Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2026.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 23 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
- op 18 maart 2024 [slachtoffer 1] en/of
- op 21 maart 2024 [slachtoffer 2] en/of
- op 22 maart 2024 [slachtoffer 3]
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van een of meerdere bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of telefoon(s) en/of sieraden, door met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid meermalen, althans eenmaal,
- telefonisch contact te zoeken met voornoemde slachtoffer(s) en zich daarbij voor te doen als medewerker van (de fraudehelpdesk van) een bank met de mededeling dat er geld van zijn/haar/hun rekening is gehaald en/of geprobeerd was te halen en/of
- om vervolgens naar zijn/haar pincode en/of persoonlijke gegevens te vragen en/of
- naar de woning van voornoemde slachtoffer(s) te gaan en zich voor te doen als koerier/medewerker van de bank en/of
- voornoemde slachtoffer(s) te verzoeken om zijn/haar/hun bankpas(sen) en/of (bijbehorende) pincode(s) en/of telefoon(s) en/of sieraden af te geven, waardoor voornoemde slachtoffer(s) bewogen is/zijn tot bovenomschreven afgifte;
2.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 23 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en)/goed(eren) (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten (een) bankpas(sen) en/of creditcard(s) en/of (een) bijbehorende pincode(s), tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd en/of gemachtigd en/of bevoegd was, te weten:
- op 18 maart 2024 te Amsterdam (een) geldbedrag(en) van (in totaal) € 1.200,- toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of
- op 21 maart 2024 te Amsterdam (een) geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) € 400,- toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of
- op 22 maart 2024 tot en met 23 maart 2024 te Amsterdam (een) geldbedrag(en) van (in totaal) € 1640,- toebehorende aan [slachtoffer 3] ;
3.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 23 maart 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) € 5.640,-, althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
Inleiding
De verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan het – kort gezegd – medeplegen van een drietal oplichtingen in woningen door het uitvoeren van ‘babbeltrucs’. De bejaarde aangevers, te weten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] , werden telefonisch benaderd en daarna in hun huis bezocht door een persoon die zich voordeed als een medewerker van een fraudedesk en die vervolgens hun pinpassen (met bijbehorende pincodes) innam ter bewaring. De verdachte wordt ook meermalen diefstal verweten door geldbedragen te pinnen met pinpassen van de slachtoffers. Ten slotte is het witwassen van de buitgemaakte geldbedragen aan hem ten laste gelegd.
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd voor het medeplegen van de oplichting en diefstal van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en het eenvoudig witwassen van een geldbedrag van in totaal € 1.600,00.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor de oplichtingen en de diefstallen partieel moet worden vrijgesproken en voor het witwassen volledig moet worden vrijgesproken.
Met betrekking tot de oplichtingen heeft zij aangevoerd dat, hoewel het dossier aanknopingspunten bevat die wijzen op betrokkenheid van de verdachte, de rol die de verdachte heeft gespeeld bij het uitvoeren van de ‘babbeltrucs’ niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, zodat in ieder geval dat gedeelte van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met betrekking tot de diefstallen heeft zij primair aangevoerd dat de herkenningen van de verdachte als de persoon die de pintransacties uitvoerde onvoldoende betrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de pintransacties apart van elkaar moeten worden beoordeeld en meer subsidiair dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met zijn mededaders bij het uitvoeren van de pintransacties. Met betrekking tot het witwassen heeft zij aangevoerd dat het dossier geen zelfstandige witwasconstructie bevat en daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring.
Bewijsmotivering
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de oplichting en de diefstal van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Daartoe overweegt het hof als volgt.
[slachtoffer 2]
Op 21 maart 2024 omstreeks 18.00 uur is aangever [slachtoffer 2] gebeld door een man die zich voorstelde als [persoon 1] van de helpdesk van de Rabobank. In dat gesprek gaf deze [persoon 1] aan dat geld van de rekening van de aangever is afgeschreven in Den Bosch. De aangever was niet in Den Bosch geweest en vervolgens deelde [persoon 1] mee dat hij iemand langs zou sturen om de pinpas – voorzien van de bijbehorende pincode – en de telefoon van de aangever op te halen. De persoon zou zich aan de deur verifiëren middels de code ‘JSAAF1’. Omstreeks 18.45 uur kwam een persoon aan de deur van de aangever die voornoemde code liet zien en zich voorstelde als [persoon 2] . De aangever moest van [persoon 2] zijn pinpas in een envelop stoppen en op die envelop de bijbehorende pincode schrijven. Omstreeks 19.30 uur is [persoon 2] vertrokken met de pinpas, de bijbehorende pincode en de mobiele telefoon van de aangever. Ondertussen is de aangever gebeld door een persoon die vertelde dat hij van de politie was. Deze persoon zou morgen langskomen om de sloten van de aangever te controleren en deelde verder mee dat de aangever via zijn bank nieuwe sloten zou krijgen en dat zijn pinpas morgen terug zou worden gegeven. Rond 19.50 uur kwam dit telefoongesprek ten einde. Diezelfde dag is om 19.54 uur geld opgenomen met de pinpas van de aangever.
[slachtoffer 1]
Met betrekking tot aangever [slachtoffer 1] is sprake van een – op essentiële punten – overeenkomstige werkwijze als de voorgaande. Op 18 maart 2024, drie dagen eerder, omstreeks 15.30 uur is aangever [slachtoffer 1] gebeld door een helpdeskfraudelijn. De persoon aan de lijn deelde mee dat de aangever voor een groot bedrag was opgelicht. De aangever werd, zo werd hem meegedeeld, doorverbonden met een wijkagent, die hem vertelde dat hij enveloppen moest klaarleggen met daarin zijn bankpas en zijn creditcard en dat deze door een assistent zouden worden opgehaald. Op de enveloppen moest hij de bijbehorende pincodes schrijven. De aangever moest ook zijn telefoon uitzetten en mocht deze gedurende 24 uur niet gebruiken. Terwijl de aangever nog aan de lijn was met de wijkagent, kwam de assistent aan de deur. De assistent legitimeerde zich met de via de telefoon doorgegeven code en stelde zich voor als [persoon 2] . De aangever vertrouwde de zaak niet en toen hij zich terugtrok in zijn slaapkamer om de politie te bellen, is [persoon 2] vertrokken met de pinpas en de creditcard, de bijbehorende pincodes en een telefoon van de aangever. Later die dag, vanaf 17:22 uur, zijn meerdere geldbedragen opgenomen met de passen.
Betrokkenheid van de verdachte
Ten aanzien van de vraag of de verdachte als één van de (mede)daders bij deze feiten is betrokken, overweegt het hof als volgt.
Met betrekking tot de pintransactie met de pinpas van aangever [slachtoffer 2] blijkt uit onderzoek naar de bankgegevens dat op 21 maart 2024 omstreeks 19.54 uur bij een geldautomaat in de [adres 2] in Amsterdam € 400,00 is gepind met zijn gestolen bankpas.
Met betrekking tot de pintransactie met de passen van aangever [slachtoffer 1] blijkt uit onderzoek naar de bankgegevens dat op 18 maart 2024 omstreeks 17.22 uur en 17.27 uur bij een geldautomaat op het [adres 3] in Amsterdam respectievelijk € 500,00 en € 700,00 is gepind met zijn gestolen passen en diezelfde dag om 17.46 uur een mislukte pintransactie heeft plaatsgevonden bij een pinautomaat in de [adres 4] in Amsterdam.
De pinautomaten in de [adres 2] en op het [adres 3] zijn voorzien van bewakingscamera’s. De camerabeelden van de pintransacties die daar zijn gedaan met de pinpassen van de aangevers zijn bekeken en telkens hebben twee verbalisanten de persoon op de beelden herkend als de verdachte.
Herkenning pintransactie [adres 2]
Verbalisant AML46905 ziet een foto van een man bij vermoedelijk een pinautomaat. Hij ziet dat het gezicht van de persoon vanaf de neus zichtbaar is. De verbalisant herkent de verdachte aan de vorm van zijn gezicht, zijn smalle neus en de moedervlek aan de rechterzijde boven de snor. De verbalisant heeft de verdachte eerder gedurende zijn werkzaamheden meerdere keren in de briefing en fysiek gezien.
Verbalisant [verbalisant 1] zag op de hem beschikbaar gestelde foto dat de persoon een moedervlek had aan de rechterzijde van zijn neus en een oneffenheid in de linker wenkbrauw. Hij herkende de verdachte en kende hem van een politiecontrole die de verbalisant op 12 maart 2024 heeft verricht.
Herkenning pintransactie [adres 3]
Verbalisant AML46905 ziet een foto van een man bij vermoedelijk een pinautomaat. Hij ziet dat het gezicht van de persoon goed zichtbaar is. De verbalisant herkent de verdachte aan de vorm van zijn gezicht, de wat grotere ronde ogen en aan de moedervlek aan de rechterzijde boven de snor.
Verbalisant [verbalisant 2] herkent de verdachte aan de vorm van zijn hoofd, kaaklijn, neus, mond, ogen gezichtsbeharing wenkbrauwen en de moedervlek boven de baardgroei. Hij herkent de verdachte doordat hij meerdere malen zijn politiefoto heeft gezien. Tevens heeft hij de verdachte gedurende zijn werkzaamheden op straat gezien.
Alle waarnemingen van de verbalisanten zijn afzonderlijk van elkaar gedaan en geverbaliseerd. Zij hebben verklaard dat zij ambtshalve bekend waren met de verdachte en hebben concreet en voldoende specifiek de kenmerken benoemd waaraan zij de verdachte herkenden.
Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten.
Tussenconclusie
Het hof acht gelet op het voorgaande de ten laste gelegde diefstallen met valse sleutel van [slachtoffer 2] en van [slachtoffer 1] van respectievelijk € 400,00 en € 1.200,00 bewezen.
Medeplegen
Het pinnen van het geld met de gestolen bankpassen en de ontfutselde pincodes vond steeds binnen een kort tijdsbestek na de ‘babbeltruc’ en het wegnemen van de pinpassen uit de woning plaats. In het geval van [slachtoffer 2] is de (mede)verdachte omstreeks 19.30 uur met de pinpas vertrokken en is om 19.54 uur, nog geen half uur later, met diezelfde pinpas geld opgenomen, ongeveer vier minuten nadat aangever nog een keer gebeld was door een van de betrokken daders. Hoewel met betrekking tot [slachtoffer 1] minder precies een tijdlijn valt vast te stellen, volgt ook in dit geval uit het dossier dat de pintransactie kort na de het wegnemen van de pinpassen heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan kan aangenomen worden dat de ‘babbeltruc’ en de pintransacties door de zelfde daders of dadergroep is begaan. Het hof merkt daarbij op dat het planmatig pinnen de laatste schakel in het geheel is en daarmee een essentieel onderdeel vormt van het klaarblijkelijke plan om pinpas en pincode af te nemen en vervolgens te gebruiken. De verdachte heeft gedurende het proces geen enkele verklaring over zijn betrokkenheid afgelegd en is ook in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen, terwijl op basis van het dossier geenszins aannemelijk is geworden dat zijn betrokkenheid als pinner het gevolg was van iets anders dan een samenwerking. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de oplichtingen en de diefstallen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
Vrijspraak
Hoewel in het dossier ook met betrekking tot de oplichting en de diefstal van [slachtoffer 3] onmiskenbaar elementen van de hiervoor besproken modus operandi zijn te herkennen, is ten aanzien daarvan de directe betrokkenheid van de verdachte, voornamelijk vanwege het ontbreken van een herkenning op de beelden van de pintransactie met de pas van deze aangeefster, niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast te stellen. Het hof zal de verdachte vrijspreken van feiten 1 en 2 voor zover deze feiten betrekking hebben op de oplichting en diefstal van [slachtoffer 3] .
Witwassen
Nu vast is komen te staan dat de verdachte in totaal € 1.600,00 van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gestolen door dit geldbedrag met hun pinpassen te pinnen, kan worden vastgesteld dat de verdachte dit geldbedrag, zijnde een voorwerp onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf, voorhanden heeft gehad. Het hof acht feit 3 dan ook bewezen tot de hoogte van € 1.600,00 en kwalificeert dit als eenvoudig witwassen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij in de periode van 18 maart 2024 tot en met 21 maart 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
- op 18 maart 2024 [slachtoffer 1] en
- op 21 maart 2024 [slachtoffer 2]
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten afgifte van meerdere bankpassen en een creditcards en (bijbehorende) pincodes en telefoons, door met bovenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid meermalen,
- telefonisch contact te zoeken met voornoemde slachtoffers en zich daarbij voor te doen als medewerker van (de fraudehelpdesk van) een bank met de mededeling dat er geld van hun rekening is gehaald en
- om vervolgens naar hun pincode te vragen en
- naar de woning van voornoemde slachtoffers te gaan en zich voor te doen als koerier/medewerker van de bank en
- voornoemde slachtoffers te verzoeken om hun bankpassen en (bijbehorende) pincodes en telefoons af te geven, waardoor voornoemde slachtoffers bewogen zijn tot bovenomschreven afgifte;
2.hij op meerdere tijdstippen in de periode van 18 maart 2024 tot en met 21 maart 2024 te Amsterdam, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte die weg te nemen geldbedragen (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, te weten bankpassen en een creditcards en bijbehorende pincodes, tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd en/of gemachtigd en/of bevoegd was, te weten:
- op 18 maart 2024 te Amsterdam geldbedragen van (in totaal) € 1.200,- toebehorende aan [slachtoffer 1] en
- op 21 maart 2024 te Amsterdam een geldbedrag van € 400,- toebehorende aan [slachtoffer 2] ;
3.hij op meerdere tijdstippen in de periode van 18 maart 2024 tot en met 21 maart 2024 te Amsterdam meer geldbedragen van in totaal € 1.600,-, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit eigen misdrijf.
Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Het onder 2 en onder 3 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
en
eenvoudig witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de (gedeeltelijk in samenloop gepleegde) feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met anderen plegen van oplichting van twee bejaarde slachtoffers. De slachtoffers zijn op geraffineerde wijze telefonisch benaderd door iemand die zich
voordeed als een medewerker van de bank en vertelde dat bedragen van hun rekening waren gehaald,
zodat zij hun pinpas aan de verdachte zouden afgeven. Een medeverdachte is naar de woning van de
slachtoffers gegaan, heeft zich voorgedaan als medewerker van een bank en heeft de pinpas van de
slachtoffers meegenomen. Vervolgens heeft de verdachte zich in elk geval tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal met een valse sleutel door met die pinpassen geldbedragen te pinnen.
Door aldus in samenwerking met een ander of anderen te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de slachtoffers.
De verdachte heeft puur uit financieel gewin gehandeld en heeft geen rekening gehouden met de
mogelijke gevolgen daarvan voor en de kwetsbaarheid van de slachtoffers, die hij door hun hoge leeftijd
kennelijk als gemakkelijke prooi heeft gezien. Door het handelen van de verdachte is het vertrouwen van
de slachtoffers en van de samenleving in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen ernstig
geschaad. Bankhelpdeskfraude leidt tot angstgevoelens bij de betrokken slachtoffers en tot
maatschappelijke onrust, bijvoorbeeld onder ouderen in het algemeen. Uit de aangiften blijkt dat de daden van de verdachte de slachtoffers bijzonder hebben aangegrepen en dat zij daardoor angstig en wantrouwend naar hun medemens zijn geworden. Het hof rekent dit gedrag de verdachte ernstig aan. Vanwege de ernst van het strafbare handelen van de verdachte is dan ook in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie.
Het hof rekent het de verdachte voorts ook aan dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Hij heeft gedurende het proces geen enkele verklaring afgelegd en is op geen enkele zitting verschenen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juni 2026 is hij eerder voor diefstal onherroepelijk veroordeeld. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij uit deze veroordelingen geen enkele lering heeft getrokken. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is, nu de verdachte na onderhavige feiten onherroepelijk is veroordeeld tot een werkstraf en een gevangenisstraf.
Gelet op al het voorgaande oordeelt het hof dat de in eerste aanleg opgelegde straf, die door de advocaat-generaal ook in hoger beroep is gevorderd, onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.150,00, bestaande uit € 500,00 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 500,00 aan materiele schade.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard dan wel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat de verdachte van de tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde diefstal € 500,00 is ontnomen. Gelet daarop, en in aanmerking genomen dat deze schade inhoudelijk niet is betwist, is het hof van oordeel dat – kort gezegd – door het handelen van de verdachte rechtstreeks deze schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft € 650,00 gevorderd ter vergoeding van geleden immateriële schade. Het hof stelt voorop dat een vordering tot schadevergoeding (slechts) kan worden toegewezen als de schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.
Wettelijke grondslag
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten - onder meer - onder b: ‘aantasting in de persoon op andere wijze’.
De benadeelde partij heeft blijkens het bij de rechtbank ingediende schadeformulier met name ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ ten grondslag gelegd aan de vordering. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Niet gesteld noch uit het dossier is gebleken dat daarvan sprake is. Ook dan is evenwel niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal in beginsel degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (ECLI:NL:HR:2026:822).
Het hof overweegt als volgt.
Allereerst blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals onder meer weergegeven in de strafmaatoverweging, dat hier sprake is van een vermogensdelict met specifieke kenmerken waarbij via een geraffineerde werkwijze en samenwerking kwetsbare, bejaarde slachtoffers die zich thuis bevinden zijn opgelicht en bestolen.
Daarbij betrekt het hof de uit het schadeformulier blijkende psychische gevolgen die het bewezenverklaarde op de benadeelde hebben gehad. Benadeelde, geboortedatum [geboortedag 2] 1934, is zeer ontdaan geraakt, verwijt zichzelf voortdurend dat hij toch nog onvoldoende alert is geweest om het misdrijf te voorkomen, is boos op zichzelf en nog steeds (augustus 2024) in de war. Hij was enige tijd de controle over zijn leven kwijt. Hij voelt zich gehinderd door zijn hoge leeftijd en heeft moeite met de alledaagse dingen. Temeer omdat het incident in zijn eigen woning, die bij uitstek een veilige plaats dient te zijn, heeft plaatsgevonden. Hij praat over zijn emoties met vrienden. Dat geeft hem afleiding en enige rust. Na ongeveer een halfjaar zijn de emoties wel enigszins gezakt, maar het gevoel in de val te zijn gelopen blijft. Deze door de benadeelde gestelde specifieke gevolgen zijn door de verdediging niet weersproken.
Het hof is op grond van deze aard en ernst van de normschending, in samenhang beschouwd met de aard en ernst van de gestelde en niet betwiste gevolgen daarvan voor deze benadeelde, van oordeel dat als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde sprake is van een ‘persoonsaantasting op andere wijze’ die verder reikt dan een enkele schending van een fundamenteel recht en die een aanspraak op smartengeld volgens artikel 6:106, onder b, BW rechtvaardigt.
Begroting
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het hof slaat bij de begroting acht op de Rotterdamse Schaal en de Aanbevelingen normering smartengeld van de rechtspraak. Aangesloten wordt bij hoofdstuk 19.1 van de Rotterdamse Schaal (Persoonsaantastingen bij bedreigende situaties). Alles afwegend, acht het hof in de gegeven situatie toewijzing van – zoals gevorderd en niet betwist– een smartengeldbedrag van € 650,00 billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 40.000,00, bestaande uit € 20.000,00 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 63, 311, 326 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.150,00 (duizend honderdvijftig euro) bestaande uit € 500,00 (vijfhonderd euro) materiële schade en € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.150,00 (duizend honderdvijftig euro) bestaande uit € 500,00 (vijfhonderd euro) materiële schade en € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 11 (elf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 maart 2024.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. P.J. van Eekeren en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 juli 2026.
Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]