dan wel [bedrijf] genoemd.

1. De zaak in het kort

Deze zaak gaat om de vraag of het door de RvA in bouwgeschillen (hierna: de RvA) tussen partijen in hoger beroep gewezen arbitrale vonnis dient te worden vernietigd wegens een ontbrekende motivering, althans een motivering die met het ontbreken van een motivering op één lijn moet worden gesteld, wegens het niet voldoen aan de opdracht of wegens een schending van de openbare orde (artikel 1065 lid 1 sub c, d en e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – hierna: Rv.). Het hof oordeelt dat van deze vernietigingsgronden geen sprake is en wijst de vorderingen tot vernietiging c.a. af.

2. Het procesverloop

[appellant] heeft bij dagvaarding van 27 november 2025 geconcludeerd tot vernietiging van het op 27 augustus 2025 door de RvA in hoger beroep gewezen arbitrale vonnis, in de door [bedrijf] op 1 december 2023 tegen [appellant] aanhangig gemaakte arbitrage bij de RvA (zaaknummer eerste aanleg 37.764, zaaknummer hoger beroep 72.353).

Partijen hebben bij het hof de volgende stukken ingediend:

- dagvaarding d.d. 27 november 2025, houdende de vorderingen, een toelichting met verwijzing naar producties, waaronder het arbitragedossier, en een algemeen geformuleerd bewijsaanbod;

- akte overlegging producties van [appellant] d.d. 9 december 2025;

- memorie van antwoord van [geïntimeerde] d.d. 5 januari 2026 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [appellant] afwijst en [appellant] veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding.

Door geen van partijen is op voldoende concrete wijze bewijs aangeboden.

3. Feiten

De RvA heeft in het in hoger beroep gewezen vonnis (hierna: het bestreden vonnis) in rechtsoverweging 14 onder a. tot en met h. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten staan in dit geschil tussen partijen vast. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

[appellant] was hoofdaannemer van een groot bouwproject te Utrecht ( [naam] ). Tussen partijen [appellant] en [bedrijf] (als onderaannemer) is eind 2020 een overeenkomst tot levering en montage van kozijnen tot stand gekomen voor een aanneemsom van € 1,3 miljoen. In het bestreden vonnis zijn passages uit de opdrachtbevestiging (b.) en de inkoopopdracht (c.) geciteerd, welke hier geacht worden herhaald en ingelast te zijn. In het vonnis zijn de perioden vermeld waarin de kozijnen door [bedrijf] zijn gemonteerd. Het vonnis vermeldt dat de montage op verzoek van [appellant] later is aangevangen dan oorspronkelijk was overeengekomen. Het hele bouwproject [naam] is later dan gepland afgerond.

[appellant] heeft [bedrijf] / [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de door deze vertraging voor [appellant] ontstane schade en in verband daarmee facturen van [bedrijf] voor een totaalbedrag van

€ 470,359,97 (inclusief BTW) onbetaald gelaten.

[bedrijf] heeft in de arbitrage in eerste aanleg veroordeling van [appellant] tot betaling van dat totaalbedrag gevorderd, terwijl [appellant] veroordeling van [bedrijf] tot vergoeding van de door haar geleden schade heeft gevorderd. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn de vorderingen van [bedrijf] door de arbiters toegewezen en die van [appellant] afgewezen, telkens met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

4. Beoordeling

[appellant] heeft in de onderhavige procedure diverse gronden voor vernietiging aangevoerd. Volgens haar zijn de vonnissen niet met redenen omkleed (artikel 1065 lid 1 onder d Rv.), heeft de RvA de opdracht geschonden (artikel 1065 lid 1 onder c Rv.) en zijn de vonnissen in strijd met de openbare orde wegens de wijze waarop de vonnissen tot stand zijn gekomen (artikel 1065 lid 1 onder e Rv.). [geïntimeerde] heeft alle aangevoerde gronden betwist.

Alvorens op basis van het partijdebat de aangevoerde gronden te beoordelen stelt het hof eerst vast dat de op motiveringsklachten gebaseerde vernietigingsgrond door het hof in beginsel terughoudend wordt getoetst; de vernietigingsprocedure is er niet voor bedoeld om elke motivering van de RvA te heroverwegen als ware het een (verkapte) beroepsprocedure. Het hof zal daarom de aangevoerde vernietigingsgronden voor zover gericht op de motivering door de RvA terughoudend toetsen en wel aan het geheel ontbreken van enige motivering dan wel de aanwezigheid van een zo gebrekkige motivering dat deze niet als steekhoudend kan worden beschouwd, dan wel dat de RvA heeft nagelaten in te gaan op essentiële stellingen. Dezelfde, althans een vergelijkbare terughoudendheid zal het hof in acht nemen bij de beoordeling van de stellingen die de vernietigingsgrond zouden moeten opleveren, dat de RvA zich niet aan de opdracht zou hebben gehouden.

Deze terughoudendheid zal het hof niet als uitgangspunt hanteren bij de toetsing van de stellingen aan de opgevoerde vernietigingsgrond ‘strijd met de openbare orde’, welke grond van een zodanig fundamentele betekenis is dat deze ‘vol’ zal worden getoetst.

De klachten van [appellant] over de motivering van het bestreden vonnis (inclusief het beweerdelijk ontbreken van enige dan wel begrijpelijke motivering) hebben dezelfde onderwerpen als de klacht dat de RvA zich niet aan de opdracht heeft gehouden door een essentiële stelling, respectievelijk een essentieel verweer van [appellant] niet in zijn overwegingen en beslissingen te hebben betrokken. Deze gronden van [appellant] betreffen in hoofdzaak haar navolgende stellingen:

a. de RvA heeft als referentiekader voor de beoordeling van de voor de hoogbouw door [bedrijf] gerealiseerde periode een tussen partijen overeengekomen montagetijd van 30 tot 36 weken genomen, terwijl dat de termijn was die tussen partijen was overeengekomen voor productie én montage (van zowel laag- als hoogbouw); deze motivering is onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig, aldus [appellant] ;

b. de RvA heeft de stelling van [appellant] genegeerd dat [bedrijf] zélf met een planning voor de hoogbouw van 7 weken is gekomen (‘verspreid over 10 weken’).

[appellant] heeft ter toelichting op onderdeel a. onder meer gesteld dat de RvA in zijn motivering in het geheel geen onderscheid heeft gemaakt tussen laagbouw en hoogbouw.

[appellant] heeft ter toelichting op onderdeel b. onder meer gesteld dat op 7 april 2021 een nadere planning is “overeengekomen c.q. uitgewisseld”.

[appellant] betitelt de beoordelingen door de RvA als ‘onbegrijpelijk’.

De bezwaren van [appellant] falen omdat zij berusten op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis. Het hof licht dat toe. De RvA heeft in r.o. 25 expliciet overwogen dat de start van de werkzaamheden van [bedrijf] is opgeschoven “door toedoen van de hoofdaanneemster” (= [appellant] , hof). Alleen al daardoor kan de in de overeenkomst genoemde opleverdatum niet beschouwd worden als een fatale termijn (r.o. 26). De RvA heeft vervolgens gemotiveerd dat de nadien gemaakte planningsafspraken niet (onderstreping hof) kwalificeren als een fatale termijn, maar slechts als een indicatie (r.o. 27), dan wel een ‘leidraad’ (r.o. 29). Reeds daarom faalt de stelling van [appellant] zoals aangehaald onder 4.3 sub b: er was met de op 7 april 2021 door [bedrijf] voorgestelde termijn géén sprake van een overeengekomen fatale termijn.

De RvA heeft het 7-weken-argument dus wel degelijk in zijn overwegingen betrokken (en niet ‘genegeerd’), waardoor de daarop gerichte motiveringsklacht van [appellant] faalt, en op dat argument/verweer van [appellant] heeft beslist, waardoor de klacht ‘buiten de opdracht getreden’ faalt.

De RvA concludeert vervolgens dat [appellant] niet genoeg gesteld heeft om tot enige fatale termijn te kunnen concluderen, dan wel feiten en omstandigheden op basis waarvan [appellant] mocht aannemen dat schadeplichtigheid van [bedrijf] meteen zou intreden als een (later genoemde ) termijn niet gehaald zou worden. In het licht van die als redelijk beoordeelde verwachting over en weer heeft de RvA (naar het oordeel van het hof: niet onbegrijpelijk) verwezen naar de in de aanvankelijke overeenkomst opgenomen totale doorlooptijd van 30 tot 36 weken, waarbij de RvA bij het aanhalen van die termijn expliciet vermeldt dat die termijn was overeengekomen “voor de montage en de productie”. De stelling van [appellant] zoals onder 4.3 sub a verwoord, mist reeds daarom feitelijke grondslag: uit de motivering van het vonnis blijkt genoegzaam dat de RvA wel degelijk goed in beeld had dat die door de RvA aangehaalde termijn voor productie én montage van de (dus: alle) kozijnen gold. Daarnaast miskent de hier bedoelde stelling van [appellant] dat bij de RvA ook ter beoordeling voorlag de (tegen-)vordering van [appellant] , die was gebaseerd op het toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen door [bedrijf] . Juist in dat licht heeft de RvA kennelijk (en niet onbegrijpelijk) gerefereerd aan de in de oorspronkelijke overeenkomst genoemde bandbreedte (30-36 weken) en dienaangaande geconcludeerd dat [bedrijf] binnen die bandbreedte gebleven was, uitgaande van een latere aanvangsdatum omdat [appellant] eerder zelf het aanvangstijdstip had opgeschort. Die verwijzing ligt immers meteen voor de hand in het licht van het ‘Haviltexen’ van hetgeen partijen gelet op de (gewijzigde) omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Kort samengevat: wel een totale termijn van 30-36 weken na feitelijke aanvang, en geen andere fatale termijn. Naar het oordeel van het (deze gronden terughoudend toetsende) hof heeft de RvA dit helder en begrijpelijk gemotiveerd en de daarbij door [appellant] betrokken stellingen en verweren kenbaar in zijn beoordeling betrokken en daarop beslist. De klachten van [appellant] missen daarmee feitelijke en juridische grondslag en kunnen niet tot toewijzing van de vorderingen leiden. Door [appellant] zijn geen andere feiten, omstandigheden of rechtsgronden gesteld, noch zijn deze gebleken, die tot vernietiging op de gronden van artikel 1065, lid 1 sub c en d Rv zouden kunnen leiden. Aan het algemeen geformuleerde bewijsaanbod van [appellant] in deze procedure komt het hof dan ook niet toe.

Tot slot ligt ter beoordeling voor de door [appellant] gestelde grond dat het vonnis, inclusief de wijze waarop dit tot stand is gekomen, in strijd is met de openbare orde. Het hof zal, als hiervoor toegelicht, deze grond ‘vol’ (en dus niet: terughoudend) toetsen. Allereerst stelt het hof vast dat het ‘bewijsaanbod’ waarnaar [appellant] hier verwijst (zie 4.21 van de dagvaarding in verbinding met 5.2 van haar eerdere beroepschrift in de arbitrageprocedure) tamelijk algemeen geformuleerd is. Het verwijst in algemene zin naar al haar stellingen ‘omtrent de overeengekomen planning, omtrent de niet-nakoming van die planning door [bedrijf] en van de door haar geleden schade’. Tussen partijen staat vast en (dus) voor het hof niet ter discussie, dat de arbiters hier niet gehouden waren om het wettelijk bewijsrecht toe te passen. Voor zover zij dat niet gedaan hebben, kan dat niet zonder meer tot vernietiging leiden. Los daarvan mocht de RvA het algemeen bewijsaanbod passeren nu dat niet zag op enige concrete te bewijzen stelling waarover enige getuige zou kunnen verklaren en die – indien bewezen – tot een andere beslissing zou hebben kunnen leiden. Ook in deze vernietigingsprocedure heeft [appellant] niet concreet gesteld welk concreet feit zij in hoger beroep in de arbitrageprocedure had willen bewijzen en welke te bewijzen feitelijkheid door de RvA over het hoofd is gezien, terwijl dat ingeval van een bewezenverklaring tot een andere beslissing had kunnen leiden. Elke concretisering van haar bewijsaanbod en tegen de afwijzing daarvan gerichte bezwaar ontbreekt. Het bezwaar van [appellant] ziet naar het oordeel van het hof veeleer op de waardering door de RvA van op zichzelf in voldoende mate vaststaande feiten, waarbij [appellant] andere conclusies aan die feiten verbonden wil zien dan de RvA heeft gedaan. Het enkel voorbijgaan aan een algemeen geformuleerd bewijsaanbod kan niet leiden tot een vernietiging van het bestreden arbitrale vonnis want voldoet geenszins aan de eis dat het vonnis is totstandgekomen op een wijze die in strijd is met de openbare orde. Daarnaast heeft [appellant] ook gesteld dat de RvA het bewijsaanbod zonder enige toelichting of motivering heeft gepasseerd. Die stelling berust op een onjuiste lezing van het vonnis, aangezien de RvA in de rov. 30 en 32 van het vonnis uitvoerig heeft gemotiveerd waarom [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld ter onderbouwing van haar stellingen, hetgeen impliceert dat (ook om die reden) niet wordt toegekomen aan het bewijs daarvan.

Door [appellant] zijn geen andere feiten of gronden gesteld dan hiervoor zijn behandeld en als onvoldoende zijn beoordeeld. De vorderingen van [appellant] zijn daarom niet toewijsbaar.

Dat geldt vanzelfsprekend ook voor de vorderingen die op toewijzing van de vernietigingsvordering zijn gebaseerd. Alle vorderingen van [appellant] worden afgewezen, onder veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geschil.

Het hof stelt deze kosten als volgt vast:

- griffierecht € 6.803,00

- salaris advocaat € 3.723,00 +

Totaal € 10.526,00

Aangezien door [geïntimeerde] geen uitvoerbaarverklaring bij voorraad is gevorderd zal het hof daartoe niet overgaan.

5. Beslissing

Het hof:

wijst de vorderingen van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in zoverre dat zij de tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgestelde kosten aan [geïntimeerde] dient te vergoeden en stelt deze vast op € 10.526,00 en op € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, A.S. Arnold en C.L.J.M. de Waal en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand