beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.365.144/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/766057 DW RK 25-80
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 8 september 2026
inzake
[appellant] ,
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] ,
appellant,
gemachtigden: W.W.M. van de Donk en [name 1] ,
tegen
[geïntimeerde] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarder en klaagster genoemd.
1. De zaak in het kort
Klaagster is bij vonnis in kort geding veroordeeld om, onder meer, het door haar gehuurde bedrijfspand te ontruimen. De gerechtsdeurwaarder heeft op basis van de grosse van dit vonnis het bedrijfspand ontruimd. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder a) dat de executie van het vonnis onrechtmatig is, b) dat hij niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, c) dat hij gebruik heeft gemaakt van een verouderd vonnis en d) dat hij de inboedel heeft vastgehouden zonder wettelijke basis. Het hof is, anders dan de kamer voor gerechtsdeurwaarders, van oordeel dat de klacht op alle onderdelen ongegrond is.
2. Het geding in hoger beroep
De gerechtsdeurwaarder heeft op 18 februari 2026 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 30 januari 2026 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2026:16).
Klaagster heeft op 14 april 2026 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026. De gerechtsdeurwaarder, vergezeld van zijn gemachtigde [name 1] , en klaagster, vertegenwoordigd door haar bestuurder [name 2] , zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder heeft het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
Op 22 oktober 2024 is klaagster op vordering van de verhuurster in kort geding veroordeeld de door haar gehuurde bedrijfsruimte te ontruimen, een bedrag te betalen en een gebruiksvergoeding gelijk aan de huur te voldoen voor elke maand na september 2024 tot de maand waarin de ontruiming zou plaatsvinden.
In het dictum van dit vonnis staat, voor zover relevant:
“5.1. veroordeelt [hof: klaagster] om de onroerende zaak aan de [hof: adres bedrijfspand] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met alle zich daarin van harentwege bevindende personen en roerende zaken, althans met al het hare en al de haren te (doen) verlaten en te ontruimen, het gehuurde in goede staat aan [hof: naam verhuurster] op te leveren en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [hof: naam verhuurster] te stellen en het gehuurde na de ontruiming ontruimd en verlaten te houden (...).”
Op 25 oktober 2024 is dit vonnis aan klaagster betekend. In het betekeningsexploot staat vermeld, voor zover relevant:
“A. Om binnen veertien dagen na vandaag, de staande en gelegen te [hof: adres bedrijfspand] te ontruimen en te verlaten en iedereen en alles mee te nemen die zich daarin of daarop niet vanwege [hof: naam executant] bevindt/bevinden. Vervolgens moet u de sleutels bij de verhuurder afgeven en daarmee de ter vrije en algehele beschikking van [hof: naam verhuurster] stellen.
B . Om binnen twee dagen na vandaag aan:
[bedrijf]
T.a.v. de heer [name 3]
(…)
te betalen:
(…)
MET AANZEGGING:
Als u niet op tijd aan het onder A. gestelde heeft voldaan zal de deurwaarder het vonnis ten uitvoer leggen door tot ontruiming van [hof: adres bedrijfspand] over te gaan. Verder zal hij bij het uitblijven van betaling ook beslagmaatregelen treffen (...).”
Klaagster heeft op 25 en 27 december 2024 vier maanden achterstallige huurpenningen (€ 17.434,92) voldaan aan de verhuurster.
Op 29 januari 2025 heeft de advocaat van verhuurster [name 4] (hierna: [name 4] ) aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder een e-mailbericht gestuurd waarin staat, voor zover relevant:
“Bij vonnis d.d. 22 oktober 2024 is [geïntimeerde] . veroordeeld tot betaling aan cliënte van € 15.462,09 plus € 4.358,72 per maand voor elke maand na september 2024 met veroordeling van [geïntimeerde] . in de proceskosten van (€ 135,96 + € 706,00 + € 793,00 + € 135,00 + explootkosten).
Dit leidt tot een vordering van:
Hoofdsom € 15.462.09
Proceskosten € 1.769,96
Huur oktober 2024 € 4.358,72
Huur november 2024 € 4.358,72
Huur december 2024 € 4.358,72
Huur januari 2025 € 4.358,72
Totaal € 34.666,93
Explootkosten 25-10-’24 € 151,48
Totaal € 34.818,41
Betaald na vonnis € 11.000,00
Betaald eind december € 17.434,92
Te betalen € 6.383,49
Per 1 februari 2025 te vermeerderen met € 4.358,72 aan huur voor die maand.”
Op 18 februari 2025 is per deurwaardersexploot aangezegd dat de ontruiming zou plaatsvinden op 25 februari 2025.
Een medewerker van de gerechtsdeurwaarder heeft op 12 maart 2025 per e-mail aan klaagster bericht dat de inboedel zou worden vrijgegeven na betaling van € 17.552,29, zijnde de kosten van de ontruiming (€ 7.191,64) en opslagkosten (€ 10.360,65). Op dezelfde dag heeft
klaagster bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken.
Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft op 27 mei 2025 aan klaagster bericht, voor zover relevant:
“(...) In bovengenoemd dossier is de opslagtermijn van 13 weken verstreken. Normaal gesproken wordt de opgeslagen inboedel vernietigd na het verstrijken van deze termijn (…).
Tot op heden heeft u de opslagkosten niet voldaan. De inboedel wordt enkel vrijgegeven indien u alsnog de opslagkosten aan ons kantoor voldoet. Namens onze opdrachtgever geven wij u nog een week de tijd om de opslagkosten alsnog te voldoen. Bij gebreke hiervan zal de inboedel worden vernietigd (...).”
Op 27 juni 2025 heeft [name 4] aan klaagster per e-mail bericht, voor zover relevant:
“Bij vonnis in kort geding d.d. 22 oktober 2024 is MFE BV veroordeeld tot (onder andere) ontruiming van het bedrijfspand aan de [hof: adres bedrijfspand]. Omdat u geen vrijwillige uitvoering heeft gegeven aan die veroordeling heeft op 25 en 26 februari 2025 de ontruiming door de deurwaarder plaatsgevonden. Daarbij zijn in het gehuurde aanwezige goederen uit het gehuurde verwijderd en in het kader van zaakwaarneming in opslag gegeven bij een derde. De deurwaarder heeft u eerder al aangeboden om de goederen tegen betaling van de opslagkosten op te halen. Hierop bent u niet ingegaan. Daarmee komt de betrokkenheid van de deurwaarder ten einde.
Nu de goederen al geruime tijd zijn opgeslagen maar u kennelijk geen prijs meer stelt op afgifte van de opgeslagen goederen, althans u niet bereid bent de kosten van de opslag te dragen, zal cliënte ter voorkoming van verdere kosten de opgeslagen inboedel laten afvoeren om te worden vernietigd (...).”
4. De klacht
Klaagster klaagt, samengevat, over het volgende:
a. De executie van het vonnis is onrechtmatig aangezien klaagster vier maanden huur heeft betaald aan de verhuurster. De gerechtsdeurwaarder is voorafgaand aan de ontruiming over deze betaling geïnformeerd. Zonder rekening te houden met de betalingen heeft de ontruiming doorgang gevonden.
b. De gerechtsdeurwaarder heeft verzuimd de executie te schorsen of nader onderzoek te doen. De gerechtsdeurwaarder had de plicht om te controleren of er huurachterstand was. De gerechtsdeurwaarder handelt in strijd met zijn ambtseed door een verouderd vonnis te gebruiken.
c. De gerechtsdeurwaarder heeft de inboedel vastgehouden zonder wettelijke basis. Na de ontruiming is de inboedel opgeslagen in containers. De gerechtsdeurwaarder eist betaling van de ontruimingsfactuur voordat klaagster haar eigendommen terugkrijgt. Dit is onrechtmatig. Klaagster is hierdoor belemmerd in het terugkrijgen van haar bedrijfsmiddelen.
d. De ontruiming heeft geleid tot verlies van een overnamekandidaat en een misgelopen deal van € 400.000. Klaagster lijdt inkomensverlies en reputatieschade.
Uitbreiding van de klacht
Klaagster heeft niet eerder dan tijdens de mondelinge behandeling bij de kamer de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij bij de ontruiming geen inventarislijst heeft opgemaakt. In dit hoger beroep ligt slechts de klacht voor zoals die oorspronkelijk bij de kamer is ingediend. Tot die oorspronkelijke klacht behoort niet dit klachtonderdeel. Dat, aldus klaagster, tijdens de mondelinge behandeling bij de kamer wél over dit onderwerp is gesproken, maakt dit niet anders. Klaagster zal daarom in de uitbreiding van de oorspronkelijke klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster wat betreft de klachtonderdelen a, b en c gegrond verklaard. Klachtonderdeel d is ongegrond verklaard. Voor het gegrond verklaarde deel van de klacht heeft de kamer aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd alsmede een geldboete van € 500,-. Daarnaast heeft de kamer de gerechtsdeurwaarder veroordeeld tot betaling aan klaagster van een bedrag van € 50,- aan griffierecht en een bedrag van € 50,- aan proceskosten alsmede tot betaling van € 1.500,- in verband met de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Klachtonderdeel a: onrechtmatige executie van het vonnis.
Klaagster beklaagt zich erover dat ondanks de onder 3.3. genoemde betalingen, waarover de gerechtsdeurwaarder voorafgaand aan de ontruiming is geïnformeerd, de gerechtsdeurwaarder de ontruiming toch heeft laten doorgaan. De gerechtsdeurwaarder heeft hiertegen ingebracht dat er op het moment van ontruiming wel degelijk een huurachterstand bestond, zodat er wel een grond voor ontruiming was.
In hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat de kamer (vgl. rov. 4.2.) ten onrechte heeft geoordeeld dat klaagster erop had mogen vertrouwen dat er geen ontruiming zou plaatsvinden op grond van haar betalingen.
Het hof oordeelt als volgt. Uit het onder 3.1. genoemde vonnis van de kantonrechter blijkt dat de veroordeling tot de ontruiming van het bedrijfspand, anders dan de kamer heeft aangenomen, niet afhankelijk is gesteld van het nog bestaan van een huurachterstand. De ontruiming heeft plaatsgevonden op grond van de grosse van dit vonnis. Dit vonnis is zowel in de betekening van 25 oktober 2024 (vgl. 3.2) als in de aanzegging van 18 februari 2025 vermeld. Dat in de aanzegging abusievelijk staat vermeld dat in het vonnis de huurovereenkomst zou zijn ontbonden, maakt niet dat daarmee op een onjuiste grond is ontruimd. Deze aanzegging is bovendien niet door de gerechtsdeurwaarder opgesteld, zodat hij daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Klachtonderdeel b: verouderd vonnis.
Wat betreft het verwijt dat de gerechtsdeurwaarder de plicht had om te controleren of er een huurachterstand was, verwijst het hof naar hetgeen onder 5.3. is overwogen. Uit het vonnis blijkt dat klaagster is veroordeeld tot ontruiming van het pand ongeacht de vraag of de vordering volledig voldaan zou zijn op het moment van aanzeggen en/of ontruiming. Dat de gerechtsdeurwaarder geen (nader) onderzoek zou hebben gedaan naar de gestelde huurachterstand is het hof ook overigens niet gebleken. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de gerechtsdeurwaarder genoegzaam heeft voldaan aan de op hem rustende (marginale) onderzoeksplicht. Het verwijt dat de gerechtsdeurwaarder gebruik zou hebben gemaakt van een verouderd vonnis is evenmin gegrond. Tussen de datum van het vonnis en de ontruiming zit iets meer dan vier maanden. Gelet op de correspondentie tussen partijen, de tussentijdse betalingen en de verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de ontruiming heeft de gerechtsdeurwaarder ook na vier maanden gerechtvaardigd gebruik mogen maken van de ontruimingstitel. Klachtonderdeel b is ongegrond.
Klachtonderdeel c: vasthouden/vernietigen inboedel zonder wettelijke basis.
Klaagster stelt dat de gerechtsdeurwaarder haar heeft belemmerd in het terugkrijgen van haar bedrijfsmiddelen door eerst betaling te eisen van de ontruimingsfactuur. Dit is, aldus klaagster, onrechtmatig. In hoger beroep voert klaagster aan dat de gerechtsdeurwaarder zich tegenover klaagster heeft beroepen op meerdere en tegenstrijdige facturen die moesten worden betaald om vrijgave van de inboedel te bewerkstelligen.
De gerechtsdeurwaarder brengt naar voren dat in eerste instantie klaagster inderdaad onjuist is geïnformeerd over het bedrag dat door haar moest worden voldaan om de opgeslagen inboedel terug te krijgen. Ten onrechte waren, naast de kosten van de opslag van de inboedel, ook de kosten van de ontruiming zelf doorberekend, maar dat is vervolgens gecorrigeerd. Klaagster is vervolgens herhaaldelijk geïnformeerd over de daadwerkelijke kosten van de opslag die voldaan moesten worden om de inboedel vrij te krijgen. Dat klaagster er vervolgens voor heeft gekozen om hier niet meer op te reageren en ook niet te betalen kan de gerechtsdeurwaarder niet worden aangerekend. Het is uiteindelijk de opdrachtgeefster van de gerechtsdeurwaarder geweest die de beslissing heeft genomen om de inboedel te vernietigen. Klaagster is hierover op 27 juni 2025 door de advocaat van haar opdrachtgeefster geïnformeerd (zie 3.8).
Het hof is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. De stelling van klaagster dat de inboedel is vastgehouden zonder wettelijke basis is onjuist. De opdrachtgeefster van de gerechtsdeurwaarder was hiertoe gerechtigd op basis van haar retentierecht. Het verwijt dat de inboedel zou zijn vernietigd omdat (een collega van) de gerechtsdeurwaarder in eerste instantie een onjuist bedrag zou hebben doorgegeven voor het vrijgeven van de goederen is eveneens ongegrond. Niet valt in te zien waarom het retentierecht – in eerste instantie – niet ook mocht worden uitgeoefend om betaling te krijgen van de door de verhuurster gemaakte ontruimingskosten. Uit het onder 3.7. genoemde e-mailbericht blijkt dat de gerechtsdeurwaarder klaagster vervolgens op 27 mei 2025 heeft bericht over de termijn waarbinnen (uitsluitend) de (bijgestelde) opslagkosten moesten worden betaald om te voorkomen dat de inboedel zou worden vernietigd. Toen een reactie van klaagster op de onder 3.7. en 3.8. genoemde e-mailberichten uitbleef, is de inboedel van klaagster in opdracht van de executant op 3 juli 2025 vernietigd. De stelling van klaagster ter zitting in hoger beroep dat de inboedel al veel eerder, te weten op 3 juni 2025, zou zijn vernietigd is in het geheel niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt. Het hof passeert die stelling dan ook. Van enig onzorgvuldig handelen van de gerechtsdeurwaarder in dit verband is het hof niet gebleken.
Klachtonderdeel d: schade door onrechtmatig handelen.
Klaagster stelt schade te hebben geleden door de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder. Indien en voor zover klaagster beoogt daarmee een vordering tot schadevergoeding in te dienen dan dient zij zich tot de civiele rechter te wenden. In deze tuchtprocedure bestaat niet de mogelijkheid om aan klaagster een schadevergoeding toe te kennen, nog daargelaten dat het hof niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder op enige wijze onjuist heeft gehandeld.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder op alle onderdelen ongegrond is. Voor de in eerste aanleg opgelegde maatregelen en uitgesproken kostenveroordeling bestaat geen grond. Het hof zal de bestreden beslissing daarom vernietigen.
6. Beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing;
en, opnieuw beslissende:
- verklaart de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond;
- verklaart de in rechtsoverweging 4.2 weergegeven uitbreiding van de klacht niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, M.J.R. Brons en O.M. Jans en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 door de rolraadsheer.