ECLI:NL:GHAMS:2026:2440

ECLI:NL:GHAMS:2026:2440

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer 23-000951-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2023:2820

Samenvatting

Profijtontneming uit valsheid in geschrift met testamenten, een kennisgeving van overlijden, een verklaring van erfrecht, facturen, offertes en schadetaxaties. Vorderingen benadeelde partijen niet in mindering gebracht. Draagkrachtverweer verworpen. Constatering overschrijding RT. WVV en betalingsverplichting € 405.871,29.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000951-23

datum uitspraak: 27 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 maart 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 15-871293-18 tegen de betrokkene:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 405.800,00.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 maart 2023 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk gebruik maken van enig in artikel 226, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vermeld vals geschrift en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr, meermalen gepleegd, en gewoontewitwassen.

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 21 maart 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 305.312,09 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 27 augustus 2026 het vonnis in de strafzaak bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissingen over de duur van de gijzeling in het kader van de schadevergoedingsmaatregelen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de vaststelling van de betalingsverplichting tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Grondslag van de ontnemingsvordering

De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld voor – kort gezegd – in de periode van 3 september 2008 tot en met 7 augustus 2018 medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste authentieke akten en een geschrift. De betrokkene heeft een vervalst testament en een kennisgeving van overlijden van [persoon 1] , waaruit in strijd met de waarheid volgde dat de betrokkene legataris was, ingediend bij de gemeente Bergen. Daarnaast heeft de betrokkene een vervalst testament en een verklaring van erfrecht van [persoon 2] , waaruit in strijd met de waarheid volgde dat de betrokkene erfgenaam was, opgestuurd naar een bank in Luxemburg. Als gevolg daarvan heeft de bank in Luxemburg op 1 juni 2017 € 343.683,58 overgemaakt op de bankrekening van de betrokkene.

Verder is de betrokkene in de strafzaak veroordeeld voor het – kort gezegd – in de periode van 5 december 2011 tot en met 1 maart 2017 medeplegen van opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste facturen, offertes en schadetaxaties. Op die valse stukken stond vermeld dat ze uit naam van [bedrijf] B.V. en [website] zijn opgemaakt. De betrokkene heeft de valse stukken vervolgens ingediend bij onder andere verzekeringsmaatschappijen ASR Schadeverzekeringen N.V. en Nationale Nederlanden N.V.. Naar aanleiding daarvan heeft de betrokkene in totaal € 62.187,71 van de verzekeringsmaatschappijen als vergoeding voor stormschade, schade door blikseminslag en inbraakschade uitgekeerd gekregen.

Het hof acht het, gelet op het voorgaande, aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort gezegd – bepleit dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op een juiste manier dient te schatten, dubbeltelling van dezelfde vermogensmassa dient te voorkomen en bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening dient te houden met de duur van de procedure, het beslag, de vorderingen van de benadeelde partijen en de actuele financiële en medische situatie van de betrokkene, dit laatste in het kader van de draagkracht.

Het hof verenigt zich met wat in het ontnemingsrapport is opgenomen ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit het bedrag dat de betrokkene heeft ontvangen van de bank in Luxemburg naar aanleiding van het indienen van een vervalste authentieke akte en een geschrift (€ 343.683,58) en het bedrag dat de betrokkene heeft ontvangen van de verzekeringsmaatschappijen naar aanleiding van het indienen van valse facturen, offertes en schadetaxaties (€ 62.187,71).

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 405.871,29 (€ 343.683,58 + € 62.187,71).

Verplichting tot betaling aan de Staat

Vorderingen benadeelde partijen

De benadeelde partij ASR Schadevergoedingen N.V. heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 32.379,53 wegens materiële schade. De benadeelde partij Nationale Nederlanden N.V. heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 23.179,67 wegens materiële schade. Beide vorderingen zijn in het vonnis door de rechtbank volledig toegewezen. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het hof heeft in het arrest in de strafzaak van 27 augustus 2026 de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen bevestigd.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e, achtste lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht dient bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden onherroepelijk in rechte toegekende vorderingen in mindering te worden gebracht. Met ingang van 1 januari 2014 is voornoemde bepaling gewijzigd in die zin dat artikel 36e, negende lid, Sr sindsdien voorschrijft dat aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht voor zover die zijn voldaan.

ASR Schadevergoedingen N.V. heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend naar aanleiding van door hen onterecht uitgekeerde schadebedragen. De schadebedragen zijn door ASR Schadevergoedingen N.V. uitgekeerd vóór de wetswijziging van 1 januari 2014. Het arrest van heden, 27 augustus 2026, waarin de beslissing van de rechtbank ten aanzien van deze vordering is bevestigd, is niet onherroepelijk. Gelet daarop zal het hof de toegewezen vordering van € 32.379,53 niet in mindering brengen op de betalingsverplichting.

Nationale Nederlanden N.V. heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend naar aanleiding van door hen onterecht uitgekeerde schadebedragen. Die schadebedragen zijn door Nationale Nederlanden N.V. allemaal uitgekeerd na de wetswijziging van 1 januari 2014. Nu niet is gebleken dat de vordering door de betrokkene (deels) is voldaan, zal het hof de toegewezen vordering van € 23.179,67 niet in mindering brengen op de betalingsverplichting.

Draagkracht

De raadsman heeft in het kader van de betalingsverplichting aangevoerd dat de betrokkene, gelet op zijn financiële en medische situatie, verminderde draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen. In een ontnemingszaak kan de draagkracht van de betrokkene alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht heeft, dan wel zal krijgen. De betrokkene zal daartoe gemotiveerd en zo mogelijk aan de hand van bescheiden volledige openheid van financiële zaken moeten geven. Op basis van de door de verdediging ingebrachte medische stukken is in het onderhavige geval niet aanstonds duidelijk dat de betrokkene nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben, zodat het verweer wordt verworpen. De (toekomstige) draagkracht van de betrokkene kan eventueel in de executiefase aan de orde worden gesteld.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Op 7 augustus 2018 is strafrechtelijk en conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen van de betrokkene en de rechtbank heeft op 21 maart 2023 het vonnis uitgesproken. De overschrijding in eerste aanleg is daarmee twee jaar en ruim zeven maanden. Namens de verdachte is op 24 maart 2023 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 27 augustus 2026. Het gaat daarmee om een overschrijding van een jaar en ongeveer vijf maanden. Nu deze overschrijding in de strafzaak, die in hoger beroep tegelijkertijd met de ontnemingszaak is behandeld en waarop bij arrest van 27 augustus 2026 wordt beslist, in de opgelegde straf is verdisconteerd, volstaat het hof in de ontnemingszaak met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof stelt de betalingsverplichting vast op € 405.871,29.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 405.871,29 (vierhonderdvijfduizend achthonderdeenenzeventig euro en negenentwintig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 405.871,29 (vierhonderdvijfduizend achthonderdeenenzeventig euro en negenentwintig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 augustus 2026.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Geensen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand