GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer hof : 200.359.143/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11573152 \ EA VERZ 25-225
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende in [plaats 1] , gemeente Rheden,
appellant,
advocaat: mr. R.K.A. Kop te Nijmegen,
tegen
DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R. Rozendal te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en DAS genoemd.
1. De zaak in het kort
Vlak voor het bereiken van de AOW-leeftijd van werknemer komt deze met werkgever overeen om voor bepaalde tijd door te werken. Er volgen nog meer opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Nadat werkgever meldt niet meer te willen verlengen doet werknemer ‘klokkenluidersmeldingen’ en solliciteert hij naar zijn eigen functie, die hij niet krijgt. Benadelingshandeling van een klokkenluider? Leeftijdsdiscriminatie? Ragetlieregel? Is datum waarop of per welke verlengd wordt beslissend? Het hof wijst alle aanspraken af.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift van 15 september 2025 in hoger beroep gekomen van de onder bovenvermeld zaaknummer gegeven beschikking van 16 juni 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) tussen [appellant] als verzoeker en DAS als verweerster (hierna: de bestreden beschikking). De bestreden beschikking is gegeven in de vorm van een proces-verbaal van de mondelinge uitspraak.
Op 18 september 2025 heeft [appellant] nadere stukken ingediend ter griffie van het hof en op 14 januari 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep met producties 1 en 2 van DAS ingekomen.
Op 25 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan de zijde van [appellant] heeft mr. L.P.M. Dimmers de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd aan het hof. Aan de zijde van DAS is de zaak toegelicht door mr. Rozendal, zonder spreekaantekeningen.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die zijn gebaseerd op de door partijen onbestreden gelaten vaststelling van feiten onder 1.1 van de bestreden beschikking.
[appellant] , geboren op 23 december 1954, is op 1 april 2001 in dienst getreden bij DAS als jurist. Door DAS is aan [appellant] bericht dat vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op 23 april 2021 zijn arbeidsovereenkomst met DAS van rechtswege zou eindigen.
Voorafgaand aan het eindigen van de arbeidsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat [appellant] na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van zes maanden zijn werkzaamheden zou voortzetten in de functie van Specialist Kwaliteit. Partijen zijn in totaal ten minste vijf keer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan, voor het laatst van 26 april 2024 tot en met 31 december 2024.
Eind oktober 2024 heeft DAS mondeling aan [appellant] te kennen gegeven dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zou worden verlengd. Bij brief van 7 november 2024 is dit aan [appellant] bevestigd.
Op 19 november 2024 heeft [appellant] twee meldingen gedaan bij DAS op basis van de klokkenluidersregeling van DAS.
Eind december 2024 heeft [appellant] van DAS een cadeaubon en geld voor een afscheidsetentje gekregen vanwege het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst met DAS.
Begin januari 2025 heeft [appellant] gesolliciteerd op de functie van Specialist Kwaliteit bij DAS. Op 10 januari 2025 heeft DAS aan [appellant] meegedeeld dat de vacature inmiddels door een andere kandidaat was ingevuld.
Bij brief van 27 januari 2025 heeft DAS uitgebreid gereageerd op de klokkenluidersmeldingen van [appellant] .
Op de arbeidsovereenkomst(en) tussen partijen was de cao voor het Verzekeringsbedrijf van toepassing. Deze bepaalde dat de arbeidsovereenkomst van [appellant] (toen nog: voor onbepaalde tijd) bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (automatisch) eindigde.
4. Procedure bij de kantonrechter
[appellant] heeft de kantonrechter verzocht om - uitvoerbaar bij voorraad - DAS te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding op grond van artikel 7:673 lid 9 Burgerlijk Wetboek (BW) en/of schadevergoeding op grond van artikel 7:611 BW juncto 6:162 BW van in totaal € 100.000,00 bruto, te vermeerderen met rente en de proceskosten.
[appellant] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat partijen, voordat de arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd eindigde, zijn overeengekomen dat de arbeidsrelatie met zes maanden zou worden voortgezet. Als gevolg hiervan is de arbeidsovereenkomst volgens [appellant] niet van rechtswege geëindigd, maar met wederzijds goedvinden. Dit betekent volgens [appellant] dat hij op grond van de Ragetlieregel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, althans dat zijn arbeidsovereenkomst alleen met zijn instemming kon worden opgezegd of kon worden ontbonden bij de kantonrechter. DAS heeft de laatste tijdelijke arbeidsovereenkomst van [appellant] niet verlengd en zijn sollicitatie in januari 2025 afgewezen, vanwege de klokkenluidersmelding dan wel vanwege zijn leeftijd, zodat sprake is van leeftijdsdiscriminatie, aldus [appellant] .
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van [appellant] mede volgens de van toepassing zijnde cao van rechtswege is geëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Dat de afspraken over de overeenkomst voor bepaalde tijd gemaakt zijn voordat [appellant] de pensioengerechtigde leeftijd bereikte doet daar niet aan af. De kantonrechter heeft de verzochte transitievergoeding afgewezen, omdat op grond van de wet geen transitievergoeding verschuldigd is na het bereiken van de pensioenleeftijd. De verzochte billijke vergoeding, die gegrond is op de klokkenluidersmelding en op leeftijdsdiscriminatie, is eveneens afgewezen omdat, kort samengevat, de wetgever het valide heeft gevonden dat met een AOW-gerechtigde werknemer tot zes keer toe in een periode van vier jaar tijdelijke arbeidsovereenkomsten kunnen worden afgesloten. Daarom is er geen sprake van verboden leeftijdsdiscriminatie. De door [appellant] als klokkenluidersmelding geduide mededelingen zijn door hem pas na de aanzegging van het einde van het dienstverband gedaan, zodat er geen oorzakelijk verband kan worden aangenomen tussen de mededeling van DAS de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet meer voort te zetten en de door [appellant] bedoelde (‘klokkenluiders’)meldingen Er is dan ook geen reden voor een bewijsvermoeden of voor omkering van de bewijslast, temeer omdat DAS al voor de sollicitatie van [appellant] twee interne medewerkers had aangenomen voor de functie van Specialist Kwaliteit. De verzoeken van [appellant] zijn daarom afgewezen, met compensatie van de proceskosten.
5. Verzoeken in hoger beroep
[appellant] verzoekt in zijn beroepschrift vernietiging van de bestreden beschikking en alsnog, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, DAS te veroordelen:
tot betaling van een billijke vergoeding van € 100.000,00, althans ter grootte van een bedrag in goede justitie te bepalen, met inachtneming van artikel 7:673 lid 9 BW en/of 7:681 BW;
tot betaling van een schadevergoeding van € 100.000,00, althans tot toewijzing van een door het hof te bepalen schadevergoeding, met inachtneming van artikel 7:611 jo. 6:162 BW en zo nodig van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL) en de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk);
tot betaling van de wettelijke rente (het hof begrijpt:) over de toegewezen bedragen;
in de kosten van het geding in beide instanties.
Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep verklaard dat het verzoek sub 2. als subsidiair ten opzichte van het verzoek sub 1. dient te worden beschouwd, zodat de verzoeken van [appellant] in hoger beroep in die zin zijn gewijzigd en verminderd.
Volgens DAS moet het hof de grieven en verzoeken van [appellant] in beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.
Zowel [appellant] als DAS hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
6. Beoordeling
[appellant] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. De eerste grief heeft hij zelf als ‘veeggrief’ gekwalificeerd en ziet op door de kantonrechter niet expliciet vastgestelde feiten. Het hof zal hierna op die door [appellant] bedoelde feitelijke stellingen ingaan en deze in zijn beoordeling betrekken.
[appellant] heeft in hoger beroept berust in de afwijzing van de in eerste aanleg verzochte transitievergoeding. Voor zover [appellant] zijn (thans: primaire) verzoek heeft gebaseerd op het bepaalde in artikel 7:673 lid 9 BW heeft hij ter feitelijke onderbouwing gesteld dat DAS twee ernstig verwijtbare handelingen (inclusief: nalaten) heeft verricht: het ontslaan van hem als klokkenluider en toegepaste leeftijdsdiscriminatie. In hoger beroep heeft hij de grondslag uitgebreid met een beroep op het bepaalde in artikel 7:681 BW, omdat hij een beroep op klokkenluidersbescherming heeft gedaan (ontslag wegens het beroep doen op de klokkenluidersbescherming).
Klokkenluider
In randnummer 6 leest het hof de grief van [appellant] dat de kantonrechter zou hebben miskend dat de bewijslast op DAS rust, waarbij hij kennelijk doelt op zijn stelling dat dit het rechtsgevolg van zijn beroep op de klokkenluidersregeling is. Deze grief miskent dat de kantonrechter op basis van de volgordelijkheid van de schriftelijke aanzegging einde bepaalde tijd (op 7 november 2024) geen causaal verband met de latere meldingen van [appellant] (op 19 november 2024) heeft aangenomen. Alleen al daarom slaagt de stelling van [appellant] niet. Het hof deelt dit oordeel van de kantonrechter en maakt dat tot het zijne. De grief faalt.
Grief VII is gebaseerd op het bestaan van het rechtsvermoeden dat er een klokkenluidersmelding was die tot omkering van de bewijslast over de redenen voor de beëindiging noopte. De grief en de daaronder liggende veronderstelling van [appellant] miskennen de volgorde der dingen: eerst was er een mededeling ‘definitief einde’ en pas daarna de ‘melding’. Een zodanige melding heeft geen terugwerkende kracht op de daaraan voorafgaande beëindigingsmededeling, althans redenen waarom dat wel zo zou zijn zijn niet gesteld of gebleken. Er is dus geen feitelijke grondslag voor omkering van de bewijslast. De grief faalt.
De kantonrechter heeft expliciet in het midden gelaten of de mededelingen van [appellant] van 19 november 2024 als ‘klokkenluidersmeldingen’ hebben te gelden, omdat deze meldingen naar het oordeel van de kantonrechter evident geen causaal verband met het besluit tot beëindiging van de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (per ultimo 2024) hadden. DAS had daartoe immers al ruim vóór die ‘meldingen’ besloten (volgens DAS al begin 2024: de toenmalige verlenging zou de laatste zijn) en aan [appellant] daarvan mededeling gedaan, laatstelijk schriftelijk op 7 november 2024. Door [appellant] is niet gesteld, noch is gebleken dat DAS toen al op de hoogte was van bedoelde ‘meldingen’. Daarmee staat voldoende vast dat er geen causaal verband tussen de (aanzegging van de) beëindiging en de ‘meldingen’ van [appellant] was, zoals de kantonrechter terecht heeft geoordeeld. Het hof neemt als gezegd die beoordeling over. [appellant] heeft in hoger beroep geen stellingen naar voren gebracht die tot een andere beoordeling kunnen leiden. Het verwijt van [appellant] dat DAS hem ten onrechte heeft ontslagen na én wegens zijn beroep op de klokkenluidersregeling mist daarom feitelijke grondslag: wil en verklaring van DAS dateren al van (ruim) voordien. Er is dan ook geen sprake van een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 17e Wbk (voorheen 7:658c BW). Het beroep op het verbod om te beëindigen wegens een beroep op klokkenluidersbescherming treft hetzelfde lot. De grief faalt.
Hetgeen [appellant] met en ter toelichting op grief VI naar voren heeft gebracht mist in het licht van het vorenstaande voldoende zelfstandige betekenis. Voor zover [appellant] heeft beoogd dat de benadeling na klokkenluiden (dus na 19 november 2024) heeft plaatsgevonden door hem in januari 2025 niet op zijn sollicitatie (naar zijn eigen functie) te benoemen, miskent hij dat die afwijzing reeds besloten lag in de mededeling van DAS van 7 november 2024 dat de laatste arbeidsovereenkomst na ultimo 2024 niet meer verlengd zou worden. Dit was [appellant] al vóór zijn ‘meldingen’ op 19 november 2024 bekend, althans had hem duidelijk kunnen en moeten zijn. Van een daarvan af te scheiden benadeling nadien is dan ook geen sprake. Door na de definitieve aanzegging ‘definitief einde’ eerst een ‘melding’ te doen en vervolgens op de eigen functie te solliciteren ontstaat er geen rechtsplicht voor DAS om dat definitieve einde te heroverwegen. Van een feitelijk ‘nieuwe’ benadeling in 2025 is dan ook geen sprake geweest. Daarmee ontbeert de grief feitelijke grondslag. De grief faalt.
Leeftijdsdiscriminatie
In grief II stelt [appellant] dat het ‘einde bepaalde tijd’ het gevolg is van verboden leeftijdsdiscriminatie, omdat de niet-verlenging geen andere dan de bij wet verboden grondslag gelegen in de leeftijd van [appellant] had. Deze stelling miskent dat de wetgever over het aangaan en verlengen van arbeidsovereenkomsten na het door de werknemer bereikt hebben van de AOW-leeftijd in artikel 7:668a lid 12 BW heeft bepaald dat de werkgever gedurende 48 maanden nadien maximaal zes arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd mag aangaan, alvorens ‘ontslagbescherming’ ontstaat. Deze regulering impliceert dat elke zodanig aangegane arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt, zonder dat uit het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst eindigt terwijl de leeftijd van de betreffende werknemer hoger is dan de AOW-leeftijd het vermoeden volgt dat dit einde het gevolg is van verboden leeftijdsdiscriminatie. Ook de kantonrechter is van die gedachte uitgegaan. Tussen partijen staat vast dat de in deze bepaling genoemde grenzen door DAS in acht zijn genomen. DAS mocht als werkgever deze arbeidsovereenkomsten van rechtswege laten eindigen, mits zij daarbij binnen de genoemde grenzen zou blijven en dus zonder zich daarmee schuldig te maken aan verboden leeftijdsdiscriminatie. Daarmee staat voldoende vast dat het enkele feit dat DAS niet opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wilde aangaan op zichzelf geen vermoeden van leeftijdsdiscriminatie oproept, zoals [appellant] ten onrechte heeft betoogd. Dat vermoeden valt bovendien niet te rijmen met de gebleken bereidheid van DAS om met [appellant] na het bereiken van diens AOW-gerechtigde leeftijd verschillende opeenvolgende arbeidsovereenkomsten (voor bepaalde tijd) aan te gaan. De andersluidende stellingen van [appellant] miskennen dat het DAS vrij stond om bij het einde van elk van die arbeidsovereenkomsten met [appellant] deze al dan niet te verlengen, mits zij daarbij de grenzen van artikel 7:668a lid 12 BW maar in acht zou nemen..
Het enkele feit dat DAS op een vacature een andere kandidaat heeft aangenomen speelt ten aanzien van het door [appellant] genoemde rechtsvermoeden geen rol. Grief IV is gebaseerd op de stelling dat er in het team Kwaliteit een vacature was op het moment dat DAS besloot en/of mededeelde dat de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met [appellant] niet verlengd zou worden. Deze stelling veronderstelt dat DAS jegens [appellant] gehouden zou zijn om bij een vacature aan [appellant] een aanbod tot een nieuwe arbeidsovereenkomst te doen. In de omstandigheden van dit geval ontbrak echter zo’n verplichting. DAS mocht zonder externe toetsing of zelfs toestemming besluiten om de lopende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege te laten eindigen. Zoals hiervoor overwogen, vloeit die vrijheid voort uit het bepaalde in artikel 7:668a lid 12 BW. Het enkele openstaan van een vacature doet daaraan niet af, nog daargelaten dat DAS voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij andere juristen heeft aangenomen op openstaande vacatures. Of die ter vervanging van [appellant] hadden te gelden kan daarbij in het midden blijven. De grief faalt.
Het rechtsvermoeden is daarmee niet komen vast te staan, zodat aan ‘omkering van de bewijslast’ niet wordt toegekomen. Grief II faalt dan ook. Ook overigens is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van DAS niet gebleken, noch zijn dienaangaande door [appellant] feiten en/of omstandigheden te bewijzen aangeboden die tot een andere beoordeling kunnen leiden.
Hetgeen [appellant] in de grieven III (A en B) en de daarop gegeven toelichting naar voren brengt leidt niet tot een andere beoordeling. Zijn beroep op het bepaalde in artikel 7:611 BW (‘goed werkgeverschap’), respectievelijk 6:162 BW (‘onrechtmatige daad’) miskent dat DAS, anders dan [appellant] (veronder)stelt, niet gehouden was hem nogmaals een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden. Van schending van genoemde bepalingen is dan ook geen sprake. De citaten waarmee [appellant] de kantonrechter aanhaalt missen op dit punt elke relevantie en leiden niet tot een andere beoordeling.
Ragetlieregel en ketenregeling
Voor zover grief V ziet op schending van de zogenaamde Ragetlieregel miskent deze grief dat het bepaalde in artikel 7:668a lid 12 BW ziet op één of meer arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die de (wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd) van rechtswege eindigende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ‘opvolgen’. Juist die bijzondere situatie is een in de wet opgenomen afwijking van de onverkorte toepassing van de Ragetlieregel. Het beroep van [appellant] op de Ragetlieregel miskent dat. Ten onrechte stelt [appellant] dat de keten van opvolgende arbeidsovereenkomsten zeven schakels telt in plaats van de bij wet toegestane zes schakels. De fout in de telling van [appellant] zit hem in de betekenis die hij (ten onrechte) toekent aan het feit dat de datum waarop de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is overeengekomen vóór zijn AOW-gerechtigde leeftijd lag. Het gaat immers niet om de datum waarop die arbeidsovereenkomst is aangegaan, maar per welke datum die is ingegaan. Een andersluidende uitleg vindt geen steun in de wetsgeschiedenis, noch in de kennelijke strekking van de wetsbepaling, die immers een verruiming van de voortzetting van een keten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voor AOW-gerechtigden regelt, waarbij de datum waarop overeenstemming over de toepassing van deze verruimingsregel is bereikt niet relevant is. Dat de rechtsgevolgen van een vóór datum pensionering overeengekomen ‘verlenging-voor-bepaalde-tijd-na-pensionering’ anders zouden zijn dan bij een pas na pensionering overeengekomen verlenging is geenszins de bedoeling van de wetgever geweest en mist ook in het licht van de doelstelling van de bepaling voldoende logica en daarmee voldoende grondslag. De grief faalt.
De stellingen van [appellant] onder randnummers 11 tot en met 16 bevatten geen expliciet genummerde grieven, maar zullen door het hof wel in zijn beoordeling worden betrokken. Zij kunnen evenwel niet tot vernietiging leiden omdat zij, ook indien juist bevonden, niet tot een andere beoordeling van de verzoeken van [appellant] kunnen leiden. Ook het (subsidiaire) verzoek van [appellant] om schadevergoeding omdat het DAS niet vrijstond om ermee te stoppen en om niet in te gaan op zijn sollicitatie, wordt daarom afgewezen.
Grief VIII is niet meer dan een herhaling van eerdere stellingen en grieven en mist zelfstandige betekenis. De grief faalt op basis van hetgeen hiervoor is overwogen en besloten.
Het bewijsaanbod van [appellant] ziet niet op feiten die, indien bewezen, tot een andere beoordeling kunnen leiden. [appellant] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die ertoe dienen te leiden hem tot bewijslevering toe te laten. Het bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.
[appellant] dient als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep te worden veroordeeld. Geen van partijen heeft gegriefd tegen de beslissing van de kantonrechter om de kosten van de eerste aanleg te compenseren, zodat die beslissing niet ter beoordeling door het hof voorligt. Het in hoger beroep (ongemotiveerd) gedane verzoek van [appellant] om DAS in de kosten van de eerste aanleg te veroordelen komt niet voor toewijzing in aanmerking, alleen al omdat [appellant] als de in beide instanties in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van DAS vastgesteld op € 4.953, bestaande uit € 851,- wegens griffierecht en € 4.102,00 wegens salaris advocaat.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. van der Burg, H.T. van der Meer en R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.