Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2026.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van wat aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte dus niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een alcoholhoudende drank in het gezicht te gooien.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 17 oktober 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een alcoholhoudende drank in het gezicht te gooien.
Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Subsidiair heeft zij het hof verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door een alcoholhoudende drank in het gezicht van het slachtoffer te gooien. Hij heeft daardoor inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en bij haar pijn veroorzaakt. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juni 2026 is hij eerder voor mishandeling onherroepelijk veroordeeld. Gelet op het voorgaande acht hof toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht voor dit feit geen passende uitkomst. Wel ziet het hof in de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de omstandigheid dat de verdachte – zoals door zijn raadsvrouw ter terechtzitting naar voren gebracht – naar verwachting na zijn detentie in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst en daarna het land wordt uitgezet, aanleiding om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere of lichtere straf dan een straf die deze vrijheidsbeneming met zich brengt kan niet worden volstaan. Inmiddels heeft de verdachte het onvoorwaardelijke deel van die straf in voorarrest ondergaan.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 750,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft blijkens de aantekening van het mondeling vonnis geen beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 350,00.
Het hof stelt voorop dat een vordering tot schadevergoeding (slechts) kan worden toegewezen als de schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten - onder meer - onder b: ‘lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze’.
De benadeelde partij heeft blijkens het bij de rechtbank ingediende schadeformulier ‘aantasting in de eer of goede naam’ ten grondslag gelegd aan de vordering. Namens haar is daartoe aangevoerd dat de verdachte alcoholhoudende drank in haar gezicht heeft gegooid en dat hij haar heeft bespuugd in het bijzijn van omstanders op Schiphol.
Voor zover de benadeelde zich beroept op het onder 2 ten laste gelegde spugen, geldt (zoals ook hiervoor is overwogen) dat de verdachte daarvan door de politierechter is vrijgesproken. Reeds daarom faalt dit deel van de feitelijke grondslag voor de schadevergoedingsvordering.
Het hof ziet in het dossier inclusief voornoemd schadeformulier geen grond om het (ook in hoger beroep) als mishandeling bewezen verklaarde gooien van alcoholhoudende drank in het gezicht op zichzelf aan te merken als ‘aantasting in de eer of goede naam’. Namens de benadeelde is in voornoemd schadeformulier aangegeven dat de drank deels terecht kwam in haar ogen waardoor die gedurende een uur gingen branden, zij even niets kon zien en bij de wasbak haar ogen heeft schoongemaakt, en dat zij geen zichtbaar letsel heeft opgelopen. Het hof kan hieruit (ambtshalve), bij gebreke van een nadere toelichting, evenmin opmaken dat sprake is van ‘lichamelijk letsel’. Evenmin is gesteld of door het hof ambtshalve uit het dossier op te maken dat sprake is van ‘geestelijk letsel’ dan wel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde normschending en van de gevolgen daarvan een persoonsaantasting ‘op andere wijze’ rechtvaardigen. Bij gebreke van enige gebleken grondslag voor een recht op vergoeding van immateriële schade volgens artikel 6:106 BW, zal het hof de vordering afwijzen. Daarbij betrekt het hof dat deze niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, dat de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen maar daarvan in hoger beroep heeft afgezien, en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] af.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. P.J. van Eekeren en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 juli 2026.
Mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]