Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw, de benadeelde partij en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1.primair
zij in of omstreeks de periode van 23 augustus 2022 tot en met 30 september 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door:
- die [benadeelde partij] meerdere keren achter elkaar en/of per dag te bellen en/of berichten te versturen via verschillende kanalen en/of,
- die [benadeelde partij] te achtervolgen op de openbare weg en/of,
- zich meerdere malen voor de woning van die [benadeelde partij] op te houden, en/of
- aan te geven zelfmoord te plegen en/of aan te geven dat zij de carrière van [benadeelde partij] zou ruïneren en/of aan te geven dat zij melding/aangifte bij de politie zou doen of deze zou finaliseren als die [benadeelde partij] geen contact met haar opneemt en/of met haar praat en/of,
- vrienden van die [benadeelde partij] berichten en/of vriendschapsverzoeken te sturen,
met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2022 tot en met 30 september 2022 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [benadeelde partij] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten [benadeelde partij] en/of diens vrienden wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten weer een/enige relatie met haar, verdachte, aan te gaan en/of met haar, verdachte, contact op te nemen/te praten en/of haar, verdachtes, berichten te beantwoorden, door
- die [benadeelde partij] meerdere keren achter elkaar en/of per dag te bellen en/of berichten te versturen via verschillende kanalen en/of,
- die [benadeelde partij] te achtervolgen op de openbare weg en/of,
- zich meerdere malen voor de woning van die [benadeelde partij] op te houden en/of
- die [benadeelde partij] te berichten dat zij de carrière van [benadeelde partij] zou ruïneren en/of dat zij melding/aangifte bij de politie zou doen of deze zou finaliseren als die [benadeelde partij] geen contact met haar opneemt en/of met haar praat en/of
- vrienden van die [benadeelde partij] berichten en/of vriendschapsverzoeken te sturen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd.
Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft gesteld dat geen sprake is geweest van belaging, omdat de periode waarin de verdachte [benadeelde partij] heeft gecontacteerd slechts enkele dagen betreft en haar gedragingen niet zodanig indringend waren dat voldaan is aan de voor een bewezenverklaring van belaging vereiste intensiteit. Gelet daarop moet de verdachte worden vrijgesproken van het primair en het subsidiair tenlastegelegde.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De verdachte heeft [benadeelde partij] gedurende ongeveer vijf dagen op verschillende manieren herhaaldelijk ongewenst benaderd. Zij heeft binnen die periode zeer kort na elkaar veelvuldig WhatsAppberichten en Sms-berichten aan [benadeelde partij] gestuurd, afgewisseld met telefoonoproepen, al dan niet via WhatsApp. Bovendien zocht zij hem meermaals op bij zijn woning, ofwel een voor hem vertrouwelijke plaats, en heeft op een avond zo vaak aangebeld dat [benadeelde partij] de bel in de woning uit elkaar heeft gehaald om van het geluid af te zijn. De dag erop heeft zij hem bij zijn woning opgewacht en is hem achterna gefietst toen hij van daar wegging. Zij heeft gedreigd de carrière van [benadeelde partij] te ruineren door aangifte te doen bij de politie als contact uit zou blijven en heeft de vrienden en de werkgever van [benadeelde partij] benaderd. Met deze gedragingen heeft de verdachte op verschillende manieren op een bijzonder indringende wijze geprobeerd met [benadeelde partij] in contact te komen en te blijven. De samenhang van de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte zijn onder de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, in combinatie met de invloed van het handelen van de verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [benadeelde partij] , zodanig geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op [benadeelde partij] persoonlijke levenssfeer. Dat de verdachte deze handelingen niet gedurende een langere periode dan vijf dagen heeft verricht, is, gelet daarop niet van doorslaggevend belang. Het hof acht de onder 1 primair tenlastegelegde belaging dan ook bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de periode van 23 augustus 2022 tot en met 29 augustus 2022 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door:
- die [benadeelde partij] meerdere keren achter elkaar en per dag te bellen en berichten te versturen via verschillende kanalen en,
- die [benadeelde partij] te achtervolgen op de openbare weg en,
- zich meerdere malen bij de woning van die [benadeelde partij] op te houden en,
- aan te geven dat zij de carrière van [benadeelde partij] zou ruïneren en aan te geven dat zij melding/aangifte bij de politie zou doen of deze zou finaliseren als die [benadeelde partij] geen contact met haar opneemt of niet met haar praat en,
- vrienden van die [benadeelde partij] berichten en vriendschapsverzoeken te sturen,
met het oogmerk die [benadeelde partij] te dwingen iets te doen.
Hetgeen onder 1. primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1. primair bewezenverklaarde levert op:
belaging.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Geen oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben gevorderd respectievelijk (subsidiair) verzocht dat de verdachte schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Het hof heeft in hoger beroep beslist op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging van haar ex-partner door hem veelvuldig, op verschillende manieren en op indringende wijze te benaderen. Belaging is een ernstig feit dat het dagelijks leven van het slachtoffer volledig kan beheersen en ontwrichten. De verdachte heeft haar eigen drang naar contact met het slachtoffer vooropgesteld. De gedragingen van de verdachte zijn van invloed geweest op de psychische gesteldheid van het slachtoffer, waarvoor hij therapie heeft moeten ondergaan. De ernstige mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer komt hierin tot uiting.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2026 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof acht het raadzaam te bepalen dat in verband met de persoonlijkheid van de verdachte, waaronder begrepen haar psychische problematiek, geen straf zal worden opgelegd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.015,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.130,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 2.515,00 en de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen – gelet op het vrijspraakverweer – en subsidiair verzocht de vordering te matigen in verband met de korte periode, de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, het tijdsverloop en de leeftijd van de betrokkenen.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1. primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van materiële schade en immateriële schade.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft € 1.015,00 aan materiële schade gevorderd, bestaande uit zes therapiebehandelingen in 2022, zonder doorverwijzing van de huisarts, van elk € 105,00 (tezamen een totaal van € 630,00) en het eigen risico in 2024 van € 385,00 wegens therapiebehandelingen na een doorverwijzing van de huisarts. Gebleken is dat de benadeelde partij na de belaging is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, waarvoor hij therapie heeft ondergaan. De benadeelde partij heeft de schade onderbouwd met stukken. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 1.015,00 zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Het hof schat de omvang van de immateriële schade op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar maatstaven van billijkheid en gelet op de ‘Rotterdamse schaal’ op een bedrag van € 1.500,00. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verdachte een ingrijpende inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij, ten gevolge waarvan hij psychische klachten heeft opgelopen die in toereikende mate, onder meer met (medische) stukken, zijn onderbouwd.
De vordering wordt voor het overige afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De artikelen 9a, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1. primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het onder 1. primair bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1. primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.515,00 (tweeduizend vijfhonderdvijftien euro) bestaande uit € 1.015,00 (duizend vijftien euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1. primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.515,00 (tweeduizend vijfhonderdvijftien euro) bestaande uit € 1.015,00 (duizend vijftien euro) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 augustus 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 augustus 2026.