GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.382/01 en 200.353.657/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/740499/ HA ZA 23-915
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026
in zaak 200.350.382/01 van
1. [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
3. [appellant 3],
alle gevestigd te [plaats 1] , Kaaimaneilanden,
appellanten,
advocaat: mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,
2. [geïntimeerde 2],
gevestigd te [plaats 3] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.
en
in zaak 200.353.657/01 van
1. [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
3. [appellant 3],
alle gevestigd te [plaats 1] , Kaaimaneilanden,
appellanten,
advocaat: mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 3] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.J. Haasjes te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde 1] heeft in 2004 eeuwigdurende obligaties uitgegeven. In de uitgiftevoorwaarden staat dat de rente wordt berekend aan de hand van de [naam] -referentierente. [naam] is per 1 juli 2023 beëindigd. [geïntimeerde 1] heeft, in het zicht van die beëindiging, geprobeerd de uitgiftevoorwaarden op dit punt met instemming van de obligatiehouders te wijzigen en de verwijzing naar [naam] te vervangen door een andere referentierente. Dat is niet gelukt. Om te voorkomen dat in het geheel geen rente meer zou worden betaald heeft [geïntimeerde 2] , als trustee, sindsdien de rente vastgesteld op basis van een andere referentierente dan in de uitgiftevoorwaarden staat. [geïntimeerde 2] acht zich daartoe op grond van de uitgiftevoorwaarden ook bevoegd. [appellanten] komen hier als obligatiehouders tegen op. Zij vinden dat [geïntimeerde 2] daarmee in essentie de uitgiftevoorwaarden heeft gewijzigd. Dit soort wijzigingen mag volgens hen alleen plaatsvinden met instemming van de obligatiehouders. [appellanten] willen dan ook dat [geïntimeerde 1] een nieuw wijzigingstraject start. Zij vorderen onder meer dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] de rente niet op deze manier mogen vaststellen. De rechtbank heeft [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tegen [geïntimeerde 1] , en de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] afgewezen. Het hof bekrachtigt deze vonnissen.
2. Het geding in hoger beroep
In zaak 200.350.382/01 zijn [appellanten] bij dagvaardingen van 17 december 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 september 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] (als eiseressen in de hoofdzaak en ter zake van provisionele vorderingen (die thans geen rol meer spelen), en als verweersters in incident) en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] (als gedaagden in de hoofdzaak en ter zake van de provisionele vorderingen, en als eiseressen in incident).
[geïntimeerde 1] heeft vervolgens een anticipatie-exploot uitgebracht.
Bij tussenarrest van 11 februari 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die niet heeft plaatsgevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 21 t/m 24;
- memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] ;
- memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] .
In zaak 200.353.657/01 zijn [appellanten] bij dagvaarding van 7 april 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 8 januari 2025 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseressen in de hoofdzaak en [geïntimeerde 2] als gedaagde in de hoofdzaak.
De vonnissen van 18 september 2024 en van 8 januari 2025 worden hierna de bestreden vonnissen genoemd.
[geïntimeerde 2] heeft vervolgens anticipatie-exploten uitgebracht.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 21 t/m 24;
- memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] .
Beide zaken zijn op de rol gevoegd.
Op 3 juni 2026 heeft in beide zaken een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Voorafgaand aan de zitting hebben [appellanten] producties 25 t/m 27 toegezonden. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben tegen overlegging daarvan bezwaar gemaakt. Het hof heeft bepaald dat producties 25 en 27 tijdig zijn ingediend en tot het procesdossier behoren nu van strijd met de goede procesorde niet is gebleken, en dat productie 26 wegens strijd met de goede procesorde niet wordt toegelaten omdat dit een verkapte conclusie is.
Ter zitting hebben de advocaten de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Namens [appellanten] is daarbij tevens een powerpointpresentatie gebruikt en een afschrift daarvan overgelegd. Het bezwaar van [geïntimeerde 2] tegen gebruik van een powerpointpresentatie heeft het hof voorafgaand aan de zitting verworpen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben ter zitting bezwaar gemaakt tegen slides 13 en 14 van deze powerpointpresentatie. Wat betreft slide 13 wordt dit bezwaar verworpen, aangezien deze slide slechts een uitvergroting bevat van de afbeelding in productie 27 met toelichtende tekst. Slide 14 bevat een afbeelding die nog geen deel uitmaakte van het procesdossier. Dat is in strijd met de uitdrukkelijk instructie van het hof voorafgaand aan de zitting, zodat deze slide buiten beschouwing wordt gelaten.
Ten slotte is in beide zaken arrest gevraagd.
3. Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 t/m 2.14 van het vonnis van 18 september 2024 de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Deze zijn in hoger beroep niet bestreden. Aangevuld met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan, luiden deze feiten als volgt.
[appellanten] zijn private beleggingsfondsen die voornamelijk op obligatiemarkten beleggen. De beheerder van deze fondsen is [bedrijf] .
[geïntimeerde 1] is een financiële instelling die levensverzekeringen, vermogensbeheerproducten en pensioenen aanbiedt. Op 15 juli 2004 en 15 oktober 2004 heeft [geïntimeerde 1] als Issuer voor in totaal EUR 950.000.000 en USD 500.000.000 aan eeuwigdurende obligaties uitgegeven (de in USD gedenomineerde obligaties worden hierna aangeduid als: de obligaties). De obligaties zijn genoteerd op de beurs van Euronext Amsterdam en hebben geen vaste vervaldatum. Op de obligaties wordt ieder kwartaal een couponrente in USD betaald (USD Coupon Rate) (hierna: de rente).
Op de obligaties is het prospectus van 13 juli 2004, aangevuld met het prospectus van 13 oktober 2004, (hierna: het Prospectus), van toepassing. Onderdeel van het Prospectus zijn de voorwaarden waaronder de obligaties zijn uitgegeven (hierna: de Voorwaarden). In de Voorwaarden staat, onder meer:
“5. Coupon Payments
( a) Coupon Payment Dates
The Securities bear interest from (and including) the Issue Date. Such interest will (subject to Conditions 2(b)(i), 2(b)(ii), 4(a), 4(b), 4(c), 6(d) and 6(e)) be payable quarterly in arrear on each Coupon Payment Date. (…)
(…)
( c) USD Coupon Rate
The USD Coupon Rate payable from time to time in respect of the Securities will be determined on the basis of the following provisions:
( i) The USD Coupon Rate payable from time to time in respect of the USD Capital Securities will be determined on each USD Interest Determination Date for the next succeeding Coupon Period and shall be USD CMS-10 year plus 0.1 per cent.
(ii) “USD-CMS-10 year” means that the rate for a Reset Date will be the arithmetic mean of the bid and offered swap rate quotations published on the Telerate Page 42276 under the heading “RATES AS AT 11:00 EST (16:00 GMT)”, for a designated maturity of ten years as of 11:00 a.m., New York City time, on the USD Interest Determination Date. If such rate does not appear on the Telerate Page 42276, the rate for that Reset Date will be a percentage determined on the basis of the mid-market semi-annual swap rate quotations provided by the Reference Banks at approximately 11:00 a.m., New York City time, on the USD Interest Determination Date and, for this purpose, the semi-annual swap rate means the mean of the bid and offered rates for the semi-annual fixed leg, calculated on a 30/360 day count basis, of a fixed-for-floating U.S. Dollar interest rate swap transaction with a term equal to the designated maturity of ten years commencing on that Reset Date and in a representative amount with an acknowledged dealer of good credit in the swap market, where the floating leg, calculated on an actual/360 day count basis, is equivalent to USD- [naam] -BBA with a designated maturity of three months. The Calculation Agent will request the principal New York City office of each of the Reference Banks to provide a quotation of the relevant Reference Bank’s rate. If at least three quotations are provided, the rate for that Reset Date will be the arithmetic mean of the quotations, eliminating the highest quotation (or, in the event of equality, one of the highest) and the lowest quotation (or, in the event of equality, one of the lowest). The Reference Banks will be selected by the Calculation Agent and will be five leading swap dealers in the New York City inter-bank market.
(…).
( d) Determination and Publication of Coupon Rate and Coupon Amounts
The Calculation Agent will, upon the determination of each Coupon Rate pursuant to Condition 5(b) and 5(c), calculate the Coupon Amount and cause the Coupon Rate and each Coupon Amount payable in respect of a Coupon Period to be notified to the Trustee, the Issuer, the Principal Paying Agent, Euronext Amsterdam N.V., and the Holders and to be published on the website of the Issuer as soon as possible after their determination but in no event later than the fourth Business Day thereafter.
The amount of interest payable for any period will be computed on the basis of a 360-day year of twelve 30-day months. The rate at which interest will be payable for each full Coupon Period will be computed by dividing the relevant Coupon Rate by four.
( e) Determination or Calculation by Trustee
If the Calculation Agent does not at any time for any reason (i) determine the Coupon Rate in accordance with Conditions 5(b) and/or 5(c) or (ii) calculate a Coupon Amount in accordance with Condition 5(d), the Trustee or an agent on its behalf shall do so and such determination or calculation shall be deemed to have been made by the Calculation Agent. In doing so, the Trustee or such agent shall apply the foregoing provisions of this Condition, with any necessary consequential amendments, to the extent that, in its opinion, it or such agent can do so, and in all other respects it or such agent shall do so in such manner as it shall deem fair and reasonable in all the circumstances. All determinations or calculations made or obtained for the purposes of the provisions of this Condition 5(e) by or on behalf of the Trustee, shall (in the absence of wilful default, bad faith or manifest error) be binding on the Issuer, the Calculation Agent, the Paying Agents and all Holders and (in the absence of wilful default or bad faith) no liability to the Issuer, the Holders shall attach to the Trustee in connection with the exercise or non-exercise by it of its powers, duties and discretions pursuant to such provisions.
(…)
9. Non-Payment when Due
(…)
( b) Subject as provided in Condition 9, the Trustee may at its discretion and without further notice institute such proceedings against the Issuer as it may think fit to enforce any term or condition binding on the Issuer under the Trust Deed, the Securities (other than for the payment of any principal or satisfaction of any Payments in respect of the Securities, including any payment under clause 2.6 of the Trust Deed) provided that the Issuer shall not by virtue of the institution of any such proceedings be obliged to pay any sum or sums, in cash or otherwise, sooner than the same would otherwise have been payable by it.
( c) The Trustee shall not be bound to take any of the actions referred to in paragraph (a) or (b) above against the Issuer to enforce the terms of the Trust Deed or the Securities unless (i) it shall have been so requested by an Extraordinary Resolution or in writing by the holders of at least one-fifth in principal amount of the Securities then outstanding and (ii) it shall have been indemnified to its satisfaction.
( d) No Holder shall be entitled to proceed directly against the Issuer, or to institute proceedings for the winding-up (faillissementsprocedure) of the Issuer or to prove in such winding-up unless the Trustee, having become so bound to proceed or being able to prove in such winding-up, fails to do so within a reasonable period and such failure shall be continuing, in which case the Holder shall have only such rights against the Issuer as those which the Trustee is entitled to exercise. No remedy against the Issuer shall be available to the Trustee or any Holder (i) for the recovery of amounts owing in respect of the Securities (including any payment under clause 2.6 of the Trust Deed), other than the institution of proceedings in the Netherlands (but not elsewhere) for the winding-up (faillissement) of the Issuer and/or proving in such winding-up (faillissement) and (ii) for the breach of any other term under the Trust Deed, the Securities other than as provided in paragraph (b) above.
(…)
18. Governing Law and Jurisdiction
( a) The Trust deed and the Securities, are governed by, and shall be construed in accordance with, the laws of the Netherlands.
( b) The Courts of the Netherlands are to have exclusive jurisdiction to settle any disputes which may arise out of or in connection with the Trust Deed and the Securities (…)”
[geïntimeerde 2] is een trustkantoor. Zij is op grond van een op 15 juli 2004 met [geïntimeerde 1] gesloten trustakte, aangepast en aangevuld op 13 oktober 2004 (hierna: de Trustakte), benoemd als Trustee. [geïntimeerde 2] treedt in die hoedanigheid op als de behartiger van de belangen van de houders van de obligaties (hierna: de obligatiehouders). In de Trustakte staat, onder meer:
“ARTICLE 3. COVENANT TO OBSERVE TERMS.
Covenant to perform and observe provisions of this Trust Deed.
The Issuer covenants with the Trustee that it will comply with and perform and observe all the terms of this Trust Deed which are expressed to be binding on it. The Conditions shall be binding on the Issuer, the Trustee and the Holders to the extent applicable and all persons claiming through or under any of the same. The Trustee shall itself be entitled to enforce against the Issuer the terms of this Trust Deed and the Securities as if the same were set out and contained in this Trust Deed which shall be read and construed as one document with the Securities.
(…)
ARTICLE 10. WAIVER AND PROOF OF DEFAULT.
(…)
Proceedings.
The Trustee shall not be bound to take any proceedings against the Issuer to enforce the terms of this Trust Deed or the Securities unless (a) it shall have been so directed by an Extraordinary Resolution of the Holders and (b) it shall have been indemnified to its satisfaction. Save as otherwise provided in this Trust Deed, only the Trustee may pursue the remedies available under the general law or under the provisions of this Trust Deed or the Securities to enforce the rights of Holders. No Holder shall be entitled to take proceedings directly against the Issuer to enforce performance of any of the provisions of this Trust Deed or the Securities unless the Trustee, having become bound to take proceedings, fails to do so within a reasonable time and such failure shall be continuing in which case the Holder shall have only such rights against the Issuer as those which the Trustee is entitled to exercise. No remedy against the Issuer shall be available to the Trustee or any Holder (i) for the recovery of amounts owing in respect of the Securities (including any payment under Article 2.6), other than the institution of proceedings in the Netherlands (but not elsewhere) for the winding-up (‘faillissement’) of the Issuer and/or proving in such winding up and (ii) for the breach of any other term under this Trust Deed or the Securities, other than as provided in Condition 9(b). The provisions of this article 0 are without prejudice to the provisions of Article 5.
(…)
ARTICLE 12. MODIFICATION AND SUBSTITUTION.
General.
The Trustee may from time to time and at any time without the consent of the Holders concur with the Issuer in making:
( a) any modification to the Conditions or this Trust Deed which in its opinion is not materially prejudicial to the interests of the Holders; or
( b) any modification to the Securities relating thereto or this Trust Deed which is of a formal, minor or technical nature or is made to correct a manifest error.
(…)
ARTICLE 16. PROVISIONS FOR MEETINGS OF HOLDERS.
Convening Meetings/Notices.
(…)
( b) The Trustee is obliged to hold a meeting of Holders on receipt of a written request to that effect from:
( i) the Issuer;
(ii) the Holders of at least fifteen per cent (15%) of the total principal amount of Securities for the time being outstanding who prove their capacity in a way satisfactory to the Trustee.
(…)
Voting/Extraordinary Resolutions.
(…)
( d) Except as otherwise provided in this Trust Deed, at the meetings of Holders all matters shall be decided by an absolute majority of the validly cast votes and in case the votes are equally divided the proposal shall be deemed to be rejected. The expression “Extraordinary Resolution” where used in this document means a resolution passed at a duly convened meeting of Holders, held in accordance with the provisions herein contained, where at least seventy-five per cent (75%) of the principal amount Outstanding of the Securities for the time being outstanding are represented; and at such meeting an Extraordinary Resolution is adopted with not less than a seventy-five per cent (75%) majority of the validly cast votes. The quorum required for an Extraordinary Resolution including the sanctioning of a Basic Terms change shall be at least seventy-five per cent (75%) of the amount of the principal amount outstanding of the Securities and the majority required shall be at least seventy-five per cent (75%) of the validly cast votes at that Extraordinary Resolution. If at such meeting the aforesaid quorum is not represented, a second meeting of the Holders will be held within one month, with due observance of the same formalities for convening the meeting which governed the convening of the first meeting; at such second meeting an Extraordinary Resolution is adopted with not less than a seventy-five per cent (75%) majority of the validly cast votes and for an Extraordinary Resolution including a sanctioning of a Basic Terms change (as defined in Article l6(2)(e)), the majority required shall be seventy-five per cent (75%) of the validly cast votes, regardless of the principal amount outstanding of the Securities then represented (…).
( e) Any consent of the Holders to a change to the conditions (which shall however not be required in the cases referred to in Article 12.l) can be given only by an Extraordinary Resolution, provided, however, that no change of certain terms by the Holders including the date of maturity of the Securities, the payment dates or a change which would have the effect of postponing any day for payment of interest in respect of the Securities, reducing or cancelling the amount of principal payable in respect of the securities or the rate of interest applicable in respect of the securities or altering the majority required to pass an Extraordinary Resolution or any alteration of the date of priority of redemption of the Securities (any such change in respect of any such securities being referred to below as a “Basic Terms Change”) shall be effective except that, if the Trustee is of the opinion that such a Basic Terms Change is being proposed by the Issuer as a result of, or in order to avoid, a default as referred to in Condition 9(a), such Basic Terms Change may be sanctioned by an Extraordinary Resolution of the Holders. (...)”
Voor het uitvoeren van berekeningen en waarderingen met betrekking tot de obligaties, waaronder de berekening van de rente op grond van de hiervoor opgenomen Voorwaarde 5, is ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) aangesteld als Calculation Agent.
De in Voorwaarde 5(c)(ii) genoemde ‘Telerate Page 42276’ is op 21 juli 2016 beëindigd.
In oktober 2016 hebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en ABN AMRO besloten om de in Voorwaarde 5(c)(ii) genoemde ‘USD-CMS-10 year’ in de toekomst vast te stellen aan de hand van de ‘10 years ICE USD swap rate’.
De Britse financiële toezichthouder FCA maakte in juli 2017 de beëindiging van de [naam] -referentierente per eind 2021 bekend. Die termijn is op enig moment met anderhalf jaar verlengd. Sinds 1 juli 2023 is de [naam] -referentierente afgeschaft.
Op 4 april 2023 bracht [geïntimeerde 1] een persbericht uit, getiteld “ announces consent solicitation to amend coupon calculation on USD Perpetual Capital Securities”. In het persbericht staat, onder meer:
“ [geïntimeerde 1] ( [geïntimeerde 1] ) announces the invitation to the eligible holders of its outstanding USD 500,000,000 Perpetual Capital Securities (…) (the Securities) to consent to the modification of the terms and conditions of the Securities. The terms of the Securities feature a coupon rate that is calculated using a [naam] -referencing swap rate, which is expected to be discontinued from June 30, 2023. The Alternative Reference Rates Committee (ARRC) has issued a recommendation for the substitution of [naam] -referencing swap rates with Secured Overnight Financing Rate (SOFR) -referencing swap rates. [geïntimeerde 1] is proposing a simplified variation to the ARRC recommendation, which essentially comprises two elements. A substitution of the references to “USD CMS-10 year” (the 10-year USD [naam] Ice Swap Rate (ISR) in the interest provisions of the Securities by “10-year SOFR ISR” and a fixed spread adjustment to compensate holders for certain differences between the two swap rates. In addition, updated fallback provisions will be included to cater for any future discontinuation of the SOFR ISR.
The consent solicitation is subject to the terms and conditions contained in the consent solicitation memorandum dated April 4, 2023. (…)
Rationale for the consent solicitation
The Securities feature a quarterly floating rate coupon equal to the 10-year USD [naam] ISR plus 0.1 per cent., subject to an 8.5 per cent. maximum. This [naam] -referencing swap rate is widely expected to cease to be published by any administrator and/or will no longer be representative immediately after June 30, 2023 (cessation). The terms
of the Securities do not provide for a fallback that can be used to determine the floating rate coupon post-cessation. To avoid a situation where no coupon rate can be established and no coupon can be paid, [geïntimeerde 1] has chosen to launch a consent solicitation in order to amend the floating rate coupon calculation.
(…)”
Het Consent Solicitation Memorandum van 4 april 2023 (hierna: CSM) bevat onder meer het volgende:
“Proposed Amendments and Rationale
(…)
The Conditions provide that in the event that USD CMS-10 year is not published on the determination date in relation to a Coupon Period, the Calculation Agent would be required under the “fallback provisions” in the current Conditions, to first obtain 10-year swap rate quotations from leading swap dealers in the interbank market in order to determine a reference rate on this basis. If such quotations cannot be obtained in the interbank market, the Conditions refer to the Trustee or an agent on its behalf to make any necessary amendments, to the extent that, in its opinion, it or such agent can do so, and in all other respects it or such agent shall do so in such manner as it shall deem fair and reasonable in all circumstances.
In accordance with the market standards at the time of issuance, the current Conditions of the Securities do not provide for a contractual mechanism to completely replace or substitute the applicable reference rate for purposes of calculating the applicable rate of interest after the first call date following a benchmark transition event.
(…)
In essence, the Issuer is seeking the consent of the Holders to amend the Conditions to replace the USD CMS-10 year as reference rate used for calculation of the applicable rate of interest for every future Coupon Period with the 10-year SOFR ISR, including the appropriate adjustment rate.
(…)
Finally, the Issuer is proposing to include additional provisions in the Conditions to provide for a “fallback” mechanism and a reference rate replacement mechanism in case the new reference rate (i.e. the SOFR ISR) should become temporarily or permanently unavailable for purposes of calculating the applicable rate of interest of the Securities for any Coupon Period.
(…)”
Op 21 april 2023 is een vergadering van obligatiehouders gehouden waarop de in het persbericht aangekondigde wijziging van de Voorwaarden ter instemming is voorgelegd. Op die vergadering was het (voor instemming) benodigde quorum van obligatiehouders niet aanwezig; meer dan de helft van de obligatiehouders is niet verschenen. Circa 41% van de aanwezige obligatiehouders, onder wie [appellanten] , hebben tegengestemd. [geïntimeerde 1] heeft nadien geen nieuwe vergadering van obligatiehouders bijeen laten roepen. [geïntimeerde 1] heeft op 21 april 2023 een persbericht uitgebracht. Daarin staat onder meer:
“(…)
Pursuant to its sole discretion in accordance with the terms and conditions set out in the consent solicitation memorandum, [geïntimeerde 1] has decided to terminate the consent solicitation with immediate effect.
As previously indicated, [geïntimeerde 1] has considered exercising the call option available in the terms and conditions of the Securities, and has concluded that this would not be in the economic interest of the company.
[geïntimeerde 1] is considering appropriate next steps to avoid a situation where no coupon rate can be established and no coupon can be paid, as the [naam] -referencing swap rate is widely expected to cease to be published by any administrator and/or will no longer be representative immediately after June 30, 2023.”
Op 16 juni 2023 bracht [geïntimeerde 1] een persbericht uit met de titel “ provides update on coupon calculation for Perpetual Capital Securities.” In dat persbericht staat, onder meer:
“ [geïntimeerde 1] ( [geïntimeerde 1] ) today announces that the calculation agent and the trustee have confirmed their intention to operate according to the provisions described in clause 5(c) and 5(e) of the terms and conditions of the USD Perpetual Capital Securities ( [isin] ) (the Securities) to determine the coupon rate on the next interest determination date, on or around July 13, 2023.
To the extent that the calculation agent is unable to procure quotes from swap dealers as required pursuant to the terms and conditions of the Securities, the trustee has confirmed its intention to determine, or suggest a methodology to calculate, the coupon rate in such manner as it shall deem fair and reasonable subject to and in accordance with Condition 5(e).
The coupon rate and the coupon amount calculated by the calculation agent or the trustee will be communicated by [geïntimeerde 1] in due course. [geïntimeerde 1] expects that for the determination dates that come after July 13, 2023, the calculation agent will apply the same calculation methodology as determined by the trustee on or around July 13, 2023.”
[appellanten] hebben bij brieven van 23 juni 2023 en 12 juli 2023 aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bezwaar gemaakt tegen het voornemen van [geïntimeerde 2] om de rente vast te stellen op grond van Voorwaarde 5(e).
Op 17 juli 2023 bracht [geïntimeerde 1] een persbericht uit met de titel “ announces determination of the coupon rate for Perpetual Capital Securities”. In dat persbericht valt, onder meer, te lezen:
“ [geïntimeerde 1] today announces that a coupon rate of 3.93894% has been determined for the USD Perpetual Capital Securities ( [isin] ) (the Securities). The coupon rate, which was determined in accordance with the provisions described in conditions 5(c) and 5(e) of the terms and conditions of the Securities, will be applicable to the coupon period that begins on July 15, 2023 and ends on October 15, 2023.”
Nadien is steeds op dezelfde manier door [geïntimeerde 2] de rente per drie maanden vastgesteld.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellanten] hebben gevorderd, samengevat en voor zover relevant in hoger beroep, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] niet met toepassing van Voorwaarde 5(e) de methodiek voor de berekening of de hoogte van de rente kan aanpassen voor zover dit verband houdt met de beëindiging van [naam] , en [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding.
De rechtbank heeft [appellanten] in het vonnis van 18 september 2024 niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tegen [geïntimeerde 1] , met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. Bij vonnis van 8 januari 2025 heeft de rechtbank de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
5. Vorderingen in hoger beroep
[appellanten] vorderen in beide zaken vernietiging van de bestreden vonnissen en dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat de eenzijdig doorgevoerde permanente wijziging van de rentevaststellingsmethode in strijd is met de uitgiftevoorwaarden,
2. [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] gebiedt de situatie te staken waarin [geïntimeerde 2] de gewijzigde methode voor de vaststelling van de rente toepast,
3. voor recht verklaart dat de [geïntimeerde 2] een tegenstrijdig belang zou hebben bij een procedure tegen [geïntimeerde 1] betreffende de door haarzelf doorgevoerde wijziging van de rentevaststellingsmethode en
4. [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] veroordeelt tot vergoeding van de door [appellanten] geleden schade, vermeerderd met wettelijke rente, nader op te maken bij staat,
5. met veroordeling van [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
[geïntimeerde 1] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis van 18 september 2024, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het geding met rente.
[geïntimeerde 2] concludeert tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het geding met rente, met begroting van de nakosten.
6. Beoordeling
Gelet op het bepaalde in Voorwaarden 18(a) en 18(b) is de Nederlandse rechter bevoegd en is Nederlands recht van toepassing op de vorderingen van [appellanten]
Ontvankelijkheid jegens [geïntimeerde 1]
Zoals de rechtbank in 4.14 en 4.15 van het vonnis van 18 september 2024 heeft overwogen, kan op grond van de No Action Clause vervat in Voorwaarde 9(d) en artikel 10.3 van de Trustakte alleen [geïntimeerde 2] vorderingen instellen tegen [geïntimeerde 1] om rechten van de obligatiehouders waaronder [appellanten] af te dwingen; aan de voorwaarden voor uitzondering op deze regel zoals opgenomen in die bepalingen is niet voldaan. [appellanten] hebben dit niet bestreden. Zij betogen, met grieven 4 en 5, dat het beroep van [geïntimeerde 1] op de No Action Clause naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Volgens [appellanten] moet de No Action Clause zo geïnterpreteerd worden dat deze, al dan niet naar analogie met Amerikaans recht, geen werking vindt indien de trustee een tegenstrijdig belang heeft bij de te voeren procedure tegen de uitgevende instelling. Bij de te voeren procedure gaat het in dit geval om de vorderingen die [appellanten] tegen [geïntimeerde 1] hebben ingesteld en die ertoe strekken dat [geïntimeerde 1] de wijze waarop de rente momenteel wordt vastgesteld, staakt en de schade vergoedt die [appellanten] als gevolg daarvan lijden. Grief 6 borduurt voort op de grieven 4 en 5 en het daarin aan de orde gestelde vermeende tegenstrijdig belang en komt op tegen de overweging van de rechtbank (4.22) dat in dat geval voor obligatiehouders de weg openstaat van ontslag van de Trustee. Grief 7 is, blijkens de toelichting daarop, gericht tegen de overweging van de rechtbank dat er onvoldoende steun is onder de obligatiehouders voor het aanspreken van [geïntimeerde 1] door [geïntimeerde 2] , en dat de bedoeling van de No Action Clause is dat bepaalde rechten niet kunnen worden afgedwongen door slechts een minderheid van de obligatiehouders (4.23). Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Het hof overweegt dat de No Action Clause uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid dat een obligatiehouder rechtstreeks procedeert tegen de uitgevende instelling, en dat deze mogelijkheid is beperkt tot het geval waarin de trustee geen gehoor geeft aan de opdracht van de obligatiehouders om tegen de uitgevende instelling te procederen. Bij een dergelijke opdracht kunnen de obligatiehouders waarborgen dat in de procedure alles wat dienstig is aan hun zaak ten volle naar voren wordt gebracht, bijvoorbeeld door te bepalen dat door (een vertegenwoordiging van) de obligatiehouders wordt meebeslist over instructies aan de advocaat van de trustee. Het feit dat in een dergelijke procedure mogelijk een standpunt wordt ingenomen over de rechtmatigheid van de handelwijze met betrekking tot de rentevaststelling dat zich niet verdraagt met het standpunt van [geïntimeerde 2] in deze zaak is daarom niet zonder meer voldoende voor het aannemen van een tegenstrijdig belang van [geïntimeerde 2] waardoor van [appellanten] redelijkerwijs niet zou kunnen worden verlangd dat zij, conform de No Action Clause, het procederen tegen [geïntimeerde 1] overlaten aan [geïntimeerde 2] . Het is dus eerst aan de obligatiehouders om een, desgewenst met voldoende waarborgen omkleed, besluit te nemen om [geïntimeerde 2] opdracht te geven een procedure te voeren tegen [geïntimeerde 1] . Aangezien het belang van [appellanten] inmiddels 30% bedraagt van de nominale waarde van het uitstaande kapitaal, zoals [appellanten] ter zitting bij het hof hebben verklaard, kunnen zij bovendien ook zelf een dergelijke opdracht aan [geïntimeerde 2] geven en is daarvoor geen buitengewoon besluit van de obligatiehouders nodig (artikel 9(c) Voorwaarden). Gelet op deze omstandigheden, en gelet op de strekking van de No Action Clause om ongelijke behandeling van obligatiehouders te voorkomen, is een beroep van [geïntimeerde 1] op de No Action Clause naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar en niet in strijd met artikel 6 EVRM. Dat betekent dat de grieven 4 t/m 7 falen en dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tegen [geïntimeerde 1] .
Uitleg Voorwaarde 5(e)
Met grief 1 betogen [appellanten] dat de rechtbank bij de uitleg van Voorwaarde 5(e) een onjuiste maatstaf heeft toegepast, namelijk een te strikte versie van de CAO-norm. Met grief 2 voeren [appellanten] aan dat een juiste toepassing van de thans geldende CAO-norm leidt tot de conclusie dat Voorwaarde 5(e) niet is geschreven voor het herhaaldelijk eenzijdig vaststellen van de berekeningsmethodiek voor het vaststellen van de kwartaalbetalingen (de rente) als gevolg van het wegvallen van [naam] . Met grief 3 voeren [appellanten] aan dat zij voldoende hebben onderbouwd dat de wijziging van de rentevaststellingsmethode door [geïntimeerde 2] voor hen nadelig is, en dat [appellanten] zich niet hoeven uit te laten over een alternatieve methode. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Het hof stelt voorop dat partijen het er (terecht) over eens zijn dat bij de uitleg van Voorwaarde 5(e) de in de rechtspraak ontwikkelde CAO-norm moet worden toegepast. Deze houdt in dat aan de bepaling in kwestie een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst/regeling, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de overeenkomst/regeling tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de overeenkomst/regeling is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de overeenkomst/regeling gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. De bestaansgrond van deze norm is gelegen in de bescherming van partijen die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst/regeling tegen een uitleg van een bepaling in de overeenkomst/regeling waarbij betekenis wordt toegekend aan een voor hen niet kenbare partijbedoeling, en in de noodzaak van een eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst/regeling gebonden partijen.
In de eerste zin van Voorwaarde 5(e) is bepaald dat “(…) If the Calculation Agent does not at any time for any reason (...) determine the Coupon Rate in accordance with Conditions 5(b) (…), the Trustee (…) shall do so and such determination or calculation shall be deemed to have been made by the Calculation Agent.” Aangezien uitdrukkelijk is bepaald dat de Trustee de rente vaststelt als de Calculation Agent dat niet doet “at any time for any reason”, is kennelijk beoogd dat de Trustee de rente vaststelt ongeacht wat de oorzaak/reden is waarom de Calculation Agent dat niet heeft gedaan. Een beperking tot de gevallen van
ontsteltenis of belet van de Calculation Agent, of omstandigheden die de persoon van de Calculation Agent betreffen, zoals [appellanten] betogen, leest het hof daarin niet. De oorzaak van het niet vaststellen van de rente door de Calculation Agent kan dus ook gelegen zijn in het ontbreken van (informatie over) de voorgeschreven referentierente.
Uit de tweede zin van Voorwaarde 5(e), “the Trustee (…) shall apply the foregoing provisions of this Condition, with any necessary consequential amendments”, volgt dat de Trustee het bepaalde in Voorwaarde 5 over de rentevaststelling moet volgen maar daarvan dient af te wijken voor zover noodzakelijk om tot een rentevaststelling te komen. Ook uit deze tweede zin volgt niet, zoals [appellanten] betogen, dat het bij deze wijzigingen slechts gaat om aanpassingen die tot uitdrukking brengen dat niet de Calculation Agent maar de Trustee de rente vaststelt. Het feit dat de Trustee de taak van de Calculation Agent overneemt, volgt immers al uit Voorwaarde 5(e), terwijl de ‘foregoing provisions’ van Voorwaarde 5 nagenoeg uitsluitend betrekking hebben op de wijze waarop de rente moet worden berekend, zodat voor de hand ligt dat met ‘foregoing provisions’ (mede) bedoeld is het bepaalde in Voorwaarde 5 (a) t/m (d) over de wijze waarop de rente wordt berekend. Ook de toevoeging “to the extent that, in its opinion, it (…) can do so, and in all other respects it (…) shall do so in such manner as it shall deem fair and reasonable in all the circumstances” wijst erop dat het gaat om inhoudelijke aanpassingen in de wijze waarop de rente wordt vastgesteld. Met deze toevoeging wordt immers tot uitdrukking gebracht dat de Trustee grote vrijheid toekomt die wordt begrensd door wat in de gegeven omstandigheden eerlijk en redelijk is, welke toevoeging niet voor de hand ligt als het slechts zou gaan om aanpassingen om tot uitdrukking te brengen dat niet de Calculation Agent maar de Trustee de rente vaststelt.
[appellanten] hebben ter ondersteuning van hun betoog gewezen op de artikelen 2.3 en 12.2(a) van de Trustakte waarin de term “consequential amendments”, in het eerste geval gevolgd door “as necessary”, ook voorkomt. De gevallen van vervanging/substitutie die in deze bepalingen aan de orde zijn, kunnen echter niet zonder meer gelijk worden gesteld met het geval waarvoor Voorwaarde 5(e) is geschreven, zodat uit het gebruik van de term “necessary consequential amendments” in Voorwaarde 5(e) niet zonder meer kan worden afgeleid dat daarmee hetzelfde is bedoeld als in de desbetreffende artikelen in de Trustakte. In elk geval weegt het feit dat deze term in de desbetreffende artikelen van de Trustakte voorkomt, en in de betekenis die deze daar volgens [appellanten] heeft, niet op tegen hetgeen uit Voorwaarde 5(e) volgt over de betekenis die deze term in deze bepaling heeft, zoals hiervoor overwogen.
Anders dan [appellanten] betogen, staat deze uitleg van Voorwaarde 5(e) niet op gespannen voet met het bepaalde over wijziging van de Voorwaarden in de artikelen 12.1 en 16.2(e) van de Trustakte. Uit het voorgaande volgt dat het vaststellen van de rente door de Trustee geen wijziging is van Voorwaarde 5 maar de toepassing daarvan. Het bepaalde in de artikelen 12.1 en 16.2(e) van de Trustakte over wijziging van de Voorwaarden, blijft onverminderd van kracht. Uit Voorwaarde 5(e) volgt slechts dat de Trustee de rente vaststelt zo lang de Calculation Agent dat niet doet. Dit laat onverlet dat [geïntimeerde 1] en (een voldoende grote meerderheid van) de obligatiehouders het met elkaar eens kunnen worden over een wijziging van Voorwaarde 5, bijvoorbeeld over een andere referentierente, zodat Voorwaarde 5 met toepassing van artikel 16.2(e) van de Trustakte kan worden gewijzigd. Tot die tijd vervult de Trustee de taak die hem in Voorwaarde 5(e) is opgedragen, zonder daarbij beperkt te zijn in frequentie of tijd. Uit het feit dat de Trustee deze taak (nog steeds) vervult, kan gelet op het voorgaande niet worden afgeleid dat daarmee Voorwaarde 5 is gewijzigd, laat staan permanent, zoals [appellanten] betogen.
Voorgaande uitleg van Voorwaarde 5(e) leidt ertoe dat in alle gevallen rente kan worden betaald aan de obligatiehouders, de voornaamste tegenprestatie van de uitgevende instelling op grond van de obligatielening (zeker nu deze eeuwigdurend is). Daarbij is gewaarborgd dat dit gebeurt in het belang van de obligatiehouders, aangezien de vaststelling gedaan wordt door de Trustee die de belangen van de obligatiehouders dient te behartigen. Ook de belangen van de uitgevende instelling zijn gewaarborgd door de begrenzing van de vrijheid van de Trustee in Voorwaarde 5(e). De uitleg van [appellanten] zou er daarentegen toe leiden dat geen rente kan worden vastgesteld en dus ook niet kan worden betaald, een situatie die bovendien mogelijk lang kan duren gelet op de voorwaarden die artikel 16.2(e) van de Trustakte stelt aan wijziging van de Voorwaarden. Gelet op de gerechtvaardigde wederzijdse belangen van partijen bij de obligatielening ligt niet voor de hand dat dit het gevolg zou zijn dat met Voorwaarde 5(e) is beoogd.
[appellanten] voeren aan dat volgens de uitlatingen van [geïntimeerde 1] in het persbericht van 23 april 2023 en het CSM de Voorwaarden geen mogelijkheid bieden de renteberekeningsmethode te wijzigen zonder instemming van de obligatiehouders. Dat is juist, maar doet niet af aan de uitleg van Voorwaarde 5(e), aangezien het vaststellen van de rente door de Trustee op basis van Voorwaarde 5(e) geen wijziging, maar toepassing van de Voorwaarden inhoudt, zoals hiervoor is overwogen. Anders dan [appellanten] voorts betogen, bieden deze uitlatingen – voor zover daaraan betekenis zou moeten worden toegekend bij de uitleg van Voorwaarde 5(e) – geen steun voor de door [appellanten] voorgestane uitleg van Voorwaarde 5(e). [geïntimeerde 1] heeft in het persbericht aangekondigd een voorstel te zullen doen voor wijziging van Voorwaarde 5. Met de uitlating in het persbericht dat ‘The terms of the Securities do not provide for a fallback that can be used to determine the floating rate coupon post-cessation,’ is kennelijk bedoeld dat de Voorwaarden zelf niet voorzien in een alternatieve referentierente in geval van het wegvallen van de [naam] -referentierente. In het CSM is op dit punt immers toegelicht: ‘In accordance with the market standards at the time of issuance, the current Conditions of the Securities do not provide for a contractual mechanism to completely replace or substitute the applicable reference rate for purposes of calculating the applicable rate of interest after the first call date following a benchmark transition event’ en: ‘the Issuer is proposing to include additional provisions in the Conditions to provide for a “fallback” mechanism and a reference rate replacement mechanism in case the new reference rate (i.e. the SOFR ISR) should become temporarily or permanently unavailable’. Uit het persbericht en het CSM blijkt niet dat [geïntimeerde 1] van mening zou zijn dat de Trustee de rente niet zou mogen vaststellen op grond van Voorwaarde 5(e). Die mogelijkheid wordt immers uitdrukkelijk in het CSM genoemd in geval de rente niet kan worden vastgesteld op de wijze als in Voorwaarde 5(c) is bepaald (zie 3.10). Uit het persbericht en het CSM kan hooguit worden afgeleid dat [geïntimeerde 1] op dat moment de voorkeur gaf aan een wijziging van de Voorwaarden door daarin een andere referentierente op te nemen, en een fallback-scenario voor het geval (ook) deze wegvalt, boven de situatie van toepassing van Voorwaarde 5(e), maar dat maakt die toepassing niet onmogelijk.
[appellanten] stellen dat het in de markt niet gebruikelijk is een voorwaarde als Voorwaarde 5(e) te interpreteren als een fallback-bepaling voor het wegvallen van een referentierente. Zij wijzen daarbij op andere prospectussen die volgens [appellanten] allemaal bevatten (i) een bepaling nagenoeg gelijk aan Voorwaarde 5(e) én (ii) een fallback-bepaling die ziet op een (alternatieve) vaststelling van de rente. Het hof overweegt dat het gestelde marktgebruik – voor zover daaraan, gelet op de van toepassing zijnde CAO-norm (zie onder 6.3.2.), betekenis zou moeten worden toegekend bij de uitleg van Voorwaarde 5(e) – onvoldoende is onderbouwd. Het aantal prospectussen waarop [appellanten] zich in dit verband beroepen is daarvoor te gering, zeker gelet op het nog geringere deel daarvan dat is uitgebracht ten tijde van het uitbrengen van de Prospectus van [geïntimeerde 1] in deze zaak; dat zijn er hooguit vijf. Uit een dergelijk beperkt aantal kan, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde 2] (en [geïntimeerde 1] ), niet worden afgeleid dat de daarin opgenomen bepalingen gebruikelijk waren in de markt. Daarnaast blijkt uit de prospectussen waarnaar [appellanten] verwijzen dat de fallback-bepaling er steeds in voorziet dat wanneer de afgesproken rentevaststellingsmethode niet beschikbaar is, de laatst gehanteerde rente opnieuw moet worden toegepast. Bij een dergelijke (uitputtende) fallback-bepaling zal de met Voorwaarde 5(e) vergelijkbare bepaling in een dergelijke situatie in beginsel geen functie vervullen. In de Voorwaarden die in deze zaak aan de orde zijn is de fallback-bepaling (Voorwaarde 5(c)) echter niet uitputtend, zodat er ook niet van kan worden uitgegaan dat Voorwaarde 5(e) dezelfde rol vervult als in de andere prospectussen waarop [appellanten] zich beroepen en dus op dezelfde manier zou moeten worden uitgelegd. Ten slotte valt uit de prospectussen waarnaar [appellanten] verwijzen wel af te leiden dat de desbetreffende bepalingen, gelezen in onderlinge samenhang, er juist voor zorgen dat altijd een rente kan worden vastgesteld als de afgesproken referentierente niet beschikbaar is. In dit (cruciale) opzicht zou de uitleg van [appellanten] juist afwijken van het door haar gestelde marktgebruik.
Wat [appellanten] voor het overige hebben aangevoerd is voor de uitleg niet relevant, althans legt dit gelet op voorgaande overwegingen te weinig gewicht in de schaal om tot een andere uitleg te komen. In het bijzonder is niet relevant of de toepassing van Voorwaarde 5(e) voor [appellanten] nadelig is. Daarmee falen de grieven 1 t/m 3.
Conclusie en proceskosten
De grieven falen en de in hoger beroep gewijzigde vorderingen zijn niet toewijsbaar. De bestreden vonnissen worden daarom bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten in beide zaken gezamenlijk als volgt:
[geïntimeerde 1]
- griffierecht € 827
- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.407
[geïntimeerde 2]
- griffierecht € 1.654 (2x € 827)
- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 4.234
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden vonnissen;
verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun in hoger beroep gewijzigde vorderingen tegen [geïntimeerde 1] ;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot nu vastgesteld op € 3.407, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 2] tot nu vastgesteld op € 4.234, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan, en op € 189 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, O.J. van Leeuwen en H. Koster en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 (op verzoek van partijen na 17.30 uur/na sluiting Euronext Amsterdam).