ECLI:NL:GHAMS:2026:2410

ECLI:NL:GHAMS:2026:2410

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 26-08-2026
Zaaknummer 200.351.218
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verzekeringsrecht. CAR-verzekering. Tijdens graafwerk voor de ondergrondse parkeerkelder is grondwater de bouwput ingestroomd. Er zijn maatregelen getroffen om de bouwput weer droog te krijgen en tijdelijk droog te houden. Vraag of het instromende water heeft geleid tot materiële schade aan de bouwput, in de zin van de CAR-verzekering, en of er sprake was van herstelkosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team I (handel)

zaaknummer : 200.351.218/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/727701 / HA ZA 23-17

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 augustus 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] ,

gevestigd te [plaats 1] (België), met kantoor te Rotterdam,

2. [appellant 2],

gevestigd te [plaats 2] ,

appellantes,

advocaat: mr. M. Zwijnenberg te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] .,

gevestigd te [plaats 3] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.C. Bijleveld te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

In het kader van het realiseren van een appartementencomplex heeft [geïntimeerde] een CAR-verzekering afgesloten bij [appellanten] . Tijdens graafwerk voor de ondergrondse parkeerkelder is grondwater de bouwput ingestroomd. Er zijn maatregelen getroffen om de bouwput weer droog te krijgen en tijdelijk droog te houden. Partijen zijn het niet erover eens of het instromende water heeft geleid tot materiële schade aan de bouwput, in de zin van de CAR-verzekering, en of er sprake was van herstelkosten. De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de vordering alsnog af.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 10 februari 2025 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 6 december 2023 en 20 november 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellanten] als gedaagden.

Bij tussenarrest van 4 maart 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die niet heeft plaatsgevonden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven,

- memorie van antwoord met een productie.

Op 6 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

[geïntimeerde] ontwikkelt vastgoed. In 2018 is [geïntimeerde] gestart met het realiseren van een appartementencomplex gelegen aan [straat] te [plaats 4] . Het appartementencomplex bestaat uit een aantal bouwlagen en een ondergrondse parkeergarage. De hoofdaannemer was [bedrijf]

[geïntimeerde] heeft voor dit project een CAR-verzekering (‘Constructie All Risks’-verzekering) afgesloten bij [appellanten] . Op het polisblad van 2 juli 2018 staat onder meer:

Verzekerde bedragen

Sectie 1 - EUR 8.500.000,00

zijnde de geschatte eindwaarde van het Werk.

(…)

Omschrijving van het Werk

De bouw van een appartementencomplex met ondergrondse parkeergarage aan de

[straat] te [plaats 4] , inclusief alle bijkomende en bijbehorende

werkzaamheden.

Dekkingsgebied

zoals genoemd onder ‘Omschrijving van het Werk’.

(…)

Eigen risico(’s)

Sectie I, II en III

EUR 5.000,00 per gebeurtenis’

Op deze verzekering zijn de ‘CAR voorwaarden 2007 Aflopende verzekering’ (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing. Daarin staat onder meer het volgende:

‘SECTIE 1 – HET WERK

24. Verzekerde objecten

Het in de polis omschreven werk en indien een constructief onderdeel van het werk tevens het terrein of het water, waarop, waarin het werk moet worden uitgevoerd.

Alle bijkomende werken, meerwerk en wijzigingen al dan niet volgens bestek.

Alle voor het werk bestemde materialen, bouwstoffen en onderdelen, inclusief grond ongeacht van welke aard en soort. (...)

en alle andere objecten nodig voor de uitvoering van het werk (…).

(…)

25. Omvang van de dekking

De verzekering onder deze sectie dekt met terzijdestelling van het bepaalde in artikel 7:951 BW en andere wetsartikelen welke met de condities van deze polis in strijd mochten zijn, voor zover geen dwingend recht, alle materiële schade aan en/of verlies van de verzekerde objecten alsmede verontreiniging of het vuil worden - niet door bouwstof - van verzekerde objecten of het daarop of daarin bevinden van vreemde stoffen.

(…)

27. Schadevergoeding

[appellanten] vergoeden voor wat betreft deze sectie de kosten en/of uitgaven voor vervanging, reproductie en/of herstel van de beschadigde en/of verloren verzekerde objecten of delen daarvan, ongeacht de oorspronkelijke kosten en/of waarde van de betreffende objecten of delen daarvan tot een maximum van 130% van het in het polisblad genoemde verzekerde bedrag.’

[appellanten] dragen ieder 50% van het verzekerde risico.

Ten behoeve van het bouwen van de ondergrondse parkeergarage moest een bouwput worden uitgegraven. Daarvoor moesten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:

- het plaatsen van een damwand;

- het op diepte boren/schroeven van 115 funderingspalen;

- bemaling;

- ontgraven van de bouwput;

- realiseren van de betonconstructie.

Het plaatsen van de damwand en het boren/schroeven van de funderingspalen is uitgevoerd door Gebr. Van ’t Hek B.V.

Het grondwerk met het verlagen van de grondwaterstand is aangenomen door Sturm B.V. Sturm B.V. heeft Mos Grondwatertechniek B.V. opdracht gegeven voor het bemalen. Daarvoor heeft Loots Grondwatertechniek een bemalingsadvies opgesteld.

Vanaf oktober 2018, toen de bouwput al gedeeltelijk op diepte was afgegraven, is grondwater de bouwput ingelopen door opwaartse waterstromen rondom de funderingspalen.. Daardoor ontstonden wellen op de (zand)bodem van de bouwput.

[geïntimeerde] heeft onderzoek laten verrichten naar de wellen, extra personeel ingezet, kwelschermen laten plaatsen en extra lang de grond bemalen om de bouwput weer droog te krijgen. Daarna is de bouw hervat.

Op 20 maart 2019 heeft [geïntimeerde] de schade gemeld bij [appellanten] . [appellanten] hebben dekking onder de verzekering afgewezen.

Het appartementencomplex is op 3 juli 2020 opgeleverd.

4. Procedure bij de rechtbank

[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ieder van [appellanten] te veroordelen tot het vergoeden van 50% van haar schade en aldus ieder tot betaling van € 301.780,31, met wettelijke rente vanaf 20 maart 2019, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Bij tussenvonnis van 6 december 2023 heeft de rechtbank onder meer beslist dat er sprake was van materiële schade aan de bouwput, doordat de bodem daarvan tijdens het uitgraven is veranderd in nat zand of modder. Nadat partijen zich hadden uitgelaten over de omvang van herstelkosten voor het droogmaken van de bouwput, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 20 november 2024 ieder van [appellanten] veroordeeld om € 178.871,44 aan [geïntimeerde] te betalen, met de wettelijke handelsrente vanaf 20 maart 2019, en met de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten en tot betaling van € 3.563,71 aan buitengerechtelijke incassokosten.

5. Vordering in hoger beroep

[appellanten] vorderen het vernietigen van de bestreden vonnissen en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van de vonnissen aan [geïntimeerde] hebben voldaan en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proces- en nakosten, alles met wettelijke rente.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellanten] afwijzen en de bestreden vonnissen bekrachtigen (met uitzondering van de beslissing over de wettelijke handelsrente), met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep met nakosten en wettelijke rente. [geïntimeerde] erkent dat zij geen aanspraak heeft op de wettelijke handelsrente van art. 6:119a BW, en stelt dat partijen in onderling overleg het verschuldigde hebben afgewikkeld op basis van de wettelijke rente van art. 6:119 BW.

6. Beoordeling

Tussen partijen is niet in geschil dat de bouwput van het appartementencomplex valt onder het in de polis omschreven werk en daarmee een verzekerd object is in de zin van art. 24 van de polisvoorwaarden. Grief 1 bevat de kernvraag van deze procedure, namelijk of sprake was van materiële schade aan de bouwput, zoals bedoeld in art. 25 van de polisvoorwaarden. Is sprake van materiële schade, dan vergoeden [appellanten] volgens art. 27.1 van de polisvoorwaarden, voor zover hier van belang, de kosten en/of uitgaven voor herstel van het beschadigde verzekerde object of delen daarvan. Daarover gaat grief 2. Het hof behandelt deze grieven gezamenlijk.

Partijen gaan ervan uit dat er materiële schade (beschadiging) is bij ‘een objectieve aantasting van de stoffelijke structuur die naar verkeersopvattingen de stoffelijke gaafheid van de zaak kenmerkt’. Het hof stelt vast dat dit criterium overeenkomt met de algemeen aanvaarde betekenis van dit begrip in dekkingsgeschillen als het onderhavige. De schade betreft volgens [geïntimeerde] in dit geval het veranderen van de samenstelling (structuur) van de bodem van de bouwput door instromend (grond)water, namelijk van droog zand in nat zand of modder. De rechtbank heeft dit standpunt overgenomen.

Voor het realiseren van de ondergrondse parkeergarage moest een bouwput worden ontgraven. Bij het ontgraven was bemaling nodig om de grondwaterstand tijdelijk te verlagen en op die wijze de bouwput droog te maken en tijdelijk droog te houden. Toen de bouwput voor ongeveer een derde op diepte was, is grondwater omhoog gekomen en de bouwput ingestroomd, waardoor het zand van de bodem nat is geworden. Het enkele nat worden van het zand en de noodzaak maatregelen te nemen om de bodem weer droog te maken, is echter naar het oordeel van het hof onvoldoende om te spreken van materiële schade aan de bodem van de bouwput, ook als het zand nat is geworden doordat water van onderaf de bouwput is ingestroomd. Er is daarmee (nog) geen objectieve aantasting van de stoffelijke structuur van de bouwput. Dit wil overigens niet zeggen dat (de bodem van) een bouwput nooit zou kunnen worden beschadigd. Echter, zelfs als zou worden aangenomen dat de bouwput wel is beschadigd, leidt dat niet tot een aanspraak op vergoeding van de gestelde kosten. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Om te beoordelen of [appellanten] onder de verzekering verplicht zijn om schade te vergoeden, acht het hof in dit geval het volgende van belang. Bij materiële schade aan de (bodem van de) bouwput, komen volgens art. 27.1 van de polisvoorwaarden alleen de kosten van herstel voor vergoeding in aanmerking. Het gaat dan om het terugbrengen van de deels ontgraven bouwput in de oude toestand. Van herstel van schade is geen sprake als het gaat om maatregelen die vanwege de toestand ter plaatse, waaronder de bodemgesteldheid, voor het deugdelijk uitvoeren van het werk hoe dan ook hadden moeten worden genomen om de bouwput droog te maken en tijdelijk droog te houden voor het storten van de betonnen kelderbak.

In dit geval is water uit een onderlaag in de bodem langs de funderingspalen naar boven gekomen en de deels ontgraven bouwput ingestroomd. Na onderzoek zijn daarvoor twee mogelijke oorzaken naar voren gekomen (zie onder meer het rapport van Vanderwal & Joosten B.V. p. 9-11, prod. 3 bij dagvaarding). Een mogelijke oorzaak is een hydraulische grondbreuk door waterdruk onder de waterafsluitende grondlaag in combinatie met het ontgraven van de laag daarboven. Een andere mogelijke oorzaak is het ontstaan van een opwaartse waterstroom tijdens het boren van de funderingspalen, als gevolg waarvan het nog niet uitgeharde grout langs de palen gedeeltelijk is weggespoeld (‘piping’). De mogelijke oorzaken houden verband met de bodemgesteldheid ter plaatse. Kennelijk waren vanwege de bodemgesteldheid ter plaatse de aanvankelijk genomen maatregelen om de bouwput tijdelijk droog te houden niet toereikend. Voor het deugdelijk uitvoeren van het werk in deze bodem waren aanvullende maatregelen nodig. Deze maatregelen waren (met name) het plaatsen van kwelschermen en extra bemaling, dat wil zeggen méér bemaling dan aanvankelijk was voorzien. De maatregelen hoorden dus, gelet op de toestand van de bodem ter plaatse, tot het deugdelijk uitvoeren van het werk en kunnen niet worden aangemerkt als herstel van schade aan het werk. Ook het onderzoek dat (alsnog) moest worden gedaan om vast te stellen welke maatregelen nodig waren, moet hiertoe worden gerekend. Het is niet relevant of uit eerder onderzoek de noodzaak voor het nemen van deze aanvullende maatregelen (nog) niet was gebleken en [geïntimeerde] op grond daarvan geen rekening hield met het nemen van deze maatregelen.

In het verlengde hiervan ligt dat zonder deze noodzakelijke maatregelen er nog geen bouwput tot stand was gebracht die naar verkeersopvattingen gaaf was en voldeed aan de daaraan te stellen eisen, en die beschadigd kon raken en moest worden hersteld.

Dat er daarnaast ook maatregelen, zoals extra bemaling, moesten worden genomen die verder gingen dan nodig was voor het deugdelijk uitvoeren van het werk, kan uit de stellingen van [geïntimeerde] en de overgelegde documentatie niet worden afgeleid.

Op het voorgaande strandt ook de subsidiair aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling van [geïntimeerde] dat de kosten als bereddingskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Die beredding hield volgens [geïntimeerde] immers in dat zij een (kostenefficiënte) oplossing diende te vinden en toe te passen voor het instromende water om te voorkomen dat de bouwput verder vol zou lopen met water. Zoals hiervoor is overwogen, betreft het hier maatregelen die nodig waren om het werk deugdelijk te kunnen uitvoeren. De daarmee gepaard gaande kosten komen niet als bereddingskosten voor vergoeding in aanmerking.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [geïntimeerde] niet toewijsbaar zijn.

De grieven 1 en 2 slagen in zoverre en hoeven niet verder te worden besproken.

De grieven 3 en 4 zijn gericht tegen het toewijzen van wettelijke (handels)rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In aanmerking genomen dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog moeten worden afgewezen, is er geen plaats voor het toewijzen van rente en kosten. Het hof hoeft hof deze grieven dus niet verder te behandelen.

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van concrete feiten of omstandigheden die tot een andere uitkomst van deze procedure kunnen leiden. Het hof gaat daarom aan hun bewijsaanbod voorbij.

Het hof zal de bestreden vonnissen vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Dit brengt mee dat de vordering van [appellanten] tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan [geïntimeerde] hebben betaald, toewijsbaar is, met wettelijke rente.

[geïntimeerde] is in het ongelijk gesteld en wordt om die reden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt deze kosten tot heden aan de zijde van [appellanten] als volgt vast:

eerste aanleg

- griffierecht € 5.737,00

- salaris advocaat € 10.506,00 (tarief VII, 3 punten)

hoger beroep

- explootkosten € 119,40

- griffierecht € 6.803,00

- salaris advocaat € 9.414,00 (tarief VI, 2 punten)

totaal € 32.579,40

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, tot nu vastgesteld op € 32.579,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, W.J.J. Los en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand