ECLI:NL:GHAMS:2026:2417

ECLI:NL:GHAMS:2026:2417

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 23-002014-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Witwassen Deense kronen en opzettelijk niet voldoen aan de verplichting tot het doen van aangifte van liquide middelen. Gevangenisstraf.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij, op of omstreeks 13 februari 2023, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en) (te weten een contant geldbedrag (van in totaal (ongeveer) 120.000 DKK (omgerekend ongeveer 13.000 EUR)) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van die/een voorwerp(en) (te weten een (voornoemd) geldbedrag (van in totaal (ongeveer) 120.000 DKK (omgerekend ongeveer 13.000 EUR)), gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie die/dit (voornoemde) voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die/dit voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig waren/was uit enig (eigen) misdrijf;

2.hij, op of omstreeks 13 februari 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) aangifte als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) nummer 2018/1672 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft hij, verdachte toen daar geen, een onvolledige of onjuiste aangifte gedaan terwijl hij die Gemeenschap binnenkwam of verliet en liquide middelen van 10.000 EUR of meer vervoerde, te weten (een) geldbedrag(en) van (in totaal) ongeveer 120.000 DKK (omgerekend ongeveer 13.000 EUR).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (deels) andere bewijsconstructie en bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van feit 2.

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, primair omdat het aangetroffen geld moet worden uitgesloten van het bewijs wegens het nalaten van het tijdig geven van de cautie aan de verdachte. Subsidiair is ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat niet is vastgesteld dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Zowel de verdachte als [medeverdachte] hebben een concrete en verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld afgelegd. Bovendien zijn de resultaten van het onderzoek naar de verklaring van de verdachte onvoldoende om te kunnen oordelen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte had daarnaast geen opzet op het onder 2 tenlastegelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Vormverzuim

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim in de vorm van het schenden van de cautieplicht. Uit het proces-verbaal met nummer AMB-001 blijkt dat aan de verdachte na mededeling van de reden van de gatestop geen vraag is gesteld. Hij verklaart op dat moment (kort) op eigen initiatief. Vervolgens wordt hem een vraag in het kader van de aangifteplicht gesteld. Nadat de verdachte verklaart geen aangifte te hebben gedaan, wordt hij meegenomen naar het douanekantoor voor verder onderzoek aan onder meer zijn handbagage. Eerst daarna worden aan de verdachte vragen over het in zijn bagage aangetroffen geld gesteld, maar niet voordat aan hem de cautie is gegeven.

Het onder 1 tenlastegelegde witwassen

Onder de verdachte is op 13 februari 2023 op de luchthaven Schiphol een totaalbedrag van 120.000 Deense kronen in contanten aangetroffen, bestaande uit 200 briefjes van 100 Deense kronen en 500 briefjes van 200 Deense kronen Het geld was verdeeld over twee koffers, beide op de naam van de verdachte, de tas van de verdachte en de tas van zijn moeder. De koffers waren ingecheckt voor een vlucht naar Tanger in Marokko. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen.

Onder deze omstandigheden mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aflegt over de herkomst van het geld. De verdachte heeft over de herkomst verklaard dat hij de Deense kronen van zijn vriend [medeverdachte] , bij [medeverdachte] thuis, heeft gekregen. [medeverdachte] heeft de verdachte gevraagd om het geld in Marokko te wisselen, omdat dat niet mogelijk was in Nederland. De verdachte zou op 13 februari 2023 naar Marokko uitreizen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd. Het openbaar ministerie was daarom gehouden onderzoek naar deze verklaring te doen. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden.

Allereerst volgt uit het onderzoek dat de verklaring van de verdachte op een wezenlijk punt in strijd is met de verklaring van [medeverdachte] . De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij het geld van [medeverdachte] bij [medeverdachte] thuis heeft gekregen, terwijl [medeverdachte] die blijkens zijn verhoor in [plaats 1] woont heeft verklaard dat hij het geld bij de verdachte thuis in [plaats 2] heeft overhandigd, wat in tegenspraak is met de verklaring van de verdachte.

Verder heeft de verdachte verklaard dat [medeverdachte] het geld aan hem heeft gegeven, zodat hij de Deense kronen in Marokko voor [medeverdachte] kon wisselen. De verdachte zou namelijk op 13 februari 2023 naar Marokko reizen. Gebleken is echter dat ook [medeverdachte] , net als de verdachte, op 13 februari 2023 op Schiphol was. Op die dag is [medeverdachte] naar Spanje gevlogen en een dag later, op 14 februari 2023, heeft hij de Spaanse grens overschreden om via de Spaanse exclave Ceuta, grenzend aan Marokko, te vertrekken. Uit informatie van Europol blijkt dat [medeverdachte] Spanje op 14 februari 2023 heeft verlaten en vermoedelijk Marokko heeft betreden. Gelet daarop is het ongeloofwaardig dat de verdachte het geld voor [medeverdachte] naar Marokko heeft moeten vervoeren en aldaar heeft moeten wisselen, terwijl [medeverdachte] dit – daags na de aankomst van de verdachte in Marokko – zelf had kunnen doen.

Het hof acht het gelet op het voorgaande niet aannemelijk dat de verdachte het geld van [medeverdachte] heeft gekregen. Het witwasvermoeden is gelet daarop niet ontzenuwd. Dit brengt mee dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is van enig misdrijf en dat de verdachte dit wist. Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte de Deense kronen heeft witgewassen door deze op 13 februari 2023 voorhanden te hebben.

Het hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen, nu daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat.

De onder 2 tenlastegelegde aangifteplicht

De verdachte heeft verklaard dat hij de aangetroffen Deense kronen bewust over zijn eigen koffer en de koffer van zijn moeder heeft verdeeld, zodat hij onder de grens van de aangifteplicht zou blijven. Gelet daarop acht het hof het opzet op het niet doen van aangifte van de liquide middelen gegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij, op 13 februari 2023, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een contant geldbedrag (van in totaal 120.000 DKK (omgerekend ongeveer 13.000 EUR) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf;

2.hij, op 13 februari 2023, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) aangifte als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) nummer 2018/1672 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft hij, verdachte, toen daar geen aangifte gedaan, terwijl hij die Gemeenschap verliet en liquide middelen van 10.000 EUR of meer vervoerde, te weten een geldbedrag van 120.000 DKK (omgerekend ongeveer 13.000 EUR).

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 10:1, vierde lid, van de Algemene douanewet.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, waarvan € 500,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van 120.000 Deense kronen en het opzettelijk niet voldoen aan zijn verplichting tot het doen van aangifte van liquide middelen. Het witwassen van crimineel vermogen faciliteert de onderliggende criminaliteit. Het vormt een aantasting en ondermijning van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen. Bovendien heeft de verdachte de controle door de autoriteiten op de uitvoer van liquide middelen ontdoken.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10:1 van de Algemene douanewet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. J.J. Roos en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. den Hartog

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand