ECLI:NL:GHAMS:2026:2435

ECLI:NL:GHAMS:2026:2435

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 23-002814-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2024:12390

Samenvatting

Ontuchtige handelingen mede bestaand uit seksueel binnendringen, gepleegd bij destijds minderjarig nichtje. De handeling hebben gedurende een lange periode herhaaldelijk plaatsgevonden in de woning van de verdachte, waar het slachtoffer regelmatig kwam logeren. Het hof acht een hogere straf op zijn plaats dan de rechtbank aan de verdachte heeft opgelegd, en legt een gevangenisstraf op voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 24 maart 2007 te [plaats] , althans in Nederland, met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde

[slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, één of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)

- het brengen en/of houden van een of meerdere van zijn, verdachtes, vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;

2.hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 24 maart 2007 te [plaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, te weten (telkens)

- het betasten van de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft zich daarbij grotendeels aangesloten bij de bewijsoverweging en –constructie zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar is en dat onvoldoende steunbewijs voorhanden is, ook niet in de vorm van schakelbewijs. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat in het geval het hof de verklaring van de aangeefster ‘voldoende betrouwbaar’ acht, de verdediging het hof verzoekt een rechtspsycholoog, dr. E.F.L. Maegherman, als deskundige te benoemen teneinde een oordeel te geven over de betrouwbaarheid van haar verklaringen.

Het hof overweegt als volgt.

De betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster

De aangeefster, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), heeft op 13 oktober 2022 aangifte gedaan van seksueel misbruik door de verdachte, de partner van haar tante. Dit misbruik is begonnen toen de aangeefster vier of vijf jaar oud was en vond plaats in de woning van de verdachte, waar de aangeefster regelmatig kwam logeren. Zij sliep dan op zolder. De verdachte kwam in de nacht of in de ochtend bij haar liggen. Zij mocht een spelletje spelen op de telefoon van de verdachte en dan vroeg hij of hij haar mocht kriebelen. Dit kriebelen bestond uit het betasten van de vagina van [slachtoffer] . De verdachte likte meestal daarvoor of daarna aan zijn vingers. [slachtoffer] verklaart hierover dat ze dat destijds heel raar vond als hij dat deed. De verdachte ging met twee vingers tussen haar schaamlippen en maakte draaiende bewegingen en ging heen en weer. Hij draaide met zijn vingers rondjes tussen haar schaamlippen. De verdachte zei tegen haar dat het hun geheim was en zij het aan niemand moest vertellen. Het misbruik stopte toen [slachtoffer] niet meer wilde logeren bij haar oom en tante.

Het hof stelt voorop dat een dergelijke aangifte met behoedzaamheid moet worden beoordeeld. Voor de onderhavige aangifte geldt dit temeer, omdat deze eerst ruim 15 jaar na het gestelde seksueel misbruik is gedaan. [slachtoffer] heeft het misbruik niet eerder verteld omdat zij naar eigen zeggen bang was voor de gevolgen daarvan voor haar familieleden.

Het hof zal het (voorwaardelijke) verzoek tot het benoemen van een deskundige, teneinde een oordeel te geven over de verklaring van [slachtoffer] , afwijzen. Het hof stelt voorop dat het de rechter is die de betrouwbaarheid van een verklaring zal moeten vaststellen. De enkele omstandigheid dat de verdediging de betrouwbaarheid van een bepaalde verklaring betwist, biedt geen valide grond voor de noodzaak een deskundige te benoemen. Het hof ziet in deze zaak, ondanks het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde en de aangifte, geen aanleiding en derhalve geen noodzaak een deskundige te benoemen om de verklaring van de aangeefster nader te toetsen.

Rekening houdend met de benoemde behoedzaamheid acht het hof, anders dan de raadsman, de verklaring van de aangeefster betrouwbaar, nu deze gedetailleerd en voldoende consistent is met betrekking tot de aard van de ontuchtige handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsvonden. Daarbij acht het hof van belang dat de aangeefster in haar verklaring onderscheid heeft gemaakt tussen hetgeen volgens haar wel en niet is voorgevallen. Het hof ziet geen aanwijzingen dat zij haar verklaringen heeft verzonnen of dat deze zijn beïnvloed door gesprekken binnen de familie. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om aan de inhoud van haar verklaring te twijfelen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

In dit verband behoeft het naar het oordeel van het hof geen bespreking welk, door de aangeefster vaag omschreven, spelletje zij destijds op de telefoon van de verdachte heeft gespeeld. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaring is slechts van belang dat zij heeft verklaard dat zij op de telefoon van de verdachte een spelletje heeft gespeeld, hetgeen door de verdachte is bevestigd.

Steunbewijs

Vervolgens dient het hof te beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zodat wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De verklaring van [slachtoffer] vindt allereerst steun in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [slachtoffer] regelmatig bij hen kwam logeren, dat zij dan op de zolder sliep en dat zij spelletjes op zijn telefoon mocht spelen.

Daarnaast vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in de verklaring van getuige [getuige 1] , de (ex-)echtgenote van de verdachte (en de moeder van hun zoon [getuige 2] ), zoals afgelegd bij de politie op 12 december 2023. [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar heeft verteld wat er was gebeurd. Naar aanleiding daarvan is [getuige 1] naar huis gegaan en heeft zij de verdachte hiermee geconfronteerd. Op haar vraag ‘is het waar?’ heeft de verdachte bevestigend geantwoord. [getuige 1] heeft daarbij verklaard dat de verdachte heeft gezegd dat het klopte wat [slachtoffer] vertelde. [getuige 1] spreekt in dit verband over ‘bekende’ en heeft verklaard dat hij gezegd heeft dat hij het ‘alleen met zijn handen had gedaan’. [getuige 1] is op 9 oktober 2025 door de raadsheer-commissaris nogmaals gehoord. Tijdens dit verhoor heeft zij de gang van zaken opnieuw beschreven en haar eerdere verklaring op dit punt bevestigd. Het hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen van [getuige 1] te twijfelen. In lijn met deze verklaring van [getuige 1] ligt namelijk de verklaring van getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), de zoon van de verdachte. De verklaring van [getuige 2] biedt steun aan de verklaring van [slachtoffer] . [getuige 2] is blijkens de gebezigde bewijsmiddelen aanwezig geweest bij in ieder geval een gedeelte van het gesprek waarin de getuige [getuige 1] de verdachte confronteerde met hetgeen [slachtoffer] haar had verteld. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft [getuige 2] verklaard dat hij had meegekregen dat ‘hij (het hof begrijpt: de verdachte) over eentje heeft gezegd dat er wel iets is gebeurd’.

De enkele stelling van de verdachte dat hij destijds op deze wijze slechts cynisch heeft gereageerd, acht het hof niet aannemelijk in het licht van a) de gedetailleerde en consistente verklaring van [getuige 1] , iemand met wie de verdachte langdurig samen heeft geleefd, over de wijze waarop zij de verdachte met de verklaring van [slachtoffer] heeft geconfronteerd en de reactie die volgens haar daarop van de verdachte volgde en b) de verklaring die zijn zoon [getuige 2] over de inhoud van dit gesprek heeft afgelegd, waarbij c) komt dat de verdachte zelf in dit kader niet consistent heeft verklaard.

Conclusie

Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en, gelet op het voornoemde steunbewijs, in onderling verband en samenhang bezien, in voldoende mate door bewijs afkomstig uit andere bronnen wordt ondersteund. Het hof vindt daarom dat de onder 1 en 2 aan de verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verweren van de raadsman worden daarmee verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 24 maart 2007 te [plaats] , met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens)

- het brengen en/of houden van een of meerdere van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;

2.hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 24 maart 2007 te [plaats] , met

[slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten (telkens)

- het betasten van de vagina, althans de schaamstreek van die [slachtoffer] .

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage bij dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

meermalen gepleegd,

en

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn destijds minderjarige nichtje. De ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, hebben gedurende een lange periode herhaaldelijk plaatsgevonden in de woning van de verdachte, waar het slachtoffer regelmatig kwam logeren. Door dit handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer meermalen ernstig geschonden. Ook heeft hij hiermee misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij ten opzichte van hem verkeerde.

Het is een feit van algemene bekendheid dat als gevolg van seksueel misbruik de geestelijke gezondheid van een jong kind ernstig kan worden geschaad. Deze geestelijke schade kan van lange duur zijn, omdat dergelijk misbruik een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, verstoort.

Als volwassen man had de verdachte zich ervan bewust moeten zijn dat zijn handelen ingrijpende en mogelijk blijvende lichamelijke en psychische gevolgen voor het slachtoffer zou kunnen hebben. Dat die gevolgen zich in deze zaak daadwerkelijk hebben voorgedaan, blijkt onder meer uit de onderbouwing van haar vordering tot schadevergoeding, waaruit naar voren komt dat zij zich vanwege het misbruik onder behandeling heeft moeten laten stellen. Ook binnen de familie heeft het misbruik schade toegebracht en veel verdriet en loyaliteitsconflicten opgewekt.

Het hof heeft verder kennisgenomen van het door de reclassering over de verdachte opgemaakte rapport van 17 september 2024. De reclassering schat het recidiverisico laag in en adviseert om, mede gelet op de ontkennende houding van de verdachte, in geval van bewezenverklaring een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

De ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer brengen mee dat met geen andere straf kan worden volstaan dan een gevangenisstraf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van geruime duur met zich mee brengt. Met de advocaat-generaal acht het hof, gelet op de aard en ernst van de feiten zoals hiervoor overwogen, een hogere straf op zijn plaats dan de rechtbank aan de verdachte heeft opgelegd. Het hof heeft daarbij vanzelfsprekend ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar deze maken het oordeel van het hof niet anders. Met name vanwege de ernst van de feiten komt het hof op een andere straf uit, die ook iets afwijkt van de eis van de advocaat-generaal.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft (uitsluitend) verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde seksuele misbruik rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Daarbij is naar het oordeel van het hof sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De aard en ernst van het bewezenverklaarde seksueel misbruik brengt met zich dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat reeds daarom een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Zoals hiervoor reeds is uiteengezet, heeft de verdachte op indringende wijze de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij aangetast, in een situatie waarin zij zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij volgt bovendien dat de benadeelde partij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten. Ze slaapt slecht, heeft last van stress- en angstgevoelens en is wantrouwend geworden. Zij is onder behandeling geweest en ook blijkt, uit de toelichting van haar advocaat ter terechtzitting in hoger beroep, dat zij enkele maanden voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling opnieuw contact heeft gezocht met haar behandelaar, omdat de strafbare feiten bij haar opnieuw klachten hadden getriggerd.

Bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Hieruit volgt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 6.000,00 –

€ 12.500,00 billijk kan zijn bij de ernstige gevallen van ontucht met binnendringen (categorie 15.2 onder b). Het hof acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de gevorderde vergoeding van € 5.000,00 aan immateriële schade dan ook passend en billijk. Het hof zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de periode waarover wettelijke rente zal zijn verschuldigd, zal het hof bepalen op 12 augustus 2005, zijnde een datum gelegen in het midden van de bewezenverklaarde pleegperiode.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 244 (oud) en 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 augustus 2005.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.J. Hübel, mr. E.J Hofstee en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van

mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 augustus 2026.

mrs. Hübel en Postma en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.C. Vermeijden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand