GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.369.492/01
rekestnummer rechtbank : NL:TZ:2608035:R-RK
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] , Zwitserland,
appellant,
advocaat: mr. P.P.G. Bissessur te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer),
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. T. Kressin te Arnhem.
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk aangeduid als de weigerende schuldeisers en voor zover nodig afzonderlijk als Vos en Feijten.
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij per e-mail op 29 mei 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlage, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 21 mei 2026, waarbij zijn verzoek om de weigerende schuldeisers op de voet van artikel 287a van de Faillissementswet (Fw) te bevelen in te stemmen met de door hem aangeboden schuldregeling, is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 11 augustus 2026. Bij die behandeling is [appellant] (via videoverbinding) verschenen, bijgestaan door mr. Bissessur voornoemd. Namens de weigerende schuldeisers is [naam] verschenen, bijgestaan door mr. Kressin voornoemd.
Partijen hebben de zaak laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlage en het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg. Partijen hebben desgevraagd verklaard over de genoemde stukken te beschikken
2. Beoordeling
Vos heeft bij verzoek van 4 februari 2026 het faillissement van [appellant] aangevraagd. Vervolgens heeft [appellant] op 9 maart 2026 op de voet van artikel 3 Fw een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering ingediend. [appellant] heeft in eerste aanleg gelijktijdig met dat verzoek ook een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord in de zin van artikel 287a Fw ingediend. De rechtbank heeft tijdens de op 7 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling eerst het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling – ook wel dwangakkoord genoemd – behandeld. Tijdens deze zitting heeft [appellant] laten weten dat hij in geval van afwijzing gebruik wil maken van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. Daarop is het verzoek toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsanering door de rechtbank niet op de zitting behandeld.
Tegen de afwijzing van een verzoek tot het geven van een bevel om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling kan ingevolge artikel 287a, gelezen in samenhang met artikel 292, lid 3 Fw, slechts afzonderlijk hoger beroep worden ingesteld indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet is gehandhaafd (vgl. HR 14 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0966 en HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:859). Desgevraagd heeft mr. Bissessur ter zitting in hoger beroep verklaard dat [appellant] zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft ingetrokken. Dit betekent dat [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om de weigerende schuldeisers te bevelen in te stemmen met de door hem aangeboden schuldregeling.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten. [appellant] , thans 69 jaar, is in september 2025 vanuit Nederland naar Zwitserland verhuisd. In het verleden was [appellant] in Nederland werkzaam als advocaat. In 2009 heeft hij een Zuid-Franse vakantiewoning met destijds een (geschatte) waarde van circa € 710.000,00 ingebracht in een SCI ten behoeve van zijn toen nog minderjarige kinderen. [appellant] is eerder persoonlijk in staat van faillissement verklaard. Dat faillissement is nadien opgeheven bij gebrek aan baten. Tot begin 2026 was [appellant] als bestuurder en aandeelhouder betrokken bij verschillende bv’s en stichtingen. Het merendeel van deze functies is kort nadat zijn faillissement op 4 februari 2026 werd aangevraagd, beëindigd. Voor de Nederlandse vennootschap Bissessur ( [bedrijf] (hierna Bissessur), onderzoekt [appellant] in Zwitserland de mogelijkheden om ter plaatse een advocatenpraktijk op te richten. Hij verblijft sinds 1 oktober 2025 op basis van een tijdelijke werkvergunning in Zwitserland en ontvangt voor zijn werk naar eigen zeggen geen loon. Hij leeft van zijn AOW-uitkering, met dien verstande dat Bissessur (en/of Bissessur Legal B.V.) zijn (woon)kosten betaalt, zo begrijpt het hof. Er zijn schulden aan de Nederlandse belastingdienst wegens definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2019, 2021 en 2022 van in totaal bijna € 38.000,00.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat in het onderhavige geschil, dat een internationaal aspect heeft, de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De verweerders zijn woonachtig in Nederland en de voornaamste belangen van [appellant] concentreren zich in Nederland, gelet op het feit dat hij weliswaar is verhuisd naar Zwitserland, maar dit kennelijk een tijdelijk karakter heeft. Hij vervult daar op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning om te werken een opdracht voor een Nederlandse vennootschap, die hem daarvoor niet betaalt, maar wel zijn (woon)kosten voor haar rekening neemt omdat [appellant] van zijn AOW-uitkering zijn verblijf in Zwitserland niet kan bekostigen. Verder is hij voor zakelijke besprekingen regelmatig in Nederland en had hij ten tijde van het inleidende verzoek nog belangen (als bestuurder dan wel aandeelhouder) in verschillende Nederlandse rechtspersonen.
[appellant] heeft een schuldenlast van € 201.000,00 aan Vos en Feijten. Vos heeft een vordering op [appellant] van € 135.000,00 in verband met uitgevoerde bouwwerkzaamheden en Feijten een vordering van € 66.000,00 in verband met ter beschikking gestelde c.q. verkochte auto’s. Beide vorderingen vloeien voort uit op 21 augustus 2024 gesloten vaststellingsovereenkomsten. [appellant] heeft aan de twee weigerende schuldeisers een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan hen gezamenlijk een bedrag van € 6.250,00 ineens wordt betaald. Het aanbod is gebaseerd op de inkomsten van [appellant] uit een AOW-uitkering.
De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot het opleggen van een dwangakkoord afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het is ook na de mondelinge behandeling niet duidelijk of een aanbod is gedaan dat goed en betrouwbaar is gedocumenteerd. Zo lijkt het – gelet op de voorgeschiedenis van een eerder faillissement met grote schulden van [appellant] , dat bij gebrek aan baten is opgeheven – niet voor de hand te liggen dat de weigerende schuldeisers de enige schuldeisers van [appellant] zijn. Niet duidelijk is hoe de schulden van [appellant] zijn geïnventariseerd. Daarbij komt dat het aanbod dat aan de weigerende schuldeisers is gedaan niet het uiterste is dat [appellant] kan aanbieden. Aan de weigerende schuldeisers is een bedrag ineens van € 6.250,00 (voor hen samen) geboden. [appellant] geeft aan dat dit bedrag gebaseerd is op (enkel) zijn inkomen uit AOW. Binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling zouden de weigerende schuldeisers op basis van dit inkomen
€ 5.286,96 kunnen ontvangen. Om tot overeenstemming te komen is een bedrag van
€ 6.250,00 ineens geboden. [appellant] zegt dat de weigerende schuldeisers daarmee beter af zijn. De rechtbank oordeelt anders. [appellant] heeft bij de mondelinge behandeling bevestigd dat hij in Zwitserland werkzaamheden verricht om voor een derde een advocatenpraktijk op te zetten. Daarbij heeft hij aangegeven dat, als dat project slaagt, hij daarvoor een vergoeding zal ontvangen. Omdat niet uitgesloten is dat die vergoeding al in de komende maanden aan [appellant] toekomt, staat niet vast dat met het bedrag van € 6.250,00 het maximale is geboden. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat alle door [appellant] aangedragen schuldeisers weigeren om met het aanbod in te stemmen en dat hun aandeel in de totale door [appellant] aangegeven schuldenlast dus 100% is. Bij die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de weigerende schuldeisers in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen.
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en het gevraagde bevel tot het opleggen van het dwangakkoord alsnog toe te wijzen. Daartoe heeft [appellant] – onder aanvoering van vier grieven – het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het aanbod van [appellant] niet goed en betrouwbaar is gedocumenteerd (grief 1). Volgens [appellant] zijn er geen andere schuldeisers en kan hij niet worden gehouden tot het bewijs van de negatieve stelling dat er geen andere schuldeisers zijn. De schulden van [appellant] zijn geïnventariseerd op grond van zijn eigen verklaringen en volgens [appellant] bestaat er geen andere manier om zijn schulden te inventariseren. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat het door [appellant] gedane aanbod van € 6.250,00 het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht (grief 2). [appellant] voert daartoe aan dat het hoogst onzeker is of hij in de toekomst aanvullende inkomsten zal ontvangen en, zo ja, of hij deze inkomsten gedurende de komende achttien maanden zal ontvangen. Volgens [appellant] had de rechtbank daarom niet tot de conclusie mogen komen dat niet vaststaat dat met het bedrag van € 6.250,00 het maximale is geboden. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling geen betere vooruitzichten op betaling biedt (grief 3). [appellant] voert daartoe aan dat zijn opdrachtgever heeft aangegeven dat de opdracht niet kan worden voortgezet indien [appellant] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegelaten. In dat geval resteert volgens [appellant] uitsluitend zijn AOW-inkomen en zullen de weigerende schuldeisers gedurende achttien maanden maximaal € 5.286,96 ontvangen waarbij betaling is gespreid. Het aangeboden bedrag van € 6.250,00 is volgens [appellant] hoger en wordt bovendien ineens aan de weigerende schuldeisers uitgekeerd. [appellant] heeft zijn opdrachtgever bereid gevonden dit bedrag voor hem te financieren. Tot slot heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte onvoldoende gewicht toegekend aan het belang van geïntimeerden bij de aangeboden regeling (grief 4). Volgens [appellant] is geen sprake van substantieel vermogen of inkomen. De woning die hij aan zijn kinderen heeft geschonken, is reeds in 2007 geschonken, toen hij nog vermogend was. De woning in Bloemendaal, waar hij laatstelijk in Nederland woonde, was volgens [appellant] gefinancierd door een bevriende relatie en is inmiddels (met verlies) verkocht. Een faillissement zal volgens [appellant] slechts tot kosten leiden zonder dat daar baten tegenover staan, omdat geen sprake is van vermogen dat in een faillissement te gelde kan worden gemaakt. Verder voert [appellant] aan dat de vorderingen van de weigerende schuldeisers met elkaar zijn verknocht, omdat zij gezamenlijk geld hebben geleend aan een voormalige vennootschap van [appellant] . De omstandigheid dat de weigerende schuldeisers de gehele schuldenlast vertegenwoordigen, staat volgens [appellant] niet aan het opleggen van een dwangakkoord in de weg. Een minnelijke schuldregeling levert volgens [appellant] bovendien een beter resultaat op dan toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, aldus [appellant] .
Bij de beoordeling van het verzoek tot het opleggen van een gedwongen schuldregeling stelt het hof voorop dat dit verzoek slechts kan worden toegewezen indien de weigerende schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de weigerende schuldeisers hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [appellant] en/of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Uitgangspunt daarbij is dat het elke schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan en dat een schuldeiser slechts onder zeer bijzondere omstandigheden – die misbruik van bevoegdheid opleveren – kan worden gedwongen in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden akkoord. Het ligt in beginsel op de weg van de schuldenaar die zodanige medewerking in rechte wenst af te dwingen de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen (vgl. HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005: AT7799). Voorts dient voldoende duidelijk te zijn gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht en dient het aanbod een finale regeling voor alle schulden te omvatten.
Naar het oordeel van het hof is het door [appellant] gedane aanbod onvoldoende deugdelijk en betrouwbaar (controleerbaar) gedocumenteerd. Om te kunnen beoordelen of een aanbod het maximaal haalbare is en of dat aanbod beter is dan wat de schuldeisers in geval van een wettelijke schuldsanering kunnen verwachten, dient in ieder geval voldoende inzichtelijk te zijn wat de volledige vermogens- en schuldenpositie van [appellant] is. Een overzicht van die positie ontbreekt. Stukken die daarover mogelijk enige informatie geven (zoals belastingaangiften of een verklaring van een accountant) heeft [appellant] niet verstrekt. Wel blijkt uit de door [appellant] overgelegde productie 12 dat er ook sprake is van belastingschulden in verband met definitieve aanslagen inkomstenbelasting. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd toegelicht dat hij dacht dat daarover nog bezwaren liepen, maar nu er volgens de door hem verstrekte informatie sprake is van definitieve aanslagen, moet daaraan voorbij worden gegaan. Het aangeboden akkoord zwijgt over deze fiscale schuld. Daarbij is van belang dat bij een WSNP-akkoord ook de preferente schulden betrokken moeten worden. Ook is onvoldoende duidelijkheid verschaft over de financiële verhouding tussen [appellant] en Leveraged Capital Europe B.V., waarvan de aandelen worden gehouden door een STAK waarvan [appellant] in ieder geval tot begin 2026 bestuurder was, terwijl hij tot dat moment ook de bestuurder lijkt te zijn geweest van Leveraged Capital Europe B.V. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij geld van deze vennootschap heeft geleend. Ter zitting heeft hij eveneens verklaard dat hij die lening gedeeltelijk heeft terugbetaald. Hoe de verhoudingen exact zijn en of voor het overige nog een schuld aan deze vennootschap resteert, is evenwel onduidelijk gebleven. Uit de overgelegde stukken kan dit niet worden afgeleid. Wat er is gebeurd met de deelnemingen die [appellant] hield, en of de overdracht daarvan opbrengsten heeft opgeleverd, is eveneens onduidelijk gebleven.
Daarnaast heeft [appellant] verklaard dat zijn enige inkomen uit AOW bestaat, dat hij in Zwitserland geen inkomsten uit werkzaamheden ontvangt en dat kosten in verband met zijn werkzaamheden en verblijf deels door het kantoor van mr. Bissessur worden betaald. De omvang van deze financiële hulp en de afspraken die daarover gemaakt zijn, zijn door [appellant] echter eveneens onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Wel is duidelijk geworden dat zijn tijdelijke verblijfsrecht in Zwitserland afhankelijk is van (het succes van) zijn werkzaamheden daar. Ook over de financiële gang van zaken rondom de verkoop van zijn huis in Nederland, zoals ter zitting is gebleken aan zijn ex-echtgenote, bestaat geen duidelijkheid.
[appellant] is ruimschoots in de gelegenheid geweest om zijn financiële positie met objectieve en verifieerbare gegevens te onderbouwen. [appellant] heeft ook in hoger beroep nagelaten voldoende stukken over te leggen waaruit de hiervoor genoemde financiële gegevens kunnen worden vastgesteld. Hij heeft het aanbod na de uitspraak in eerste aanleg ook niet door een onafhankelijke en deskundige partij laten toetsen. Anders dan [appellant] meent, kan daarom niet worden vastgesteld dat toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldeisers minder zou opleveren dan de door [appellant] aangeboden schuldregeling.
Van bijzondere omstandigheden die misbruik van bevoegdheid bij de weigerende schuldeisers opleveren, is niet gebleken. Gelet op al het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de weigerende schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Dit leidt ertoe dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. Het hof ziet mede gelet op artikel 287a lid 6 Fw geen aanleiding tot een veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
Nu het verzoek tot toepassing van de WSNP is ingetrokken, dient de onder 2.1 bedoelde faillissementsaanvraag van 4 februari 2026 te worden behandeld.
3. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, R.M. de Winter en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.